Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BM0810

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-04-2010
Datum publicatie
12-04-2010
Zaaknummer
10/700319-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BO6942, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Verdachte wordt vanwege het van achteren met zijn auto aanrijden van een fietser, die daarbij ten val is gekomen, veroordeeld voor een poging tot doodslag. Bewijsoverweging omtrent voorwaardelijk opzet. Het als bestuurder van een auto met verhoogde snelheid recht op een fietser afrijden en die vervolgens aanrijden levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op dat die laatste dit met de dood zou kunnen bekopen, bijvoorbeeld wanneer hij ongelukkig met zijn hoofd op de straat terecht zou komen of via de motorkap voor de auto terecht zou komen, met het overrijden van het slachtoffer als gevolg. Verdachte wordt ook veroordeeld voor mishandeling van zijn moeder. Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/700319-09

Datum uitspraak: 12 april 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1989 te Rotterdam,

niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie,

verblijvende op het adres [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, locatie Huis van Bewaring ‘De Schie’ te Rotterdam,

raadsvrouw mr. I. Saey, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte:

1) opzettelijk een fietser van het leven heeft willen beroven, althans zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen, door met zijn personenauto een aanrijding met die fietser te veroorzaken;

2) zijn moeder heeft mishandeld, door haar met een bezemsteel te slaan.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Baars heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 impliciet primair en 2 tenlastegelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Volgens zijn aangifte reed [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) op 3 september 2009 op zijn fiets door de [straat] te Rotterdam. Hij hoorde een auto naderen en voelde plotseling dat hij van achteren geraakt werd door die auto. Hij kwam op de motorkap van die auto terecht en viel daarna op straat. [slachtoffer] hoorde dat de bestuurder van de auto gas gaf voordat hij geraakt werd en zag dat de auto er na de aanrijding vandoor ging. [slachtoffer] was die dag in gezelschap van [getuige 1] (hierna: [getuige 1]).

[getuige 1] heeft verklaard dat zij verdachte, haar ex-vriend, in diens auto aan zag komen rijden. Zij zag dat verdachte zijn snelheid vermeerderde en vervolgens met zijn auto de fiets van [slachtoffer] van achteren raakte, dat verdachte daarna doorreed en dat hij daarbij achterom keek, waarbij een lach op zijn gezicht te zien was. [slachtoffer] werd meegesleurd door de auto en viel er even later van af.

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij zag dat een auto een fietser aanreed. De fietser kwam op het midden van de motorkap terecht en rolde over het dak van de auto. Ze kon de bestuurder zien zitten en zag dat hij een grijns op zijn gezicht had. De getuige [getuige 3] verklaarde dat ze zag dat een auto de fietser van achteren aanreed, waardoor de fietser over de motorkap rolde en daarna op de grond terecht kwam. Ze zag dat de bestuurder omkeek, begon te lachen en daarna verder reed.

De verdachte heeft verklaard dat hij de fietsende [slachtoffer] met zijn auto heeft willen raken. Hij verklaart dat hij de fiets van [slachtoffer] ook daadwerkelijk heeft geraakt door met zijn auto ‘een tikje’ tegen de fiets te geven. Voorts verklaart hij dat hij [slachtoffer] nooit heeft gemogen en dat hij moest lachen toen hij zag dat [slachtoffer] door zijn toedoen viel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde poging tot doodslag. Niet kan worden bewezen dat de verdachte willens en wetens de aangever met een verhoogde snelheid heeft aangereden.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de aanrijding van de aangever kan worden aangemerkt als een poging tot doodslag. Voor een bewezenverklaring van dit feit moet worden vastgesteld of de verdachte daar opzet op heeft gehad, al dan niet in voorwaardelijke zin. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Er is geen technisch bewijs voorhanden met betrekking tot de exacte snelheid van verdachtes auto op het moment van de aanrijding. De getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat zij – nadat zij zag dat de auto aan kwam rijden – heeft gezien en gehoord dat de auto sneller ging rijden, waarna de aanrijding volgde. Zij verklaart voorts dat de auto zeker niet langzaam of stapvoets heeft gereden. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij zag dat de auto vlak voor de aanrijding opeens veel harder ging rijden. Uit het proces-verbaal van de Technische- en Ongevallendienst van de politie blijkt dat de rechtervoorzijde van de auto in botsing is gekomen met het achterwiel van de fietser en dat het mogelijk is dat de fietser op de motorkap terecht is gekomen. De verbalisanten concluderen voorts dat de bestuurder van de auto een aanrijding met de fietser moet hebben gemerkt.

Voorwaardelijk opzet is aanwezig indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn gedraging een bepaald gevolg zal intreden. Of dat het geval is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank stelt op grond van het bovenstaande vast dat de verdachte met verhoogde snelheid heeft gereden. Met welke snelheid de verdachte precies heeft gereden, kan daarbij in het midden blijven. Het als bestuurder van een auto met verhoogde snelheid recht op een fietser afrijden en die vervolgens aanrijden levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op dat die laatste dit met de dood zou kunnen bekopen, bijvoorbeeld wanneer hij ongelukkig met zijn hoofd op de straat terecht zou komen of via de motorkap voor de auto terecht zou komen, met het overrijden van het slachtoffer als gevolg. De verdachte heeft door met verhoogde snelheid [slachtoffer] van zijn fiets te rijden - en vervolgens door te rijden - minstgenomen het opzet in voorwaardelijke zin gehad om die [slachtoffer] van het leven te beroven.

Het onder 1 impliciet primair wordt dan ook bewezen geacht.

Aangezien de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hierna bewezen verklaard, heeft bekend, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

1.

een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 4 januari 2008, nr. 2008004380-1 (proces-verbaal van aangifte [moeder verdachte]);

2.

de verklaring van de verdachte ter terechtzitting;

3.

een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 4 januari 2008, nr. 2008004380-4 (proces-verbaal van bevindingen).

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 03 september 2009 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven,

met dat opzet (met verhoogde snelheid) met een auto is

aangereden tegen de achterkant van de fiets waarop die [slachtoffer] reed,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij

op 04 januari 2008 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [moeder], zijnde verdachtes moeder),

meermalen met kracht met een bezemsteel heeft geslagen op het hoofd

en het lichaam, waardoor die [moeder] letsel heeft bekomen en pijn

heeft ondervonden;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

Poging tot doodslag;

2.

Mishandeling, begaan tegen zijn moeder.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een auto gepoogd een fietser van het leven te beroven.

De verdachte heeft de fietser opzettelijk van achteren aangereden. Het slachtoffer is via de motorkap van de auto op straat terechtgekomen. Een en ander vond plaats zonder aanleiding. De verdachte heeft verklaard het slachtoffer nooit te hebben gemogen, dat hij hem zogezegd ‘in de weg zat’ en dat hij hem opzettelijk heeft aangereden. Op de wijze zoals de verdachte is ingereden op de fietser, is de auto te beschouwen als een moordwapen. Het letsel van het slachtoffer is weliswaar relatief licht, maar dat is een omstandigheid die niet aan de verdachte te danken is: het had veel erger af kunnen lopen.

Ook heeft de verdachte na een woordenwisseling zijn moeder met een bezemsteel geslagen, wat letsel op haar hoofd en lichaam heeft opgeleverd.

Op dergelijke feiten feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia-rapport d.d. 30 november 2009, opgemaakt door drs. R. Zwaan, psycholoog. De psycholoog heeft bij de verdachte ruimschoots aanwijzingen voor een antisociale persoonlijkheidsstoornis aangetroffen, die ook aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde. Bij de verdachte is sprake van grote impulsiviteit. Een conclusie aangaande de toerekeningsvatbaarheid kan niet gegeven worden, omdat de verdachte het delict ontkende. Gelet op de ontkennende houding van de verdachte heeft de psycholoog geen inschatting van het recidiverisico kunnen maken. De psycholoog stelt ook vast dat er bij de verdachte sprake is van een hedonistische levenshouding die uitsluitend gericht is op de eigen behoeftebevrediging, zonder daarbij rekening te kunnen en willen houden met de gedachte- en gevoelswereld van anderen en zonder te worden gehinderd door angsten of gewetensconflicten. Motivatie voor therapie van welke aard ook – gedacht kan worden aan een training gericht op het leren beteugelen van zijn impulsiviteit en agressieve impulsen – zou bij de verdachte alleen vanuit verstandelijke overwegingen komen, zoals wanneer deelname aan een dergelijke training of therapie een eventuele straf zou bekorten.

In het reclasseringsadvies omtrent de verdachte d.d. 31 december 2009 van Reclassering Nederland, opgemaakt door J. Uijl, reclasseringswerker, wordt eveneens aangegeven dat het impulsieve en agressieve gedrag van de verdachte verklaard kan worden vanuit de vastgestelde antisociale persoonlijkheidsstoornis. De verdachte toont weinig inlevingsvermogen en overschat zichzelf. Een eerder reclasseringstoezicht in het kader van een voorwaardelijk sepot werd bij afloopbericht toezicht d.d. 18 augustus 2009 geretourneerd omdat de verdachte afspraken niet nakwam, niet op uitnodigingen reageerde, op afspraken niet verscheen en verwijzing naar een forensische polikliniek niet gerealiseerd kon worden vanwege de houding van de verdachte. Hierom komt de reclasseringswerker tot de conclusie dat het opleggen van verplicht reclasseringscontact niet geïndiceerd is.

De rechtbank neemt de bovenstaande conclusies over en maakt die tot de hare. In de rapporten heeft de rechtbank dan ook geen aanknopingspunten gevonden die nopen tot het opleggen van bijzondere voorwaarden en hiertoe zal dan ook - anders dan door de raadsvrouw bepleit - niet worden overgegaan.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 september 2009 niet eerder is veroordeeld. Hierin wordt aanleiding gezien een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet primair en 2 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van den Berg, voorzitter,

en mrs. Frankruijter en Blagrove, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Balk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 april 2010.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 12 april 2010:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 03 september 2009 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet (met verhoogde, althans behoorlijke snelheid) met een auto is

aangereden tegen de achterkant van de fiets waarop die [slachtoffer] reed,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 287/302 juncto 45 Sr)

2.

hij

op of omstreeks 04 januari 2008 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [moeder], zijnde verdachte's moeder),

meermalen met kracht met een aluminium bezemsteel heeft geslagen op het hoofd

en/of het lichaam, waardoor die [moeder] letsel heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden;

[artikel 300/304 van het Wetboek van Strafrecht]