Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BM1376

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-04-2010
Datum publicatie
16-04-2010
Zaaknummer
AWB 08/395 BC-T2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstellingsverzoek als bedoeld in artikel 13 Wet BPF. Toetsing verzoek aan de artikelen 2 en 6 van het Vrijstellingsbesluit.

Vóór 2 februari 2006 was geen eigen pensioenregeling voor alle werknemers getroffen omdat van de pensioenregeling die vóór 2 februari 2006 gold twee deelnemers afstand hadden gedaan.

Het verzoek om vrijstelling had geen betrekking had op alle werknemers van appellante, maar op (slechts) 40 van de 42 werknemers. In de toelichting (Nota van Toelichting, Staatsblad 2004, 397) bij de wijziging van artikel 2 van het in tijde van geding geldende Vrijstellingsbesluit, welke wijziging met ingang van 1 oktober 2004 van kracht is geworden, wordt aangegeven dat de mogelijkheid van een groepsgewijze vrijstelling weer is opgenomen en dat daarom de formulering "of een deel van de werknemers" is toegevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan er slechts sprake zijn van een groepsgewijze vrijstelling, indien de betreffende groep aan bepaalde kenmerken voldoet die aan de door hen te verrichten werkzaamheden gerelateerd kunnen worden. Het onderscheid dat eiseres maakt tussen haar werknemers die wel of geen afstand hebben gedaan van de eigen pensioenregeling, maakt nog niet dat de betreffende categorie werknemers een bepaalde groep met specifieke kenmerken in deze zin vormt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/395 BC-T2

Uitspraak in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NNZ B.V., gevestigd te Groningen, eiseres,

gemachtigde mr. O.F. Blom, advocaat te Nieuwegein,

en

de stichting Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Groothandel in Textielgoederen en Aanverwante Artikelen, verweerster,

gemachtigde S. Sanou Leurink.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 13 december 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 15 maart 2007, waarbij haar vrijstelling van deelneming aan het fonds van verweerster is geweigerd, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2010. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.J. Zuiderman, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Tevens waren [A] en [B], werkzaam bij Aegon, aanwezig. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.D.D. de Vries, kantoorgenoot van haar gemachtigde.

2 Overwegingen

2.1 Eiseres exploiteert een groothandel in im- en export van verpakkingsmateriaal.

Bij brief van 28 april 2006 heeft eiseres dispensatie aangevraagd voor deelname aan het door verweerster beheerde pensioenfonds, omdat NNZ een eigen pensioenregeling heeft voor alle personeelsleden.

Verweerster heeft eiseres bij brief van 23 mei 2006 bericht dat de ouderdomspensioen¬regeling nog in oprichting was en het verzoek daarom nog niet in behandeling kon worden genomen.

Bij brief van 20 november 2006 heeft verweerster eiseres bericht dat het verzoek verder in behandeling werd genomen.

Bij besluit van 15 maart 2007 heeft verweerster het verzoek om dispensatie afgewezen, omdat niet aan alle voorwaarden is voldaan. Twee werknemers hadden een verklaring ondertekend waarbij zij afstand gedaan hadden van de aangeboden pensioenregeling. Dit betekende volgens verweerster dat er niet wordt voldaan aan het vrijstellingsvereiste dat het verzoek voor alle werknemers wordt gedaan.

In bezwaar heeft eiseres aangegeven dat zij op het moment van de aanvraag bezig was met een nieuw pensioenreglement en dat het onder het per 1 januari 2005 aangepaste pensioenreglement niet meer mogelijk is om afstand te doen van de eigen pensioenregeling.

De definitieve versie van het aangepaste pensioenreglement heeft eiseres bij brief van 8 augustus 2007 aan verweerster toegezonden.

2.2 Bij het bestreden besluit heeft verweerster overwogen dat vrijstelling slechts verleend kan worden indien er tijdig een regeling voor al het personeel is getroffen en niet voor slechts 40 van de 42 werknemers. Volgens verweerster zijn 40 werknemers niet aan te merken als een "deel van de werknemers" oftewel als een groep zoals bedoeld in artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf (hierna: het Vrijstellingsbesluit), in welk geval er wel vrijstelling verleend dient te worden.

In het bezwaarschrift is vermeld dat de regeling in de toekomst zal worden gewijzigd en dan voor al het personeel zal gaan gelden maar daarvan was ten tijde hier van belang nog geen sprake.

Volgens verweerster is er daarnaast geen sprake van een financieel en actuarieel gelijkwaardige regeling, zoals die bij haar pensioenfonds van toepassing is, zodat ook deswege geen vrijstelling verleend kan worden.

2.3 Krachtens artikel 2, eerste lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstak¬pensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000) is de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bevoegd op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak, dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor één of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn, verplicht te stellen.

Blijkens artikel 13 van de Wet Bpf 2000:

1. heeft het bedrijfstakpensioenfonds tot taak het verlenen en het intrekken van vrijstellingen van de verplichtstelling;

2. kan het bedrijfstakpensioenfonds aan de vrijstelling voorschriften verbinden;

3. worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder het bedrijfstakpensioenfonds vrijstelling van de verplichtstelling verleent, kan verlenen, intrekt en kan intrekken alsmede met betrekking tot de voorschriften die het bedrijfstakpensioenfonds aan de vrijstelling kan verbinden.

De in het derde lid van artikel 13 van de Wet Bpf 2000 bedoelde algemene maatregel van bestuur is het - ten tijde hier in geding geldende - Vrijstellingsbesluit.

Artikel 2, eerste lid, van het Vrijstellingsbesluit luidde vanaf 1 oktober 2004 als volgt:

"Op verzoek van een werkgever wordt door een bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de werknemers van die werkgever, met ingang van de dag dat de verplichtstelling in werking treedt respectievelijk als gevolg van gewijzigde bedrijfsactiviteiten op hem en zijn werknemers van toepassing wordt, vrijstelling verleend, indien:

a. die werknemers van die werkgever al deelnemen in een pensioenregeling die ten minste zes maanden voor het moment van indiening van de in behandeling genomen aanvraag tot verplichtstelling, van kracht was; of

b. indien de werkgever voor die werknemers al een pensioenvoorziening heeft getroffen die al ten minste zes maanden voor het moment dat de verplichtstelling op hem en zijn werknemers van toepassing wordt, van kracht was."

Artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit luidde:

“Vrijstelling om andere redenen

Op verzoek van een werkgever kan door het bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de werknemers van die werkgever ook om andere redenen dan genoemd in de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 en 5, eerste lid, vrijstelling worden verleend.”.

2.4 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit niet vereist dat de eigen pensioenregeling voor alle werknemers geldt en subsidiair dat vrijstelling verleend kan worden voor 40 van de 42 werknemers, omdat de 40 werknemers als een groep zijn te kwalificeren waaraan vrijstelling kan worden verleend.

Daarbij is volgens eiseres haar eigen pensioenregeling tijdig omdat deze al vanaf 1984 geldt en is deze regeling volgens eiseres ook actuarieel en financieel gelijkwaardig aan de regeling van het pensioenfonds van verweerster.

2.4.1 Verweerster heeft erop gewezen dat eiseres haar aanvraag tot vrijstelling van de verplichtstelling op 2 augustus 2006 heeft ingediend, zodat naar haar mening vrijstelling slechts aan de orde kan zijn indien bij eiseres reeds vóór 2 februari 2006 een actuarieel en financieel gelijkwaardige pensioenregeling voor al haar personeel van toepassing was, hetgeen niet het geval was.

2.5. Niet in geschil is dat eiseres op 2 augustus 2006 een aanvraag tot wijziging verplichtstelling tot deelneming in het door verweerster beheerde bedrijfstakpensioenfonds heeft gedaan. Dit betekent dat de pensioenregeling van eiseres vóór 2 februari 2006 van kracht diende te zijn en voor die datum getroffen te zijn. Indien anders zou worden geoordeeld, zou door in een regeling op te nemen dat de regeling met terugwerkende kracht per een eerdere datum in werking treedt, de mogelijk worden gecreëerd om verplichte deelneming te vermijden. Vaststaat dat er vóór 2 februari 2006 geen eigen pensioenregeling voor alle werknemers was getroffen. Van de pensioenregeling die vóór 2 februari 2006 gold, hadden immers twee deelnemers afstand gedaan.

2.5.1 Vaststaat ook dat het onderhavige verzoek om vrijstelling geen betrekking had op alle werknemers van appellante, doch op (slechts) 40 van de 42 werknemers.

In de toelichting (Nota van Toelichting, Staatsblad 2004, 397) bij de wijziging van artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit, welke wijziging met ingang van 1 oktober 2004 van kracht is geworden, wordt aangegeven dat de mogelijkheid van een groepsgewijze vrijstelling weer is opgenomen en dat daarom de formulering "of een deel van de werknemers" is toegevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan er slechts sprake zijn van een groepsgewijze vrijstelling, indien de betreffende groep aan bepaalde kenmerken voldoet die aan de door hen te verrichten werkzaamheden gerelateerd kunnen worden. Het onderscheid dat eiseres maakt tussen haar werknemers die wel of geen afstand hebben gedaan van de eigen pensioenregeling, maakt nog niet dat de betreffende categorie werknemers een bepaalde groep met specifieke kenmerken in deze zin vormt. Het betoog van eiseres faalt derhalve.

2.5.2 De rechtbank merkt in dit verband nog op dat de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) van 6 juni 2006 (LJN AX8386) waarnaar door eiseres is verwezen, betrekking heeft op artikel 2 Vrijstellingsbesluit zoals dat voor 1 oktober 2004 luidde. Het was toen niet mogelijk om voor een deel van de werknemers vrijstelling te verlenen. De rechtbank wijst er daarnaast op dat de passage waarop eiseres een beroep heeft gedaan, geen deel uitmaakt van de overwegingen van het College.

2.5.3 Verweerster heeft derhalve op goede gronden geweigerd vrijstelling op grond van artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit te verlenen.

2.6. Verweerster heeft aan haar weigering om gebruik te maken van haar in artikel 6 van de Vrijstellingsregeling bedoelde bevoegdheid om onverplichte vrijstelling te verlenen, ten grondslag gelegd dat zij van opvatting is dat het belang bij het creëren en handhaven van een bedrijfstakbrede, collectieve en solidaire regeling dient te prevaleren boven het belang van eiseres. Zij voert daarom de gedragslijn geen gebruik van deze bevoegdheid te maken.

Ter zitting heeft zij nog nader toegelicht dat zij hiervan alleen in bijzondere omstandigheden afwijkt. Naar verweerster meent is van dergelijke omstandigheden niet gebleken.

2.6.1 Naar het oordeel van de rechtbank is de door verweerster gevolgde gedragslijn niet kennelijk onredelijk of anderszins ongeoorloofd. Verweerster kan het algemeen belang van solidariteit laten prevaleren boven het belang van de betrokken werkgever en de werk¬nemers op wie het vrijstellingsverzoek ziet om deel te nemen in een eigen pensioenfonds¬regeling, zonder in strijd te komen met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) besloten liggende evenredigheidsbeginsel.

De rechtbank deelt verweersters stelling dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Als zodanig gelden niet het betalen van dubbele premies en het feit van de kosten, verbonden aan de eigen regeling. Dit nadeel is immers inherent aan de door eiseres gemaakte keuze om een eigen pensioenregeling te hebben naast het verplicht aangesloten zijn bij een bedrijfstakpensioenfonds zonder dat hiervan vrijstelling verleend is.

2.6.2 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerster dan ook in redelijkheid kunnen weigeren de verzochte vrijstelling op grond van artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit te verlenen.

2.7. Eiseres heeft ter zitting betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden, in welk kader zij om vergoeding van immateriële schade heeft verzocht.

2.7.1 Met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 4 maart 2009, LJN BH4667, overweegt de rechtbank dat de vraag of artikel 6 van het EVRM op dit geschil van toepassing is in het midden kan worden gelaten, omdat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, evenzeer geldt binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling. Dit beginsel noopt er toe dat een geschil dat aan een onafhankelijk en onpartijdig nationaal gerecht wordt voorgelegd binnen een redelijke termijn tot finale afdoening leidt. Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, zijn van betekenis factoren als de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van partijen gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de belanghebbende.

Daarbij gaat het om de termijn vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift en niet, zoals door eiseres is gesteld, om de termijn vanaf de aanvraag.

In zaken als de onderhavige is naar het oordeel van de rechtbank in beginsel voor de behandeling van het bezwaar en vervolgens het beroep bij de rechtbank, een termijn van in totaal drie jaren nog redelijk te achten, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar in beslag neemt. Vertraging bij één van beide behandelingen kan daarbij worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling. In de zojuist genoemde uitspraak van 4 maart 2009 heeft de Afdeling verder als uitgangspunt genomen dat het gedurende een onredelijk lange periode in onzekerheid verkeren over de afloop van een procedure ook aan niet-natuurlijke personen in beginsel immateriële schade berokkent, die bij een beroep op overschrijding van de redelijke termijn in beginsel verder niet gesteld of onderbouwd hoeft te worden. Ook het College heeft in zijn uitspraak van 3 maart 2009, LJN BH6281, met betrekking tot een niet-natuurlijk persoon geoordeeld dat deze voor vergoeding van immateriële schade in aanmerking kan komen.

2.7.2 Met inachtneming van het zojuist geschetste beoordelingskader overweegt de rechtbank dat in dit geval sinds de ontvangst door verweerster op 26 april 2007 van het bezwaarschrift tot aan deze uitspraak nog geen drie jaren zijn verstreken. De behandeling van het beroep heeft weliswaar te lang geduurd, maar dit wordt gecompenseerd doordat de behandeling in bezwaar korter dan een jaar heeft geduurd. Van overschrijding van de redelijke beslistermijn is dan ook geen sprake, zodat er geen aanleiding is eiseres een vergoeding voor geleden immateriële schade toe te kennen.

2.8 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond verklaard te worden en dient het verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.

2.9 Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. T. Damsteegt, voorzitter, en mr. E.F.C. Francken en

mr. drs. K. Werkhorst, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.T. van de Erve, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 15 april 2010.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerster kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: