Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BM0821

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
12-04-2010
Zaaknummer
319167 / HA ZA 08-2821
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzekeringsrecht; brandschade; bedrijfsregeling brandregres; onrechtmatige gevaarzetting; kelderluikcriteria

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 319167 / HA ZA 08-2821 (hoofdzaak)

327401 / HA ZA 09-844 (vrijwaring)

Uitspraak: 31 maart 2010

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de hoofdzaak van:

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

h.o.d.n. “FBTO”,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

advocaat mr. J. Kneppelhout,

- tegen -

1. [gedaagde sub 1 hoofdzaak],

h.o.d.n. “[h.o.d.n. gedaagde sub 1 hoofdzaak]”,

advocaat mr. J.R. Maas,

2. [gedaagde sub 2 in hoofdzaak],

h.o.d.n. “[h.o.d.n. gedaagde sub 2 in hoofdzaak]”,

advocaat mr. W.L. Stolk,

beiden wonende te Rotterdam,

gedaagden,

en in de vrijwaringszaak van:

[eiser in vrijwaringszaak],

h.o.d.n. “[eiser in vrijwaringszaak]”,

wonende te Rotterdam,

eiser,

advocaat mr. J.R. Maas,

- tegen -

[gedaagde in vrijwaringszaak],

h.o.d.n. “[gedaagde in vrijwaringszaak]“,

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. W.L. Stolk.

Partijen worden hierna aangeduid als "FBTO", "[gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak]" en "[gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak]".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

In de hoofdzaak

- dagvaarding d.d. 14 november 2008, met producties;

- incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, tevens conclusie van antwoord, met productie, aan de zijde van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak];

- conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring;

- vonnis in het incident van deze rechtbank d.d. 4 maart 2009, waarbij het verzoek tot oproeping in vrijwaring is toegestaan;

- conclusie van antwoord, met producties, aan de zijde van [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak];

- conclusie van repliek, met producties;

- conclusie van dupliek, met productie, aan de zijde van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak];

- conclusie van dupliek aan de zijde van [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak].

In de vrijwaring

- dagvaarding d.d. 19 maart 2009, met producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek.

2 De vaststaande feiten

2.1 Op 10 mei 2005 heeft er brand gewoed in de woning van [adres] te Rotterdam. De brand is ontstaan in, bij of onder een op dezelfde dag in de keuken van de woning geplaatst fornuis, voorzien van gaspitten, een gasgestookte oven en een elektrische oven.

2.2 [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] heeft in opdracht van Dernee de gasaansluiting en plaatsing van het fornuis verzorgd. Door [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] is de elektrische installatie ten behoeve van het fornuis aangelegd, inclusief het aansluiten van het snoer aan het fornuis en het plaatsen van de wandcontactdoos.

2.3 Door de brand is schade ontstaan. Dernee was tegen de gevolgen van brand verzekerd bij FBTO. FBTO heeft terzake de brand schadepenningen al dan niet rechtstreeks uitgekeerd aan Dernee en is als verzekeraar gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde.

2.4 In de Bedrijfsregeling Brandregres (BBr) 2000 is onder meer bepaald:

“1. Brandverzekeraars zullen noch direct noch indirect verhaal nemen op particulieren die uitsluitend in hun particuliere hoedanigheid aansprakelijk zijn voor de door de brandverzekeraar uitgekeerde schade.

2. Brandverzekeraars zullen hun verhaalsrecht jegens niet-particulieren niet verder uitoefenen dan tot een bedrag van f 1.000.000,- per schadegebeurtenis (500.000 euro per schadegebeurtenis ontstaan na 31 december 2001) (…).

(…)

2.2 Het recht van verhaal jegens niet-particulieren zal alleen worden uitgeoefend indien de aansprakelijkheid verband houdt met onzorgvuldig handelen of nalaten.

(…)

7. Definities

(…)

7.3 Niet-particulieren

• Bedrijfs- en/of beroepsmatig of anderszins niet in particuliere hoedanigheid handelende natuurlijke personen.

• Alle rechtspersonen.

(…)

7.5 Particulier

Een niet bedrijfs- en/of beroepsmatig handelend natuurlijke persoon.

TOELICHTING ALGEMEEN

Het afzien van het verhaalsrecht is een gedragsregel die in de loop der jaren veel goodwill bij het verzekerde publiek heeft gekweekt. Al ver vóór 1940 werd feitelijk het recht van verhaal niet uitgeoefend, maar het afzien van het recht van regres werd regel met de Afstandsverklaring Regres zoals die in februari 1954 werd gepubliceerd. Deze regeling heeft vele jaren goed gefunctioneerd, maar bleek in de loop der tijd door tal van oorzaken minder goed toepasbaar. (…) Ook werd het bezwaarlijk gevonden dat geen regres kon worden genomen op bedrijven die brandgevaarlijke werkzaamheden uitvoeren en die daarom ook niet genoodzaakt werden om extra aandacht aan brandpreventie te besteden. Deze bezwaren leidden tot een nieuwe regeling: het Bindend Besluit Regres (BBR) 1984. Deze regeling maakte het mogelijk om voor schaden vanaf f 5.000,- tot een bedrag van f 1.000.000,- regres te nemen in de bedrijvensector, terwijl de particuliere sector nagenoeg ongemoeid werd gelaten. De beperking van het regres tot f 1.000.000,- vloeit voort uit de gedachte dat bedrijven zich tot dit bedrag van een aansprakelijkheidsdekking kunnen voorzien. Anderzijds is de ondergrens ingevoerd om te voorkomen dat voor geringe schadebedragen kostbare schuldaanvraagonderzoeken en regresacties worden uitgevoerd. Zestien jaar na dato is het BBR 1984 aan een revisie toe. (…) Daarnaast heeft het gebruik van het BBR een aantal vraagpunten opgeleverd, die tot verduidelijkingen in tekst en/of toelichting aanleiding geven.

VERSCHILLEN t.o.v. HET BBR 1984

In de tekst van de BBr 2000 zijn de volgende wijzigingen opgenomen:

(…)

• De verantwoordelijkheid voor onzorgvuldig handelende personen, ook als het geen personeelsleden zijn, is duidelijker in de tekst verwerkt.

(…)

• in de toelichting zijn vraagpunten uit het verleden opgenomen.

(…)

Schadeveroorzaker (…)

Voor de BBr is bepalend of onzorgvuldig handelen of nalaten heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade of aan het vergroten van de schadeomvang.

(…)

TOELICHTING BBr 2000

Omvang werking BBr 2000

De Bedrijfsregeling Brandregres (BBr) 2000 is van kracht vanaf 1 januari 2000; alle verhaalbare schaden ontstaan na 31 december 1999 vallen onder deze regeling. (…) De regeling geldt voor de verzekeringen genoemd in de definitie brandverzekering (…). Veel van de schaden op deze verzekeringen zullen in de praktijk nooit te verhalen zijn, omdat er geen verwijtbaar gedrag aan ten grondslag ligt (bijvoorbeeld storm, blikseminslag). In de praktijk zal er alleen verhaald kunnen worden bij brand- en ontploffingsschade, schroei-, zeng en smeltschade, rook- en roetschade, water- en olieschade. Breukschade aan glas valt alleen onder deze regeling als het een op een brandverzekering meegedekt risico vormt (…).

(…)

Artikel 1

Het besluit verbiedt het nemen van regres op de natuurlijke, in particuliere hoedanigheid handelende persoon. (…)

Artikel 2

Het maximaal verhaalbare bedrag van f 1.000.000,- geldt per schadegebeurtenis. Dat bedrag kan maximaal verhaald worden op rechtspersonen – daar vallen naast NV’s, BV’s, verenigingen en stichtingen ook onder de gemeentelijke en provinciale overheden – en op bedrijfsmatig en/of beroepsmatig handelende natuurlijke personen. (…)

Hoofdsom en kosten

Voor de regresnemende brandverzekeraar geldt, dat het verhaalsbedrag in elk geval is gelimiteerd tot het gedeelte van de uitkering waarvoor de verzekerde, bij uitblijven van een uitkering, zelf verhaal had kunnen nemen. (…) Mede hierdoor is discussie mogelijk over (de omvang van) het verhaalsrecht met betrekking tot expertisekosten, welke kosten immers primair door de brandverzekeraar zijn gemaakt ter vaststelling van de eigen uitkeringsverplichting. Vandaar dat het Verbond van Verzekeraars de leden het praktische advies heeft gegeven om over en weer af te spreken expertisekosten niet te verhalen. Buiten de sfeer van expertisekosten vallen de door de brandverzekeraar gemaakte (externe) kosten gericht op verkrijging van voldoening van het verschuldigde bedrag in of buiten rechte, zoals advocaat- en procedurekosten. Voorzover deze kosten naar burgerlijk recht voor vergoeding in aanmerking komen, verzet deze bedrijfsregeling zich niet tegen verhaal van deze kosten náást het maximale verhaalsbedrag van f 1.000.000,-. Hetzelfde geldt voor eventuele aan de brandverzekeraar verschuldigde wettelijke rente. Hierbij past evenwel de opmerking, dat het Verbond van Verzekeraars de leden heeft aanbevolen om in normale gevallen, die binnen redelijke termijnen buiten rechte worden afgehandeld, onderling geen aanspraak te maken op vergoeding van wettelijke rente.

(…)

Meerdere schadeveroorzakers

Zijn er meerdere schadeveroorzakers die handelen in dienst of in opdracht van verschillende niet-particulieren, dan kan per schadeveroorzakend bedrijf maximaal f 1.000.000,- worden verhaald. (…)

(…)

Schuld en risicoaansprakelijkheid (…)

De BBr gaat uit van het principe dat regres gepleegd moet kunnen worden op eenieder die verantwoordelijk is voor onzorgvuldig handelende personen. Bepalend is dus of onzorgvuldig handelen of nalaten een relevante factor is geweest bij het ontstaan van de brand. De aard van de aansprakelijkheid zelf (risico- of schuldaansprakelijkheid) is niet bepalend. (…) Met onzorgvuldigheid wordt bedoeld de juridische schuld van artikel 6:162 BW (verwijtbaar handelen of nalaten en/of toerekening van een oorzaak).”

2.5 Naar aanleiding van de brand hebben enkele expertises plaatsgevonden.

2.5.1 Allereerst hebben Interseco B.V. en TNO in opdracht van FBTO onderzoek verricht naar de oorzaak van de brand. Het naar aanleiding daarvan opgemaakte rapport d.d. 24 oktober 2005 houdt onder meer het volgende in:

“Gezien vorenstaande wordt vastgesteld dat de brand d.d. 10 mei 2005 is ontstaan door een technische oorzaak. De brand heeft kennelijk zijn oorsprong gehad in het elektrische aansluitblok van een nieuw geplaatst en aangesloten Boretti fornuis V-94. Zeer waarschijnlijk is één van de aansluitdraden van de voedingskabel van het fornuis niet volledig vastgeschroefd op het aansluitblok, waardoor een overgangsweerstand is ontstaan. Door vonkvorming en of warmteontwikkeling tengevolge van deze overgangsweerstand is brand ontstaan, die de onder het aansluitblok aanwezige gasslang heeft aangetast waardoor aardgas is uitgestroomd en tot ontbranding is gekomen. De brandende aardgas heeft de houten vloer onder het fornuis doen ontbranden en het Boretti fornuis vanaf de onderzijde ernstig aangetast. Degene die de elektrische aansluitkabel aan het fornuis heeft bevestigd is (…) [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] (…).”

2.5.2 Voorts hebben Biesboer Expertise B.V. en Electrical Risk Protection B.V. (ERP) in opdracht van (de aansprakelijkheidsverzekeraar van) [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] onderzoek verricht naar de oorzaak van de brand. Het naar aanleiding daarvan opgemaakte rapport d.d. 4 oktober 2006 houdt onder meer het volgende in:

“Gezien het vorenstaande kan als resultaat van de ingestelde technische en tactische expertise en daarbij gelet op de inhoud van de afgelegde verklaringen, de gedane mededelingen en in het bijzonder op het door ERP opgemaakte rapport, worden gesteld dat:

- het aannemelijk is te achten dat de brand in deze keuken in aanvang heeft gewoed in/bij/onder het Boretti-fornuis;

- waar exact in/bij/onder dit fornuis deze brand in aanvang heeft gewoed uit de overgelegde foto’s niet kon worden vastgesteld en evenmin blijkt uit de overgelegde rapportages. Meer waarschijnlijk is te achten, dat het vuur in aanvang onder het toestel heeft gewoed, hierbij refererend aan de deformatie van de onderplaat en de door Interseco beschreven inbranding in de houten vloer;

- geen feiten of omstandigheden in deze rapportages worden vermeld die, naar de mening van rapporteur de conclusie van een overgangsweerstand, zoals gepresenteerd, ondersteunen. Een dergelijke oorzaak in zijn algemeenheid al uiterts onwaarschijnlijk is vanwege het, op het betreffende aansluitblokje, niet aangesloten zijn van een stroomverbruik van enige importantie;

- ook andere brandoorzaken in deze zijn aan te geven, zoals het bekneld raken van het aansluitsnoer met een onvolledige sluiting tot gevolg danwel een gaslek in de leiding/slang of toestel. Het aangetroffen en beschreven brandbeeld (gedeformeerde onderplaat en de inbranding in de vloer) daar meer op wijst, dan op een brand welke zijn oorsprong vindt in het aansluitblokje en

- uit de tekst van de onderhavige onderzoeksrapporten blijkt niet dat deze keukenbouwer beschikt over voldoende kennis en ervaring om wijzigingen in de gasleiding naar behoren uit te voeren en evenmin dat hij deze installatie na aanleg heeft gecontroleerd op gasdichtheid.

Resumerend wordt door rapporteur op basis van zijn kennis en ervaring dan ook gesteld, dat uit de teksten van de voorliggende rapporten (onderzoeksrapporten Interseco en TNO) naar zijn mening niet blijkt, dat het ontstaan van deze brand een gevolg is van het door verzekerde niet juist vast draaien van één van de schroeven in het aansluitblokje.”

3 Het geschil in de hoofdzaak

FBTO heeft gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – kort en zakelijk weergegeven – (primair) [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] en [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] hoofdelijk, (subsidiair) [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] of [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] afzonderlijk te veroordelen tot betaling van € 500.000,-- (hoofdsom) en € 4.406,08 (buitengerechtelijke kosten), vermeerderd met rente en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft FBTO aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] en/of [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] zijn op grond van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad aansprakelijk voor de als gevolg van de brand ontstane schade.

3.2 Het Interseco/TNO rapport concludeert dat de brand ontstaan is in of bij het fornuis waarschijnlijk door een overgangsweerstand in het elektrisch aansluitblok van het fornuis, waarschijnlijk veroorzaakt door het niet volledig vastschroeven van een van de aansluitdraden voor de voedingskabel van het fornuis.

Met andere woorden: [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] heeft de elektriciteit onjuist aangesloten en daarmee jegens Dernee een onrechtmatige daad gepleegd die tot de onderhavige schade heeft geleid.

3.3 Uit het onderzoeksrapport van Biesboer/ERP kan worden afgeleid dat de brand ook kan zijn veroorzaakt door een gaslekkage, waarschijnlijk veroorzaakt door een onjuiste gasaansluiting. [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] zou te veel knelkoppelingen hebben gebruikt. Daarnaast suggereren de brandsporen bij de fornuisvoet dat aldaar de voedingskabel bekneld is geraakt, wat hitteontwikkeling en vervolgens brand heeft kunnen veroorzaken. De onjuiste gasaansluiting en/of fout bij de plaatsing van het fornuis door [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] vormt wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] die eveneens tot de onderhavige schade heeft geleid (heeft kunnen leiden).

3.4 [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] kan ook anderszins onzorgvuldig handelen of nalaten worden verweten. [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] draagt in het kader van de overeenkomst van opdracht immers de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de installatie van het fornuis. In het kader van de overeenkomst van opdracht ligt het voor de hand om de gas- en elektra-aansluiting van het fornuis goed te controleren. Uit de verklaring van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] komt echter naar voren dat hij heeft nagelaten om de aansluiting van het fornuis te controleren. Indien hij een volledige controle zou hebben uitgevoerd voordat hij de woning verliet, zou de schade, zo al niet helemaal worden voorkomen, tenminste beperkt hebben kunnen blijven.

(primair)

3.5 Zowel [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] (onjuiste gasaansluiting en/of plaatsing van het fornuis en/of onvoldoende controle van de installatie van de keuken/het fornuis) als [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] (onjuiste elektriciteitsaansluiting) kan een fout in de zin van onzorgvuldig handelen of nalaten worden verweten dat aan het ontstaan van de schade of aan het vergroten van de schadeomvang heeft bijgedragen. Uit de rapporten komt naar voren dat de schade door ten minste één van deze gebeurtenissen (fouten) is veroorzaakt.

3.6 Volgens artikel 6:99 Burgerlijk Wetboek (BW) geldt in een dergelijk geval, dat de verplichting om de schade te vergoeden op ieder van deze personen rust, tenzij hij bewijst dat de schade niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hijzelf aansprakelijk is. Ingevolge artikel 6:102 BW zijn [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] en [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] met betrekking tot deze verplichting hoofdelijk verbonden.

(subsidiair)

3.7 Er is sprake van een fout van – in ieder geval – één van beiden, zodat of [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] of [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] de onderhavige schade dient te vergoeden. Gelet op het door alle betrokken experts gehuldigde standpunt, te weten dat de schade in, bij of onder het fornuis is ontstaan, moet immers worden aangenomen dat de schade aan een persoon betrokken bij de installatie daarvan te wijten is.

3.8 De schade bedraagt in totaal € 589.990,85 en bestaat uit de navolgende posten:

- schade aan de woning € 425.456,99

- overige (inboedel)schade € 135.777,90

- onderzoekskosten € 28.755,96

3.9 Nu het totaalbedrag van de schade het bedrag waartoe het verhaalsrecht van FBTO door de BBr (2000) wordt beperkt, overstijgt, beperkt FBTO haar vordering tot het in de BBr (2000) genoemde bedrag van € 500.000,--.

3.10 Teneinde verhaal van de schade te bewerkstelligen, heeft FBTO zich tot gedaagden en hun respectieve aansprakelijkheidsverzekeraars gewend. Daar dit geen resultaat heeft opgeleverd, heeft FBTO juridische bijstand gezocht. De raadsman van FBTO heeft ten behoeve van het verkrijgen van betaling voor rekening van FBTO diverse werkzaamheden moeten verrichten. Het betreft werkzaamheden anders dan ter voorbereiding van de stukken en ter instructie van de zaak. Deze kosten maken op grond van artikel 6:96 lid 2 BW onderdeel uit van de schade. Het bedrag van deze schade beloopt € 4.406,08. De BBr (2000) verzet zich niet tegen verhaal van deze kosten naast het maximale verhaalsbedrag van

€ 500.000,--.

Het verweer van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak]

Het verweer van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van FBTO in de kosten van het geding, de kosten van de vrijwaring daaronder begrepen. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] daartoe het volgende aangevoerd:

(primair)

3.11 De oorzaak van de brand is niet komen vast te staan, althans moet worden gezocht in een (fabrieks)fout in het fornuis zelf. Ook andere schadeoorzaken kunnen niet worden uitgesloten, nu deze niet zijn onderzocht. De deskundigen zijn het niet met elkaar eens. Het fornuis is niet adequaat onderzocht. Nu de oorzaak van de brand niet is komen vast te staan, kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming dan wel onrechtmatige daad van één der installateurs. Zij kunnen dan ook niet (hoofdelijk) aansprakelijk worden gehouden voor het ontstaan van de brand en de daardoor ontstane schade.

3.12 Waar niet gesproken kan worden van een toerekenbare tekortkoming dan wel onrechtmatige gedraging, kan zeker niet gesproken worden van een onzorgvuldig handelen of nalaten zoals genoemd in het BBr (2000).

3.13 Nu niet gesteld kan worden dat de schade het gevolg kan zijn van twee of meer gebeurtenissen voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en ook niet gesteld kan worden dat vaststaat dat de schade door ten minste één van deze gebeurtenissen is ontstaan, kan het beroep van FBTO op artikel 6:99 BW geen doel treffen. Ook in het licht van artikel 6:99 BW dient immers sprake te zijn van aansprakelijkheid, en dat nu is door FBTO niet aangetoond. Daarnaast is door FBTO niet aangetoond wíe onrechtmatig heeft gehandeld dan wel toerekenbaar tekort is geschoten.

(subsidiair)

3.14 Indien op basis van de deskundigenrapporten al een brandoorzaak zou kunnen worden aangewezen, dan is in ieder geval duidelijk dat het niet een tekortkoming zijdens [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] is geweest welke als oorzaak moet worden aangemerkt. [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] is degene geweest die tekort is geschoten in de nakoming van een verbintenis dan wel onrechtmatig heeft gehandeld.

3.15 Uit de voorhanden zijnde rapportages blijkt op generlei wijze van een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak]. [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] heeft geen fouten gemaakt bij de door hem verrichte werkzaamheden. De gasleiding is door hem op de juiste wijze verplaatst en het fornuis is op correcte wijze door hem aangesloten op de gasleiding.

[gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] betwist dat hij te veel knelkoppelingen heeft gebruikt c.q. dat het gebruik van knelkoppelingen in oorzakelijk verband staat met het ontstaan van de brand. Voorzover FBTO stelt dat de brand is ontstaan door het bekneld raken van een fornuisvoet waardoor een voedingskabel bekneld is geraakt, met de brand als gevolg, en dat dit is ontstaan als gevolg van een foutieve plaatsing van het fornuis door [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak], wordt dit betwist.

[gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] wijst erop dat het aansluitsnoer (kennelijk) niet is onderzocht op een breuk of beknelling. Daarnaast kan de kabel niet beschadigd zijn geraakt bij het terugschuiven van het fornuis. De kabel ligt min of meer in het midden van het fornuis en is te kort om de pootjes links of rechts te kunnen raken. Daarnaast was het aanrecht in de keuken extra diep. Daardoor ontstond veel ruimte tussen de muur en het fornuis. Tussen de muur en het fornuis was zelfs een RVS-hulpstuk geplaatst om de afstand te overbruggen. Het is onmogelijk dat het snoer bekneld kon raken. Bovendien heeft [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] de aansluiting op lekkage getest. Uit de diverse onderzoeken is niet gebleken dat de oorzaak van de brand is gelegen in het foutief terugplaatsen van het fornuis dan wel het gebruik van te veel knelkoppelingen door [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] dan wel een lekkage in de gasaansluiting. [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] heeft de werking van het fornuis zorgvuldig gecontroleerd. Zo heeft hij de gaspitten en de gasoven aan en uit gezet en heeft hij de aangesloten gasleiding op lekken gecontroleerd. [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] heeft daarmee gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden gevergd ten aanzien van de uitvoering van zijn verbintenis.

3.16 [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] is niet (mede)aansprakelijk voor fouten van [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak]. [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] heeft een overeenkomst tot stand gebracht tussen Dernee en [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak]. [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] heeft dan ook geen werkzaamheden verricht ter uitvoering van de verbintenis van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak]. [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] heeft niet gewerkt onder de leiding van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak]. Er was geen sprake van een contractuele verhouding tussen [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] en [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak], zoals blijkt uit het feit dat [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] niet factureerde aan [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak], maar rechtstreeks aan Dernee. De elektrotechnische werkzaamheden ten behoeve van het fornuis waren ook niet in de begroting van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] meegenomen. De enige elektrotechnische werkzaamheden die door [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] waren begroot en door hem zijn uitgevoerd betreffen het aanleggen van een stopcontact (niet in de nabijheid van het fornuis), alsmede het ophangen van tl-verlichting boven het aanrechtblad. [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] was bevoegd om deze eenvoudige elektrotechnische werkzaamheden te verrichten. [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] droeg niet de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de installatie van het fornuis.

3.17 [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] betwist ten slotte de omvang van de schade, alsmede de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

Het verweer van [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak]

Het verweer van [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van FBTO in de kosten van het geding. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] daartoe het volgende aangevoerd:

3.18 De BBr (2000) sluit regres jegens particulieren uit. Zowel [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] als [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] moeten als zodanig worden aangemerkt.

3.19 Het regres jegens [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] en [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] kan alleen volgen indien er sprake is van onzorgvuldig handelen of nalaten. Daarmee wordt bedoeld dat er sprake dient te zijn van schuld in de zin van artikel 6:162 lid 3 BW, zodat voor succesvol regres ingevolge de BBr (2000) onvoldoende is dat een bepaalde schadeoorzaak aan de niet-particulier kan worden toegerekend krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen.

Het gaat om (1) eigen (2) onzorgvuldig handelen of nalaten in de zin van schuld, dat (3) oorzakelijk is geweest voor het ontstaan van de schade.

3.20 Het maximale verhaalsbedrag ingevolge de BBr betreft € 500.000,--. Dit bedrag is inclusief rente en kosten.

3.21 [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] betwist de juistheid van de conclusies van Interseco/TNO. Het is onwaar dat de aansluitdraden op het aansluitblokje onvolledig zouden zijn vastgeschroefd en het is ook onwaar dat een eventuele overgangsweerstand kon leiden tot temperatuursverhoging (en tot brand). Nu de oorzaak van de brand niet voldoende kan worden vastgesteld, kan niet worden geconcludeerd tot aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak].

3.22 Er is geen sprake van schuld in de zin van onzorgvuldig handelen of nalaten. [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] heeft zijn werkzaamheden naar behoren verricht en daarvan ook een opleveringsrapport gemaakt. Indien er toch iets zou zijn misgegaan en indien toch moet worden geconcludeerd dat er sprake is geweest van overgangsweerstand in het aansluitblokje, zou de brandoorzaak eventueel aan [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] kunnen worden toegerekend, maar dit is onvoldoende om aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] jegens FBTO op te baseren.

3.23 [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] bedient zich van de algemene leveringsvoorwaarden ALIB 1992. [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] werkte in casu in opdracht van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak], maar is van oordeel dat hij de voorwaarden ook aan Dernee – en daarmee FBTO – kan tegenwerpen. Op grond van de algemene voorwaarden is [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] niet aansprakelijk, behoudens een door hem te verlenen garantie op de werkzaamheden. De omvang van de schadevergoeding – in het geval [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] wel aansprakelijk zou zijn – is beperkt tot het eigen risico van zijn aansprakelijkheidsverzekering en de door de verzekeraar gedane uitkering. Er is in casu door de verzekeraar van [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] geen uitkering gedaan.

3.24 Artikel 6:99 BW biedt geen grondslag om fouten van hetzij [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] hetzij [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] aan te nemen, maar biedt uitsluitend hoofdelijke aansprakelijkheid indien vaststaat dat zowel [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] als [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] fouten hebben gemaakt. Dit staat niet vast. [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] is niet aansprakelijk voor eventuele fouten die [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] heeft gemaakt bij de aansluiting van het fornuis nadat [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] zijn werk had opgeleverd.

3.25 [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] betwist ten slotte de omvang van de schade, alsmede de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

4 Het geschil in de vrijwaringszaak

[gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] heeft gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – kort en zakelijk weergegeven – [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] te veroordelen om aan [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] te betalen datgene waartoe [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] jegens FBTO in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld (inclusief kostenveroordeling), met veroordeling van [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] in de kosten van het geding in vrijwaring.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten en hetgeen in de hoofdzaak als verweer is gevoerd heeft [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

4.1 De oorzaak van de brand is gelegen in de door [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] uitgevoerde werkzaamheden. Verwezen wordt naar het Interseco/TNO rapport.

4.2 [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] heeft zijn werkzaamheden bij Dernee niet uitgevoerd als hulppersoon van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak]. [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] is niet draagplichtig voor schade, veroorzaakt door [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak].

4.3 Indien tussen [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] en [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] sprake is van een overeenkomst (tot onderaanneming) is [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van zijn verbintenis met [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak].

Het verweer van [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] in de kosten van het geding in vrijwaring. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten en hetgeen in de hoofdzaak als verweer is gevoerd, heeft [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] daartoe het volgende aangevoerd:

4.4 Betwist wordt dat de oorzaak van de brand is gelegen in de door [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] uitgevoerde werkzaamheden.

4.5 Betwist wordt tevens dat sprake is van onzorgvuldig handelen of nalaten van [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak].

4.6 Indien de brand is ontstaan door fouten van [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak], kan [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak], gelet op artikel 6:197 BW, niet jegens FBTO aansprakelijk zijn, nu FBTO uitsluitend een onrechtmatige daad aan haar vordering ten grondslag legt.

5 De beoordeling

In de hoofdzaak

5.1 De vordering van FBTO is gegrond op de stelling dat [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] en/of [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] op grond van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad aansprakelijk zijn voor de als gevolg van de brand ontstane schade. In beginsel kan de gesubrogeerde verzekeraar regres nemen op een ieder, die door de verzekerde/schadelijder aansprakelijk gesteld had kunnen worden. Het BBr (2000) beperkt die mogelijkheid op meerdere manieren. Voor zover wordt betwist dat [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] en [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] als niet-natuurlijke personen in de zin van het BBr (2000) zijn aan te merken, is dat verweer onvoldoende gemotiveerd; in beginsel kan FBTO tot € 500.000,- regres nemen op [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] en/of [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak], mits is voldaan aan artikel 2.2 van de BBr (2000). Er moet, volgens de toelichting, sprake zijn van handelen/nalaten dat ook los van de contractuele verhouding als onrechtmatig is aan te merken. Louter wanprestatie is dus niet genoeg. Of een zuivere risicoaansprakelijkheid dat wel zou zijn behoeft in casu niet beantwoord te worden, nu FBTO de vordering daarop (bijvoorbeeld artikel 6:171 BW) niet baseert.

5.2 De rechtbank verstaat de grondslag van de vordering tegen deze achtergrond in de context van het gevaarzettingsleerstuk, in het bijzonder de zogenoemde Kelderluikcriteria (HR 5 november 1965, NJ 1966, 136) en de nadien in de jurisprudentie ontwikkelde gezichtspunten. De vraag of de veroorzaking van schade door het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaar onrechtmatig is, dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval (vgl. HR 9 december 1994, NJ 1996, 403).

Of gevaarzetting onrechtmatig is hangt af van onder meer de mate van waarschijnlijkheid van onoplettend en onvoorzichtig gedrag, de kans dat daardoor schade ontstaat, de ernst van de gevolgen, de bezwaarlijkheid en gebruikelijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen en de aard van het belang dat met de gevaarzetting is gediend. In het kader van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid speelt de kenbaarheid van het gevaar een rol (vgl. HR 22 april 1994, NJ 1994, 624). Niet reeds de enkele mogelijkheid van schade als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar maakt dat gedrag onrechtmatig, maar zodanig gevaarscheppend gedrag is slechts onrechtmatig indien de mate van waarschijnlijkheid van schade als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de betrokkene zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden.

5.3 Voor de invulling van deze criteria is in casu van belang dat zowel van der Hoeven als [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] kennelijk erkende installateurs zijn (voor gas- c.q. elektriciteitsleidingen) en dat zij vanuit die positie geacht moeten worden een duidelijk beeld te hebben van de betrokken - aanzienlijke - gevaren bij de installatie van een fornuis als het onderhavige. [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] en [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] dienden bij de uitvoering van hun werkzaamheden zodanige controle- en voorzorgsmaatregelen te nemen als van een redelijk handelend en redelijk bekwaam installateur mag worden verwacht.

5.4 Het is in beginsel aan FBTO om te stellen – en in voorkomend geval te bewijzen – dat sprake is geweest van gevaarscheppend onrechtmatig gedrag aan de zijde van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] en/of [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak]. FBTO heeft in dit verband gesteld dat [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] het gas op onjuiste wijze heeft aangesloten c.q. te veel knelkoppelingen heeft gebruikt, bij het (terug)plaatsen van het fornuis een voedingskabel heeft geraakt en/of onvoldoende de gas- en elektra-aansluiting van het fornuis heeft gecontroleerd. [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] heeft de elektriciteit op onjuiste wijze aangesloten c.q. de aansluitdraad voor de voedingskabel van het fornuis niet volledig vastgeschroefd, aldus FBTO. Zowel [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] als [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] heeft gemotiveerd betwist dat sprake is geweest van onzorgvuldig handelen. In beginsel zal ter zake aan FBTO een bewijsopdracht moeten worden gegeven. Daarnaast dient echter te worden vastgesteld wat de oorzaak van de brand is geweest. Immers, slechts onrechtmatig handelen dat de schade (mede) heeft veroorzaakt, is relevant.

5.5 In de diverse in het geding gebrachte expertiserapporten zijn uiteenlopende brandoorzaken aangedragen. Het Interseco/TNO rapport concludeert dat de brand ontstaan is in of bij het fornuis waarschijnlijk door een overgangsweerstand in het elektrisch aansluitblok van het fornuis, waarschijnlijk veroorzaakt door het niet volledig vastschroeven van een van de aansluitdraden voor de voedingskabel van het fornuis. Uit het onderzoeksrapport van Biesboer/ERP kan worden afgeleid dat de brand kan zijn veroorzaakt door een gaslekkage, waarschijnlijk veroorzaakt door een onjuiste gasaansluiting. Daarnaast suggereren de brandsporen bij de fornuisvoet dat aldaar de voedingskabel bekneld is geraakt, wat hitteontwikkeling en vervolgens brand heeft kunnen veroorzaken, aldus Biesboer/ERP.

5.6 Het is in beginsel aan FBTO om te stellen – en in voorkomend geval te bewijzen – dat de oorzaak van de brand is gelegen in de werkzaamheden van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] en/of [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak]. FBTO heeft in dit verband verwezen naar de inhoud van de hiervoor genoemde expertiserapporten. Zowel [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] als [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] heeft gemotiveerd de bruikbaarheid van het Biesboer/ERP rapport respectievelijk het Interseco/TNO rapport betwist.

Tevens hebben zij gemotiveerd betwist dat de brand is veroorzaakt door hun respectieve werkzaamheden, althans gesteld dat de brand is ontstaan als gevolg van een andere oorzaak. In dat licht bezien, en gelet op de voorzichtige toon die in de in het geding gebrachte expertiserapporten wordt gebezigd (“kan”, “waarschijnlijk”), is het benodigde bewijs niet, ook niet voorshands, geleverd.

5.7 De rechtbank kan de vraag wat de oorzaak van de brand is geweest niet beantwoorden zonder deskundige voorlichting. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten om met partijen overleg te plegen over het te gelasten deskundigenonderzoek. Partijen dienen zich uiterlijk veertien dagen voor de comparitie bij brief aan de rechtbank uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de te stellen vragen. In dat verband dient tevens duidelijkheid verschaft te worden over het thans nog voor onderzoek door een deskundige beschikbare materiaal.

5.8 Indien na deskundigenonderzoek niet komt vast te staan dat de oorzaak van de brand is gelegen in de werkzaamheden van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] en/of [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak], zal de vordering van FBTO niet toewijsbaar zijn. Voor het geval na deskundigenonderzoek wel komt vast te staan dat de oorzaak van de brand is gelegen in de werkzaamheden van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] en/of [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak], is, zoals is overwogen onder 5.4, in geschil of sprake is geweest van gevaarzettend onrechtmatig gedrag van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] en/of [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak]. Partijen kunnen in de brief, die zij uiterlijk veertien dagen voor de comparitie van partijen aan de rechtbank en de wederpartij dienen te zenden, ook aan dit punt aandacht besteden. Ter comparitie kan dan worden overlegd over de volgorde van de onder 5.4 bedoelde bewijslevering en het deskundigenbericht.

5.9 Partijen verschillen voorts van mening over de vraag hoe de onderliggende verhoudingen lagen: werkte [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] als onderaannemer van [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak], of rechtstreeks voor Dernee? Ter comparitie kan met partijen worden besproken in hoeverre aan die vraag voor de thans voorliggende aansprakelijkheidsvraag betekenis toe komt en of op dat punt bewijslevering aan de orde is en zo ja, op welk moment. Het komt de rechtbank voor dat, als de brand louter aan een door [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] gemaakte fout is toe te schrijven, [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] ten opzichte van FBTO louter aansprakelijk zal zijn als hij ten opzichte van [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] als hoofdaannemer optrad en hem voorts een zelfstandig verwijt te maken valt. Dit punt, dat verder voor de vrijwaring van wezenlijk belang kan zijn, zal ter comparitie ook nader besproken worden.

5.10 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

In de vrijwaringszaak

5.11 Iedere beslissing wordt aangehouden, nu de beslissingen afhankelijk zijn van hetgeen in de hoofdzaak uit het deskundigenbericht zal blijken.

7 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

in de hoofdzaak

beveelt partijen - FBTO vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking, [gedaagde in hoofdzaak; eiser in vrijwaringszaak] en [gedaagde sub 2 in hoofdzaak; gedaagde in vrijwaringszaak] in persoon – vergezeld door hun advocaten te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, op 16 juni 2010 van 09.30 tot 11.30 uur, zulks ter bespreking van de punten 5.7 tot en met 5.9 hiervoor aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen ervoor dienen te zorgen dat de brief als bedoeld in r.o. 5.7 en 5.8 de rechtbank en de wederpartij uiterlijk veertien dagen voor de dag van de zitting heeft bereikt;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een andere proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat de rechtbank en de wederpartij uiterlijk vier dagen voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan;

in de vrijwaring

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten.

Uitgesproken in het openbaar.

801/106