Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BM1981

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
341228 / HA ZA 09-3037
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Rechtsmacht Nederlandse rechter. Brussel I-Vo. Forumkeuzebeding van art. 23 lid 1, derde volzin, Fenex-voorwaarden geldig overeengekomen in de zin van art. 23 Brussel I-Vo? Nee, want slechts door middel van verwijzing naar Fenex-voorwaarden op facturen. Wél bevoegdheid ingevolge art. 5 Brussel I-Vo. Maar geldt er een arbitraal beding? Toepasselijk recht. EVO. Inlichtingencomparitie over wijze van communicatie tussen partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TVA 2011/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 341228 / HA ZA 09-3037

Vonnis van 21 april 2010

in de zaak van

[eiseres]

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

verweerster in het incident,

advocaat mr. J.A.M. Roks,

- tegen -

VERSAY LIMITED,

gevestigd te Leicester, Verenigd Koninkrijk,

gedaagde,

eiseres in het incident,

advocaat mr. J. Kneppelhout.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiseres]”, respectievelijk “Versay”.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 6 mei 2009;

- de conclusie van eis in het bevoegdheidsincident;

- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, tevens houdende akte tot rectificatie, met vier producties;

- de akte uitlating producties;

- de antwoordakte.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.2

De rechtbank heeft kennis genomen van deze processtukken.

2. De vordering in de hoofdzaak

2.1.

[eiseres] vordert – samengevat weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Versay zal veroordelen om aan haar te betalen € 45.315,34, vermeerderd met rente en kosten. [eiseres] stelt daartoe – kort gezegd – het volgende.

2.2

[eiseres] heeft in 2008 en 2009 in opdracht en voor rekening van Versay inklarings-, transport-, afhandelings- en opslagwerkzaamheden verricht.

2.3

Versay heeft de haar in verband daarmee door [eiseres] toegezonden facturen behouden, maar op de facturen € 37.391,- aan hoofdsom onbetaald gelaten.

2.4

De rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door de Algemene voorwaarden van de Federatie van Nederlandse Expediteursorganisatie (hierna: Fenex-voorwaarden).

Ingevolge de Fenex-voorwaarden is Versay administratiekosten en buitengerechtelijke kosten verschuldigd.

2.5

Voorts is Versay over de vordering de Nederlandse wettelijke handelsrente verschuldigd.

3. De vordering en het verweer in het bevoegdheidsincident

3.1.

Versay vordert – kort gezegd – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zich onbevoegd zal verklaren met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. Daartoe voert Versay het volgende aan.

3.2

Ingevolgde de hoofdregel van bevoegdheid dient Versay in de staat van haar vestiging, het Verenigd Koninkrijk, gedagvaard te worden.

3.3

Versay betwist dat de Fenex-voorwaarden van toepassing zijn (geworden).

Voor zover [eiseres] betoogt dat de Fenex-voorwaarden middels verwijzing op haar facturen, doordat partijen jarenlang zaken met elkaar deden, door gewoonte van toepassing zijn geworden, gaat dat betoog om de volgende redenen niet op. Versay heeft de toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden niet aanvaard. De verwijzingsclausule is pas tegen het einde van de samenwerking op de facturen van [eiseres] opgenomen. De verwijzingsclausule is gesteld in het Nederlands, welke taal Versay niet machtig is Bovendien is de verwijzingsclausule onduidelijk omdat daarin meer sets algemene voorwaarden van toepassing worden verklaard; derhalve is geen enkele set voorwaarden van toepassing geworden.

[eiseres] heeft ook opslagwerkzaamheden voor Versay verricht. In de verwijzingsclausule worden voor opslag de Rotterdamse Stuwadoorscondities van toepassing verklaard, welke voorwaarden een arbitraal beding bevatten. Indien de verwijzingsclausule werking heeft, is ook om die reden de rechtbank niet bevoegd.

3.4

Indien en voor zover de Fenex-voorwaarden van toepassing zijn, mist de rechtbank evenzeer bevoegdheid omdat die voorwaarden een arbitraal beding bevatten, behoudens het geval dat de opdrachtgever nalaat onbetwiste facturen te betalen. Echter, Versay betwist de vordering van [eiseres], maar [eiseres] maakt niet inzichtelijk van welke facturen zij betaling vordert, zodat niet kan worden bepaald of de bijzondere bevoegdheidsregeling van artikel 23 lid 1, derde volzin van de Fenex-voorwaarden van toepassing is.

3.5

De conclusie van [eiseres] strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van Versay in de kosten van het incident bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Daartoe voert [eiseres] – samengevat weergegeven – het volgende aan.

3.6

Door de verwijzing op de facturen van [eiseres] naar de Fenex-voorwaarden zijn deze in de jarenlange samenwerking tussen partijen van toepassing geworden. Versay heeft nooit bezwaar gemaakt tegen die toepasselijkheid.

De Fenex-voorwaarden staan op de website van [eiseres], zowel in het Nederlands als in het Engels.

In de branche van [eiseres] is de toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden bovendien gebruikelijk.

3.7

Omdat Versay diverse facturen van [eiseres] zonder te protesteren meer dan vier weken onbetaald gelaten heeft, is ingevolge artikel 23 lid 1 [de rechtbank leest:] derde volzin van de Fenex-voorwaarden de rechtbank Rotterdam bevoegd. Dat forumkeuzebeding voldoet aan de vereisten van artikel 23 lid 1van de Brussel I-Vo.

3.8

Voor zover de Rotterdamse Stuwadoorscondities van toepassing zijn, is de rechtbank eveneens bevoegd nu het hier om de inning van geldvorderingen gaat waarvoor het betreffende arbitraal beding niet geldt.

3.9

Voor zover geoordeeld wordt dat geen forumkeuzebeding geldt, is de rechtbank bevoegd ingevolge artikel 5 Brussel I-Vo.

4. De beoordeling

in de hoofdzaak en het bevoegdheidsincident

4.1

In haar conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, tevens houdende akte tot rectificatie, heeft [eiseres] onder overlegging van een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, haar naam gerectificeerd, in de vorm als in het hoofd van dit vonnis is vermeld. Versay heeft aangegeven geen commentaar op die aanpassing van de naam te hebben.

De rechtbank volgt partijen daarin.

voorts in het bevoegdheidsincident

4.2

Versay heeft zich in haar eerste processtuk, derhalve tijdig, op onbevoegdheid in de zin van ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter beroepen.

4.3

Er is sprake van een internationaal kader nu [eiseres] woonplaats heeft (gevestigd is) in Nederland en Versay in het Verenigd Koninkrijk, beide op het grondgebied van een EU-lidstaat.

De vordering in de hoofdzaak is ingesteld bij dagvaarding van 6 mei 2009, derhalve na de inwerkingtreding van de Verordening (EG) nummer 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-Vo). De vraag of deze rechtbank bevoegd is tot kennisneming van de vordering van [eiseres] in de hoofdzaak dient daarom in beginsel aan de hand van de Brussel I-Vo te worden beantwoord.

4.4

Mede bepalend voor de beoordeling van de bevoegdheid is de grondslag van de vordering in de hoofdzaak.

[eiseres] legt aan haar vordering in de hoofdzaak ten grondslag dat zij in 2008 en 2009 in opdracht en voor rekening van Versay inklarings-, transport-, afhandelings- en opslagwerkzaamheden heeft verricht en dat Versay haar daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen niet nakomt. Versay betwist niet dat zodanige overeenkomst(en) tussen partijen tot stand is (zijn) gekomen. De grondslag van de vordering is derhalve een verbintenis uit overeenkomst.

het forumkeuzebeding

4.5

[eiseres] beroept zich op het in artikel 23 lid 1, derde volzin van de Fenex-voorwaarden opgenomen forumkeuzebeding (hierna: het forumkeuzebeding). Artikel 23 lid 1 van de Fenex-voorwaarden luidt als volgt:

“Alle geschillen, die tussen de expediteur en zijn wederpartij mochten ontstaan, zullen met uitsluiting van de gewone rechter in hoogste ressort worden beslist door drie arbiters. Een geschil is aanwezig [..].

Onverminderd het in de voorgaande alinea bepaalde staat het de expediteur vrij vorderingen van opeisbare geldsommen, waarvan de verschuldigdheid niet door de wederpartij binnen vier weken na factuurdatum schriftelijk is betwist, voor te leggen aan de bevoegde Nederlandse rechter in de vestigingsplaats van de expediteur.

Eveneens staat het de expediteur vrij [..].”

Het forumkeuzebeding vormt derhalve een afwijking op de in de eerste twee volzinnen van artikel 23 lid 1 van de Fenex-voorwaarden gegeven hoofdregel dat geschillen door arbitrage worden beslecht.

4.6

De vraag of het in de door [eiseres] ingeroepen forumkeuzebeding voor Versay bindend is, dient te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 23 Brussel I-Vo. Het eerste lid van dat artikel bepaalt voor zover in dit geval van belang:

“Wanneer de partijen [..] een gerecht [..] van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking [..] zullen ontstaan, is dit gerecht [..] van die lidstaat bevoegd. [..] Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:

a) hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;

b) hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden;

c) hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht worden genomen.”

4.7

Gesteld noch gebleken is dat de overeenkomst(en) van opdracht schriftelijk tot stand zijn gekomen, of dat (een van) partijen een of meer mondeling gegeven opdrachten schriftelijk (heeft) hebben bevestigd.

Hoewel [eiseres] zich wel (mede) beroept op het bepaalde in artikel 23 lid 1 aanhef en onder a) Brussel I-Vo, heeft zij onvoldoende gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, om het bestaan van zodanige schriftelijke of schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst in overweging te nemen. Voor zover [eiseres] betoogt dat de verwijzingsclausule op haar factuur zodanige schriftelijke of schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst oplevert, miskent [eiseres] dat het in artikel 23 lid 1 aanhef en onder a) Brussel I-Vo gaat om een tussen partijen tot stand gekomen geschrift waarin de forumkeuze zelf is belichaamd.

4.8

Voor zover van Steenoven zich beroept op een in artikel 23 lid 1 aanhef en onder b) of c) bedoelde mogelijkheid voor geldigheid van een forumkeuzebeding, overweegt de rechtbank het volgende.

4.9

Voor het naar de maatstaf van artikel 23 Brussel I-Vo rechtsgeldig maken van een forumkeuze is vereist, maar ook voldoende dat er sprake is van een daadwerkelijke instemming van beide partijen met de forumkeuze (vgl.: HvJ EG 16 maart 1999, LJN AD3027 – Castelletti).

Het onder 3.3 samengevatte standpunt van Versay komt erop neer dat zij niet heeft ingestemd met het forumkeuzebeding.

4.10

Het door [eiseres] gestelde stilzwijgend aanvaarden door Versay van het forumkeuzebeding baseert [eiseres] op niet meer of anders dan dat Versay zonder bezwaar facturen van [eiseres] heeft behouden c.q. daarop heeft betaald, terwijl onderaan die facturen een verwijzing stond naar de Fenex-voorwaarden. Gesteld noch gebleken is dat in de op de facturen gedrukte verwijzingsclausule melding wordt gemaakt van het forumkeuzebeding.

Onder die omstandigheden kan uit het enkele door Versay behouden van c.q. betalen op facturen van [eiseres] niet worden afgeleid dat Versay daardoor daadwerkelijk heeft ingestemd met het forumkeuzebeding. Nu geen andere gedraging vanwege Versay is gesteld waaruit haar daadwerkelijke instemming met het forumkeuzebeding valt af te leiden, stuit het beroep op het forumkeuzebeding op het vorenstaande af.

4.11

De door [eiseres] gestelde, enkele omstandigheid dat het in de branche van de (Nederlandse) expediteurs gebruikelijk is om de toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden te bedingen – al aangenomen dat zodanig gebruik bestaat – brengt niet mee dat het in de branche van het internationale handelsverkeer gebruikelijk is om in de algemene voorwaarden een forumkeuzebeding als dat van artikel 23 lid 1, derde volzin van de Fenex-voorwaarden op te nemen, evenmin om zodanig forumkeuzebeding slechts door verwijzing naar die algemene voorwaarden op de facturen van toepassing te verklaren, zodat Versay dat gebruik kende of geacht mocht worden het te kennen.

4.12

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het forumkeuzebeding niet rechtsgeldig in overeenstemming met artikel 23 lid 1 Brussel I-Vo met Versay is overeengekomen.

bevoegdheid ingevolge artikel 5 Brussel I-Vo

4.13

Versay heeft niet bestreden dat [eiseres] in haar opdracht diensten heeft verricht in Nederland en die bij haar in rekening heeft gebracht. De vordering van [eiseres] strekt tot het verkrijgen van betaling van die diensten. Derhalve is van toepassing de bijzondere bevoegdheid geregeld in artikel 5 aanhef en onder 1.a) en b) tweede gedachtestreepje Brussel I-Vo: de verweerder kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats in een EU-lidstaat waar de diensten zijn verricht. In het onderhavige geval was dat Rotterdam.

Daarom is deze rechtbank uit dien hoofde bevoegd, behoudens hetgeen hierna wordt overwogen.

arbitraal beding van toepassing?

4.14

Subsidiair, voor het geval de Rotterdamse Stuwadoorscondities c.q. de Fenex-voorwaarden op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing worden geacht, beroept Versay zich op de arbitrale bedingen in die algemene voorwaarden. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

4.15

Een oordeel over de vraag of de Rotterdamse Stuwadoorscondities of de Fenex-voorwaarden op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing zijn, is in het vorenstaande niet gegeven.

Geen van partijen heeft onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk gesteld dat de Rotterdamse Stuwadoorscondities van toepassing zijn. [eiseres] stelt (niet) dat (de Rotterdamse Stuwadoorscondities, maar) de Fenex-voorwaarden van toepassing zijn geworden door verwijzing daarnaar op haar aan Versay in de loop der jaren toegezonden facturen.

Uit het vorenstaande volgt dat een oordeel dat het arbitraal beding in de Rotterdamse Stuwadoorscondities van toepassing is in het kader van dit bevoegdheidsincident niet zal worden gegeven. De vraag of het arbitraal beding in de Fenex-voorwaarden van toepassing is blijft ter beantwoording voorliggen.

4.16

De Brussel I-Vo is niet van toepassing op arbitrage; zie artikel 1 lid 2 van die verordening. Derhalve dient, nu de genoemde sets algemene voorwaarden voorzien in arbitrage in Nederland, aan de maatstaf van Boek 4, Titel 1, Eerste Afdeling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te worden onderzocht of op geldige wijze tussen partijen een overeenkomst tot arbitrage is tot stand gekomen.

Ingevolge artikel 1021 Rv kan een overeenkomst tot arbitrage belichaamd zijn in een geschrift dat verwijst naar algemene voorwaarden die in arbitrage voorzien en dat door de wederpartij uitdrukkelijk of stilzwijgend is aanvaard. Indien tussen partijen een geschil bij de gewone rechter is aangebracht waarover een overeenkomst tot arbitrage geldt, dient de rechter zich onbevoegd te verklaren, aldus artikel 1022 Rv.

4.17

De rechtbank herhaalt dat gesteld noch gebleken is dat Versay schriftelijk(e) opdracht(en) aan [eiseres] heeft gegeven, of dat tussen partijen een (of meer) mondeling gegeven opdracht(en) schriftelijk is (zijn) bevestigd.

4.18

[eiseres] stelt dat de Fenex-voorwaarden van toepassing zijn geworden door verwijzing daarnaar op haar aan Versay in de loop der jaren toegezonden facturen. De betreffende verwijzingsclausule luidt als volgt:

“Voor stuwadoorswerkzaamheden en opslag gelden de Algemene Voorwaarden van de vereniging van Rotterdamse Stuwadoors zoals laatst gedeponeerd ter Griffie van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam. [..] Alle overige werkzaamheden worden verricht op de Algemene Voorwaarden der Federatie van Nederlandse Expediteursorganisaties (FENEX), zoals laatst gedeponeerd ter Griffie van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, Arnhem, Breda en Rotterdam.”

[eiseres] heeft (als productie 4) overgelegd twintig facturen van haar aan Versay, waarvan de oudste is gedateerd 11 april 2008 en de jongste 17 juni 2009. Al die facturen bevatten de verwijzingsclausule. [eiseres] wijst erop dat Versay nimmer tegen die verwijzing heeft geprotesteerd en stelt dat Versay daardoor de toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden heeft aanvaard.

Versay erkent dat de betreffende verwijzingsclausule tegen het einde van de jarenlange samenwerking op de facturen van [eiseres] was opgenomen. Versay heeft niet betwist dat zij de genoemde facturen van [eiseres] heeft ontvangen. Voor het standpunt van Versay verwijst de rechtbank naar 3.3 hierboven.

4.19

Bij gebreke van een andere (gestelde) grond van toepasselijkheid, is het arbitraal beding in de Fenex-voorwaarden derhalve slechts van toepassing indien die algemene voorwaarden door de verwijzingsclausule op de facturen van [eiseres] in 2008 en 2009 van toepassing zijn geworden. Om te kunnen bepalen of dat zo is, dient eerst te worden bepaald welk recht de rechtsverhouding tussen partijen beheerst.

4.20

Het gaat hier om de vraag of een wederpartij bij een overeenkomst gebonden is geraakt aan een arbitraal beding in algemene voorwaarden, dus om de vraag naar de geldigheid van die algemene voorwaarden op de overeenkomst. Die vraag laat zich naar Nederlands internationaal privaatrecht beantwoorden aan de hand van het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: EVO).

Op grond van artikel 8 lid 1 EVO wordt de geldigheid van de overeenkomst of van bepalingen daarvan beheerst door het recht dat op de overeenkomst van toepassing zou zijn indien de overeenkomst of de bepaling geldig zou zijn. Bij gebreke aan een gestelde of gebleken rechtskeuze, wordt ingevolge artikel 4 EVO de overeenkomst in beginsel beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is. Ingevolge het tweede lid van artikel 4 EVO wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst verbonden is met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, bij het sluiten van de overeenkomst gevestigd was.

Uit de stellingen van [eiseres] in de dagvaarding, die in zoverre niet door Versay zijn betwist, volgt dat [eiseres] de kenmerkende prestaties onder de overeenkomst(en) tussen partijen diende te verrichten. [eiseres] was en is gevestigd in Nederland. Derhalve is Nederlands recht van toepassing op de overeenkomst(en).

Feiten of omstandigheden waaruit duidelijk blijkt dat de overeenkomst(en) nauwer is (zijn) verbonden met een ander land in de zin van artikel 4 lid 5 EVO, zijn gesteld noch gebleken.

De conclusie is dat de overeenkomst(en) tussen partijen door Nederlands recht wordt (worden) beheerst en mitsdien ook de vraag of de Fenex-voorwaarden op die overeenkomst(en) van toepassing zijn geworden.

4.21

Naar Nederlands recht worden algemene voorwaarden op een overeenkomst van toepassing door aanbod daartoe en aanvaarding daarvan. Dat kan rechtsgeldig geschieden zowel bij het aangaan van een overeenkomst als bij een nadere overeenkomst. Voor het van toepassing worden van een arbitraal beding gelden geen andere of aanvullende voorwaarden.

In beginsel worden algemene voorwaarden niet van toepassing door verwijzing daarnaar op een factuur die aan het einde van de uitvoering van de overeenkomst door de ene partij aan de wederpartij wordt toegezonden. Wel kan in zodanige verwijzing op een factuur de wens van de facturerende partij gelezen worden om een volgende overeenkomst onder verband van die algemene voorwaarden te sluiten. Indien de wederpartij een aantal van zodanige facturen met verwijzing heeft ontvangen, kan onder omstandigheden uit (het achterwege blijven van) haar gedraging worden afgeleid dat zij (stilzwijgend) instemt met toepasselijkheid van de algemene voorwaarden op een toekomstige overeenkomst.

4.22

Wil zodanige verwijzing op een factuur het door de gebruiker van algemene voorwaarden beoogde effect sorteren, dan zal die verwijzing voor de wederpartij voldoende duidelijk moeten zijn. Versay betoogt dat en waarom zij de onderhavige verwijzingsclausule niet heeft begrepen en ook niet heeft behoeven te begrijpen. Of de onderhavige in het Nederlands gestelde verwijzing tussen partijen voldoende duidelijk is, hangt onder meer af van de vraag in welke taal partijen gewoonlijk met elkaar communiceerden.

4.23

Indien de hierboven aangehaalde in het Nederlands gestelde verwijzing al voldoende duidelijk is geweest voor Versay, heeft laatstgenoemde uit die verwijzing slechts kunnen of behoeven te begrijpen dat de Fenex-voorwaarden van toepassing werden voor zover het andere werkzaamheden van [eiseres] betreft dan opslagwerkzaamheden, omdat ten aanzien van opslagwerkzaamheden uitdrukkelijk de toepasselijkheid van de Rotterdamse Stuwadoorscondities werd bedongen.

Voor zover de vordering van [eiseres] in de hoofdzaak onbetaalde opslagwerkzaamheden betreft, geldt het arbitraal beding van de Fenex-voorwaarden dus niet en is – zoals hierboven in rov. 4.13 overwogen – de rechtbank bevoegd.

[eiseres] vordert in de hoofdzaak onder meer betaling van opslagwerkzaamheden, zoals blijkt uit punten 1 en 2 van de dagvaarding. Omdat [eiseres] niet heeft gespecificeerd welk gedeelte van haar vorderingen opslagwerkzaamheden betreft en evenmin heeft gesteld van welke door haar in het geding gebrachte facturen zij betaling vordert, valt hier niet aan te geven ten aanzien van welk gedeelte van die vorderingen de rechtbank in ieder geval bevoegd is.

4.24

Omdat geen van partijen iets heeft gesteld over de vraag of sprake is van één (doorlopende) overeenkomst, dan wel meerdere, evenmin over de wijze van totstandkoming daarvan, kan de rechtbank in dit stadium geen verder oordeel over de eventuele toepasselijkheid van het arbitraal beding in de Fenex-voorwaarden geven.

4.25

Gelet op hetgeen onder 4.21, 4.22, 4.23 en 4.24 is overwogen heeft de rechtbank behoefte aan nadere inlichtingen van partijen over (a) de specificatie van de vorderingen in de hoofdzaak en de betreffende facturen van [eiseres], (b) de vraag of die vorderingen één dan wel meer overeenkomsten tussen partijen betreffen, (c) de (wijze van) totstandkoming van de betreffende overeenkomst(en) en (d) de gebruikelijke wijze van communiceren tussen partijen. Daartoe zal de rechtbank een comparitie van partijen gelasten.

De rechtbank zal die comparitie tevens benutten om te onderzoeken of partijen het over één of meer onderwerpen eens kunnen worden.

Nu [eiseres], ondanks de betreffende opmerkingen daarover vanwege Versay, haar vorderingen niet heeft gespecificeerd en gedocumenteerd, zal de rechtbank [eiseres] bevelen om ten minste twee weken vóór de terechtzitting de specificatie van de vorderingen in de hoofdzaak en de betreffende facturen aan Versay en de rechtbank toe te zenden.

De rechtbank zal beide partijen verzoeken om – eveneens ten minste twee weken vóór de terechtzitting – zich schriftelijk, maar bondig over de genoemde onderwerpen uit te laten en die samenvatting aan de wederpartij en de rechtbank toe te zenden, zodat alle betrokkenen behoorlijk voorbereid zullen zijn ter comparitie.

in de hoofdzaak

4.26

De rechtbank zal een comparitie van partijen gelasten om te onderzoeken of partijen het over één of meer onderwerpen eens kunnen worden.

in het incident en in de hoofdzaak

4.27

De rechtbank zal elke overige beslissing aanhouden.

5. De beslissing

De rechtbank,

in het incident en in de hoofdzaak,

beveelt partijen, vertegenwoordigd door één of meer personen die met de details van de zaak op de hoogte zijn en tot het treffen van een schikking bevoegd zijn, vergezeld door hun advocaten, te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. W.P. Sprenger, op donderdag 3 juni 2010 van 16.00 uur tot 17.00 uur tot het geven van inlichtingen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten eens kunnen worden;

beveelt partij [eiseres] om ten minste twee weken vóór de terechtzitting de specificatie van haar vorderingen in de hoofdzaak en de betreffende facturen aan partij Versay en de rechtbank toe te zenden.

verzoekt beide partijen om uiterlijk twee weken voor de dag van de terechtzitting aan de wederpartij en de rechtbank toe te zenden een bondige samenvatting van de in de overwegingen 4.21 tot en met 4.24 bedoelde inlichtingen;

bepaalt dat, indien een partij verhinderd is op de hiervoor vermelde datum, die partij dat binnen twee weken na uitspraak van dit vonnis schriftelijk dient mede te delen aan de griffie van de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - en daarbij opgave te doen van de verhinderdata van beide partijen en hun raadslieden voor de komende drie maanden;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2010.

1928