Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BM1839

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
21-04-2010
Zaaknummer
AWB 09/1904 BELEI-T2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deelgemeente heeft subsidieaanvraag afgewezen vanwege de financiële situatie van eiseres en zij niet heeft aangetoond dat de verwachting gerechtvaardigd is dat, met inbegrip van de subsidie, de financiële middelen ter beschikking staan om met de activiteiten bij te dragen aan de realisatie van het beoogde beleidsdoel. Eerst ter zitting is hieraan toegevoegd dat er ook sprake is van een afnemend vertrouwen op het terrein van de activiteiten. Verweerder had dienen te onderzoeken of eiseres een redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:51 van de Awb had moeten worden geboden vanwege jarenlange subsidierelatie. Bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd, ook omdat niet is ingegaan op informatie die eiseres op verzoek van verweerder heeft overgelegd en omdat niet uit het bestreden besluit is af te leiden dat tevens twijfel over de inhoudelijke activiteiten aanwezig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/1904 BELEI-T2

Uitspraak in het geding tussen

de vereniging [Vereniging], gevestigd te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde mr. A. Rhijnsburger, advocaat te Rotterdam,

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Noord, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 3 juni 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bewaar tegen het besluit van 25 februari 2009, bij welk besluit de subsidieaanvraag van eiseres voor het jaar 2009 is afgewezen, ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2009. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, die werd vergezeld door de bestuursleden [A] en [B]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L.K.T. Schrantee, die werd vergezeld door [C], beleidsadviseur van de deelgemeente Noord.

2 Overwegingen

2.1 Feiten en omstandigheden

Eiseres heeft door middel van een aanvraagformulier op 25 februari 2008 verzocht om een subsidie voor het jaar 2009 ten bedrage van € 85.000,-.

Bij brief van 19 maart 2008 heeft verweerder eiseres bericht dat de gegevens in haar subsidieaanvraag te beknopt zijn om tot beoordeling over te gaan. Verweerder heeft aangegeven welke informatie nog nodig is en vermeld dat voor 2009 rekening gehouden kan worden met een begroot bedrag voor haar organisatie van maximaal € 13.250,-.

Bij aanvraagformulier van 30 juni 2008 heeft eiseres een herziene subsidieaanvraag ingediend ten bedrage van € 13.000,-.

Bij brief van 2 december 2008 is door verweerder opgemerkt dat eiseres per 31 december 2007 een negatief eigen vermogen had en dat zij al eerder is gevraagd om een plan ter verbetering van haar financiële positie. Eiseres is nogmaals in de gelegenheid gesteld om een plan in te dienen waarin wordt aangegeven op welke wijze en binnen welke termijn het negatieve vermogen wordt opgelost. Daarbij is vermeld dat wordt overwogen de subsidierelatie te beëindigen indien er niets wordt ingediend.

Bij brieven van 10 en 15 december 2008 heeft eiseres aangegeven dat het negatieve eigen vermogen voornamelijk een belastingschuld betrof die al deels is afgelost en dat zij door middel van kostenbesparingen haar financiële positie wil verbeteren.

Bij besluit van 12 januari 2009 heeft verweerder eiseres, vooruitlopend op een besluit over haar aanvraag en zonder dat daaraan verder rechten kunnen worden ontleend, een voorschot toegekend ten bedrage van € 2.925,-.

Bij het primaire besluit van 25 februari 2009 is eiseres medegedeeld dat haar subsidieaanvraag niet wordt gehonoreerd omdat de rechtmatigheid en doelmatigheid van de subsidieverstrekking hier in het geding zijn. Op basis van haar financiële positie en het niet aantoonbaar kunnen maken van verbetering op korte termijn is er onvoldoende vertrouwen in continuering van uitvoering van de activiteiten van eiseres.

Eiseres heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar bezwaar tijdens een hoorzitting van de Commissie Beroep en Bezwaar (hierna: de commissie) toe te lichten. Blijkens het verslag van deze hoorzitting heeft de toenmalige beleidsadviseur van verweerder aangegeven dat artikel 2, sub b en c, van de Subsidieverordening Rotterdam 2005 (hierna: SvR 2005) aan de weigering van de subsidie ten grondslag ligt, dat er al jaren om meer inzicht in de financiële situatie is gevraagd, dat gesprekken hebben plaatsgevonden over de aanpak van het tekort welke gesprekken niet zijn meegewogen bij de afwijzing van de subsidieaanvraag en dat de meest recente rapportage aanleiding kan zijn voor verder overleg waarbij waarschijnlijk de mogelijkheid van het verstrekken van een afbouwsubsidie zal worden besproken zodat de lopende verplichtingen kunnen worden nagekomen.

In haar advies heeft de commissie overwogen dat verweerder, gelet op de toelichting tijdens de hoorzitting, op goede gronden heeft besloten tot het afwijzen van de aanvraag op de in artikel 2, sub b en c, van de SvR 2005 vermelde gronden. Volgens de commissie staat niet ter discussie dat eiseres de afgelopen jaren te kampen heeft gehad met een tekort op de begroting. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet heeft aangetoond dat de verwachting gerechtvaardigd is dat, met inbegrip van de subsidie, de financiële middelen ter beschikking staan om met de activiteiten bij te dragen aan de realisatie van het beoogde beleidsdoel.

De commissie heeft verweerder geadviseerd om het bezwaar ongegrond te verklaren en het primaire besluit onder aanvulling van artikel 2, sub b en c, van de SvR 2005 te handhaven.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder overeenkomstig dit advies besloten.

2.2 Standpunten van partijen

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerder niet ingegaan is op haar bezwaar en dat haar nog steeds niet duidelijk is op welke gronden de subsidie-aanvraag is afgewezen. Zij heeft immers de aanvullende informatie die was gevraagd verstrekt. Een korte discussie over enkele onderdelen van de financiën kan volgens eiseres niet zonder meer leiden tot beëindiging van een langdurige subsidierelatie.

Ter zitting is verduidelijkt dat op voorstel van de deelgemeente het bureau Orbis was ingehuurd om behulpzaam te zijn bij het geven van meer inzicht in de financiën. De schuld in kwestie is ontstaan doordat er gedurende een bepaalde periode ID-ers op de loonlijst hadden gestaan en voor deze mensen achteraf nog premies afgedragen dienden te worden.

Eiseres heeft benadrukt jarenlang door de gemeente gewaardeerde activiteiten te hebben georganiseerd.

Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat eiseres al jaren met financiële problemen kampt en daar al in het verleden op is gewezen. Er is onvoldoende vertrouwen dat de uitvoering van de activiteiten gecontinueerd zal blijven, gelet op de financiële positie van eiseres. Ter zitting heeft verweerder ter aanvulling naar voren gebracht dat er niet alleen sprake is van een afnemend vertrouwen op financieel gebied maar ook op het terrein van de door eiseres georganiseerde activiteiten. Naar verweerder stelt werd ook hierin te weinig inzicht gekregen. Verweerder meent voorts desgevraagd dat de redelijke termijn in de zin van artikel 4:51 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in deze zaak zo moet worden ingevuld dat géén termijn wordt gegeven, omdat eiseres in het verleden onvoldoende verantwoording heeft afgelegd.

2.3 Wettelijk kader

Ingevolge artikel 4:35, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb kan de subsidieverlening in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.

In artikel 4:51, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien aan een subsidie-ontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met inachtneming van een redelijke termijn geschiedt.

Ingevolge artikel 2 van de SvR 2005, voor zover hier van belang, moet de subsidieontvanger, om voor subsidie in aanmerking te komen dan wel te blijven komen:

b. ten genoege van verweerder aantonen, dat hij voor het verrichten van de activiteiten een subsidie nodig heeft, alsmede dat de verwachting gerechtvaardigd is, dat met inbegrip van de subsidie de financiële middelen ter beschikking staan om met de activiteiten bij te dragen aan de realisatie van het beoogde beleidsdoel;

c. een zodanige werkwijze toepassen alsmede over een zodanige organisatorische en administratieve opzet of over zodanig gekwalificeerde medewerkers beschikken, dat verweerder redelijkerwijs mag verwachten dat de activiteiten bijdragen aan verwezenlijking van het beoogde beleidsdoel.

Ingevolge artikel 9 van de SvR 2005 kan de subsidie, onverminderd het bepaalde in artikel 16, worden geweigerd indien:

a. één van de weigeringsgronden genoemd in de Awb zich voordoet;

b. niet voldaan wordt aan een in artikel 2 genoemd subsidiecriterium.

2.4 Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat er een zeer langdurige subsidierelatie heeft bestaan tussen eiseres en verweerder, in ieder geval sinds 1992. Het ging daarbij jaarlijks om in hoofdzaak dezelfde activiteiten van eiseres op het gebied van sport en recreatie, voorlichting, huiswerkbegeleiding en dergelijke. Gelet op deze langdurige subsidierelatie had verweerder bij zijn besluitvorming over de voor 2009 gevraagde subsidie, die heeft geleid tot de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering ervan, aandacht moeten besteden aan de vraag of toepassing van artikel 4:51 van de Awb aangewezen was. Daarvoor is vereist dat de weigering van de subsidie berust op de grond dat veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting van de subsidie verzetten. Deze hoeven naar het oordeel van de rechtbank niet enkel te zijn gelegen aan de zijde van verweerder, zoals een beleidswijziging waardoor prioriteiten anders komen te liggen, maar kunnen ook betrekking hebben op de subsidieaanvrager zelf. De grond van een afgenomen vertrouwen in de financiële situatie van eiseres waarop verweerder zijn bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering van subsidie heeft gebaseerd, kan naar het oordeel van de rechtbank daarbij worden aangemerkt als een gewijzigd inzicht of een veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:51 van de Awb. Verweerder had dan ook dienen te onderzoeken of eiseres een redelijke termijn had moeten worden geboden om de activiteiten geheel of gedeeltelijk te beëindigen dan wel vervangende financiering te zoeken alvorens over het jaar 2009 de gevraagde subsidie geheel te weigeren. Dit dient tevens te worden bezien in het licht van de nieuwe subsidiesystematiek, die verweerder voornemens was in te voeren en die, naar ter zitting is gebleken, in 2010 zou ingaan. Het wordt door de rechtbank niet zorgvuldig geacht dat verweerder hieraan bij zijn besluitvorming geheel voorbij is gegaan, en in zoverre kleeft aan het bestreden besluit tevens een motiveringsgebrek. Dit klemt temeer omdat tijdens de hoorzitting in bezwaar door de betrokken beleidsambtenaar is gesuggereerd dat het verstrekken van een afbouwsubsidie nog aan de orde kon komen en niet blijkt dat hieraan op enigerlei wijze gevolg is gegeven. Eerst ter zitting heeft verweerder, niet uit zichzelf maar expliciet daarnaar gevraagd door de rechtbank, zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn op nihil moet worden gesteld omdat eiseres reeds lang op de hoogte was van de eisen van doelmatigheid en rechtmatigheid en zij in het verleden desalniettemin onvoldoende verantwoording had afgelegd over haar financiële situatie en de besteding van subsidiegelden. Dit doet er echter niet aan af dat verweerder hierop in het bestreden besluit had dienen in te gaan en hij dit niet heeft gedaan waardoor dit besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd is.

Wat betreft de financiële situatie van eiseres en het vereiste plan van aanpak om deze situatie beter te maken, stelt de rechtbank voorop dat verweerder aan de financiële verantwoording terecht hoge eisen stelt nu het gaat om besteding van publieke middelen. De rechtbank constateert echter dat eiseres op verzoek van verweerder bij brieven van 10 en 15 december 2008 financiële gegevens en informatie over kostenbesparingen heeft verstrekt ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag en dat verweerder bij het primaire noch het bestreden besluit expliciet op deze informatie is ingegaan. De enkele vermelding in het procesverloop in het advies van de commissie van een brief van verweerder van 9 februari 2009 waaruit zou blijken dat de plannen ter verbetering van de financiële positie zijn beoordeeld, welke brief verweerder overigens ook na daarom te zijn gevraagd niet aan de rechtbank heeft overgelegd, is onvoldoende. Nu het gaat om een essentieel element van de besluitvorming diende daarop in het bestreden besluit uitdrukkelijk te worden ingegaan, te meer nu eiseres bij brief van 26 februari 2009 op deze brief van verweerder heeft gereageerd. Ook in zoverre berust het bestreden besluit op een onvoldoende motivering. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de slechte financiële positie van eiseres al langer bestaat en voor verweerder eerder geen aanleiding heeft gevormd om subsidie te weigeren dan wel verleende subsidie terug te vorderen, alsmede dat eiseres heeft gesteld de aanbevelingen van verweerder op te volgen, onder meer door het inschakelen van bureau [O]. Een en ander brengt met zich dat aan de motivering om juist nu de subsidie te weigeren hoge eisen dienen te worden gesteld, waaraan verweerder bij het bestreden besluit niet heeft voldaan.

Eerst ter zitting is van de zijde van verweerder naar voren gebracht dat niet alleen de slechte financiële situatie van eiseres reden was voor de afwijzing van de subsidieaanvraag, maar ook de twijfel over de inhoudelijke activiteiten. De rechtbank is van oordeel dat dit niet uit het bestreden besluit is af te leiden. Omdat verweerder dit, zoals ter zitting is gebleken, wel heeft beoogd aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen, kleeft ook in zoverre aan dit besluit een motiveringsgebrek, zoals verweerder ter zitting zelf ook heeft verklaard.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het bestreden besluit vernietigd dient te worden wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Het beroep dient daarom gegrond verklaard te worden.

De rechtbank ziet in deze zaak geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten omdat zij daarvoor onvoldoende informatie heeft. Uit de gedingstukken is niet duidelijk geworden hoe de financiële positie van eiseres is in verband met haar schuld. Ook wat betreft de ter zitting door verweerder naar voren gebrachte nieuwe, aanvullende weigeringsgrond op het terrein van de activiteiten van eiseres, heeft de rechtbank ter zitting onvoldoende duidelijkheid gekregen. Het is in de eerste plaats aan verweerder om in het licht van het vorenoverwogene een afweging te maken en zijn standpunten nader te motiveren. Verweerder zal daarom een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 644,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Over de gevraagde kostenvergoeding in bezwaar zal verweerder bij het nieuw te nemen besluit dienen te beslissen.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak,

bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 297,- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,-.

Aldus gedaan door mr. R.H.L. Dallinga, voorzitter, en mr. P.C. Santema en mr. D. Haan, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.T. van de Erve, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 11 maart 2010.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: