Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BM0967

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-03-2010
Datum publicatie
13-04-2010
Zaaknummer
349177 / KG ZA 10-165
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser vordert ontruiming ogv mishandeling van onderburen door zoon van huurster. Niet aannemelijk dat huurster zich zelf niet als goed huurder heeft gedragen. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 349177 / KG ZA 10-165

Vonnis in kort geding van 26 maart 2010

in de zaak van

de stichting

STICHTING WATERWEG WONEN,

gevestigd te Vlaardingen,

eiseres,

advocaat mr. S.A. den Engelsen,

tegen

[gedaagde],

wonende te Vlaardingen,

gedaagde,

advocaat mr. drs. H. Durdu.

Partijen zullen hierna Stichting Waterweg Wonen en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 3 maart 2010;

- de producties van Stichting Waterweg Wonen;

- de producties van [gedaagde];

- de pleitnota van mr. Den Engelsen;

- de pleitnota van mr. Durdu.

1.2. Partijen hebben hun standpunten toegelicht tijdens de mondelinge behandeling d.d. 18 maart 2010.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In dit kort geding merkt de voorzieningenrechter de volgende – voor de onderhavige beoordeling van belang zijnde – feiten als tussen partijen vaststaand aan.

2.2. Op 24 mei 2007 hebben Stichting Waterweg Wonen als verhuurder en [gedaagde] als huurder een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning, plaatselijk bekend [adres] te Vlaardingen. De huurovereenkomst is met ingang van 24 mei 2007 aangegaan voor onbepaalde tijd.

2.3. Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden d.d. juli 2005 van Stichting Waterweg Wonen van toepassing. Daarin is onder meer het navolgende opgenomen:

‘De algemene verplichtingen van huurder

Artikel 6

(…)

6.6

Huurder dient ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door huurder, huisgenoten, huisdieren of door derden die zich vanwege huurder in het gehuurde of in de gemeenschappelijke ruimten bevinden.’

‘De aansprakelijkheid van huurder

Artikel 12

Huurder is aansprakelijk voor de schade die tijdens de huurtijd aan het gehuurde is ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst. Alle schade, behalve brandschade, wordt vermoed daardoor te zijn ontstaan.

Huurder is jegens de verhuurder op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk voor de gedragingen van hen die vanwege huurder het gehuurde gebruiken of zich vanwege huurder daarop bevinden.’

2.4. Op 16 januari 2010 heeft een handgemeen plaatsgevonden waarbij enerzijds twee dochters en een zoon van [gedaagde] en anderzijds de onderburen van [gedaagde], de heer [X] en mevrouw [Y], betrokken waren. Vanwege zijn verwondingen is [X] met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht en daar behandeld. Tegen de meerderjarige zoon van [gedaagde] is aangifte van zware mishandeling gedaan en er vindt strafrechtelijke vervolging plaats.

3. Het geschil

3.1. Stichting Waterweg Wonen vordert – zakelijk en verkort weergegeven – ontruiming van de woning aan de [adres] te Vlaardingen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2. Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen van Stichting Waterweg Wonen.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Met betrekking tot het spoedeisend belang heeft Stichting Waterweg Wonen gesteld dat zij – gelet op de aard en de ernst van de wanprestatie van [gedaagde], de omstandigheid dat de overlast na de escalatie van 16 januari 2010 onverminderd voortduurt, het feit dat de [X] ernstig is mishandeld en de [Y] door het voorval psychische problemen heeft – belang heeft bij een spoedig einde van onderhavige overlastsituatie. Op deze grond acht de voorzieningenrechter spoedeisend belang in beginsel aanwezig.

4.2. Een vordering als de onderhavige, waarbij de voorzieningenrechter wordt gevraagd een voorschot te nemen op hetgeen de rechter in de bodemprocedure zal beslissen, kan slechts worden toegewezen indien vaststaat dat van een verhuurder in redelijkheid niet kan worden verlangd dat de huurder nog langer gebruik maakt van het gehuurde, ook al is de huurovereenkomst nog niet rechtsgeldig geëindigd, en boven redelijke twijfel verheven is dat ook de rechter in de bodemprocedure zo zal beslissen.

4.3. Stichting Waterweg Wonen heeft gesteld dat [gedaagde] in strijd met artikel 6.6 van de algemene huurvoorwaarden dagelijks ernstige overlast veroorzaakt aan omwonenden. De overlast bestaat uit een met planten gevulde balkonbak die op het hoofd van [Y] is gevallen, structurele geluidsoverlast en de mishandeling van [X] en [Y] door de kinderen van [gedaagde] op 16 januari 2010. Op grond hiervan is [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens Stichting Waterweg Wonen en heeft [gedaagde] zich niet als goed huurder gedragen. Daarbij heeft Stichting Waterweg Wonen opgemerkt dat [gedaagde] uit hoofde van artikel 7: 219 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is voor de gedragingen van derden die met haar goedvinden gebruik maken van het gehuurde.

4.4. [gedaagde] heeft hiertegen ingebracht dat zij voor het vallen van de plantenbak haar excuses en een bos bloemen heeft aangeboden. Van geluidsoverlast, anders dan de gebruikelijke geluiden van bewoning, is nimmer sprake geweest. Op het moment dat het handgemeen zich op 16 januari 2010 voordeed, was [gedaagde] boodschappen aan het doen. Zij wist niet dat haar kinderen bij de onderburen zouden aanbellen en had geen reden om er rekening mee te houden dat zich een dergelijk incident zou voordoen. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 juni 2007 (Land van Rode / Siedow, NJ 2008, 352) is in een geval als het onderhavige beslissend of de huurder zich zélf niet als goed huurder heeft gedragen. Daarvan is bij [gedaagde] geen sprake.

4.5. De voorzieningenrechter beschouwt het vallen van de plantenbak als een onfortuinlijk incident, dat met de excuses en de bloemen van [gedaagde] als afgedaan dient te worden beschouwd.

4.6. De stelling van Stichting Waterweg Wonen dat sprake is van structurele geluidsoverlast, is door [gedaagde] gemotiveerd weersproken en door Stichting Waterweg Wonen slechts onderbouwd met de verklaring van [X] en [Y] terzake. De voorzieningenrechter acht de enkele verklaring [X] en [Y] onvoldoende om thans aan te nemen dat sprake is van zodanige structurele geluidsoverlast dat deze (op zichzelf of mede) grond kan vormen voor de thans gevorderde ontruiming.

4.7. Dit laatste geldt temeer nu [gedaagde] nimmer door Stichting Waterweg Wonen is aangesproken op het veroorzaken van geluidsoverlast. Partijen hebben ter zitting immers verklaard dat het enige contact tussen Stichting Waterweg Wonen [gedaagde] op dit punt heeft bestaan uit de brief van Stichting Waterweg Wonen aan [gedaagde] d.d. 16 februari 2010 en een bijeenkomst waarin Stichting Waterweg Wonen aan [gedaagde] heeft medegedeeld dat de huurovereenkomst zou worden beëindigd en dat zij de woning zou moeten ontruimen.

4.8. Het meest ernstige verwijt aan [gedaagde] is de mishandeling van de onderburen, met name van [X], door haar kinderen en in het bijzonder door haar zoon op 16 januari 2010. Daarvoor – aldus Stichting Waterweg Wonen – is [gedaagde] aansprakelijk op grond van art. 7: 213 en 219 BW alsmede op grond van artikel 12 van de algemene huurvoorwaarden.

4.9. Conform het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad d.d. 22 juni 2007 neemt de voorzieningrechter tot uitgangspunt dat de vordering van Stichting Waterweg Wonen niet reeds toewijsbaar is op de enkele grond dat personen die met goedvinden van de huurder het gehuurde gebruiken of zich daarop bevinden, gedragingen hebben verricht die weliswaar niet tot schade aan het gehuurde hebben geleid, maar die, als zij zouden zijn verricht door de huurder, in strijd zouden zijn met diens verplichting zich als een goed huurder te gedragen en bovendien voldoende ernstig zijn om beëindiging van de opgezegde huurovereenkomst te rechtvaardigen.

Beslissend is of geoordeeld moet worden dat de huurder zich, in het licht van die gedragingen, zelf niet als goed huurder heeft gedragen. Bij de beantwoording van de vraag of hiervan sprake is, dient rekening te worden houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de vraag of er een voldoende verband bestaat tussen die gedragingen en het gebruik van het gehuurde. Daarvan is in elk geval sprake indien de huurder van (het voornemen tot) die gedragingen op de hoogte was, of daarmee ernstig rekening had te houden, maar heeft nagelaten de in verband daarmee redelijkerwijs van hem te verlangen maatregelen te treffen.

4.10. In het onderhavige geval staat vast dat een handgemeen heeft plaatsgevonden waarbij [X] (ernstig) letsel heeft opgelopen en dat de zoon van [gedaagde], die als medebewoner van het gehuurde moet worden beschouwd, in dit verband strafrechtelijk wordt vervolgd. [gedaagde] heeft, onweersproken, gesteld dat zij niet wist dat haar kinderen bij de onderburen zouden aanbellen en dat zij zelf niet aanwezig was op het moment dat het handgemeen zich voordeed. Er kan in dit kort geding dan ook niet van worden uitgegaan dat [gedaagde] zich realiseerde, of zich had moeten realiseren, dat de situatie zou kunnen escaleren en dat [gedaagde] in dit verband maatregelen had moeten nemen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningen¬rechter is er derhalve onvoldoende grond [gedaagde] met betrekking tot het gebeurde persoonlijk een verwijt te maken of aan te nemen dat zij zich zelf niet als goed huurder heeft gedragen.

4.11. Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de in 4.2 vermelde voorwaarde voor toewijzing van de vordering tot ontruiming. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.12. Een en ander laat onverlet dat op [gedaagde] als huurder de in artikel 6.6 van de algemene huurvoorwaarden omschreven plicht rust ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt en dat zij thans, na het incident van 16 januari 2010, wel ernstig rekening dient te houden met de mogelijkheid dat de situatie tussen haar familieleden en de onderburen (nogmaals) uit de hand loopt.

Als die situatie zich in de toekomst zou voordoen en alsdan zou moeten worden geoordeeld dat [gedaagde] heeft nagelaten de redelijkerwijs van haar te verlangen maatregelen ter voorkoming daarvan te nemen, moet [gedaagde] er rekening mee houden dat – indien de dan aan de orde zijnde gedragingen voldoende ernstig zijn – de vordering van Stichting Waterweg Wonen tot ontruiming zou worden toegewezen.

4.13. Stichting Waterweg Wonen zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht EUR 263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.079,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Stichting Waterweg Wonen in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.079,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2010, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Wieman-Bart, griffier.?

2171/676