Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BM0452

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-04-2010
Datum publicatie
08-04-2010
Zaaknummer
10/650147-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Verdachte wordt terzake de moord op zijn vriendin veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren. Beroep op noodweer en noodweerexces wordt verworpen: de lezing van de verdachte dat zijn vriendin hem in de hoek van de keuken meermalen met een wokpan op het hoofd heeft geslagen is niet aannemelijk en derhalve ook niet verdachtes stelling dat hij niet anders kon dan haar met een mes te steken teneinde zichzelf te verdedigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/650147-09

Datum uitspraak: 8 april 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1984 te Curaçao (Nederlandse Antillen),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Utrecht, locatie Nieuwegein,

raadsman mr. P.J. Silvis, advocaat te Schiedam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte zijn vriendin door middel van messteken om het leven heeft gebracht.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Bijl heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek van voorarrest.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

De verdachte heeft het aan hem ten laste gelegde feit op de zitting bekend. Om die reden wordt wat betreft het bewijs volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

1. De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting alsmede een ambtsedig proces-verbaal van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, inhoudende een verhoor van de verdachte, d.d. 6 juli 2009, genummerd 2009232249-37;

2. Een ambtsedig proces-verbaal van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, d.d. 9 juli 2009, genummerd 2009232249-26, aangaande de onnatuurlijke dood van [slachtofer];

3. Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 13 augustus 2009, genummerd 2009-242/VS049, betreffende de sectie op [slachtoffer].

Gelet op de inhoud van deze bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 5 juli 2009 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk meermalen, met een mes, in het bovenlichaam, van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Beroep op noodweer

De verdachte heeft ter terechtzitting - kort weergegeven - verklaard dat hij op 5 juli 2009 ruzie had met zijn vriendin [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer). Zij kwam op een gegeven moment op hem af met een mes en maakte daarmee stekende bewegingen in zijn richting. Hij slaagde er na een worsteling in om het mes af te pakken, waarop het slachtoffer een wokpan pakte en hem daarmee meermaals op zijn hoofd sloeg. De verdachte kon geen kant op, omdat hij in de hoek van de keuken stond. Hij heeft het slachtoffer toen met het mes gestoken. Bij de politie heeft de verdachte verklaard zich te hebben moeten verdedigen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie nu de lezing van de verdachte niet wordt ondersteund door de bevindingen en conclusies van de afdeling Forensische Opsporing van de politie.

De rechtbank overweegt het volgende.

Door de technische recherche is onderzoek gedaan in de woning van het slachtoffer. Uit het daaromtrent opgemaakte proces verbaal blijkt dat het een kleine éénkamerwoning betrof, waar in het woongedeelte een hoekbank stond die was besmeurd met bloed. Het slachtoffer lag schuin tegenover de bank met de rug op de vloer. Haar onderlichaam was gedraaid zodat zij op haar rechterheup lag. Tussen het slachtoffer en de bank bevonden zich enkele bloedsporen. Voorts lag er een bebloede sprei in de hoek van de bank en bevonden zich op de zitting en de kussens in de hoek van de bank hoge concentraties bloed. Uit onderzoek van het NFI bleek later dat dit het bloed van het slachtoffer was. Bovenop een kussen is een scherprandige perforatie vastgesteld en op een ander kussen in de hoek van de bank werd in een concentratie bloed een op vetweefsel gelijke substantie aangetroffen. Later bleek dat ook dit vetweefsel van het slachtoffer afkomstig was. Op de muren en de lamellen achter de bank werden bloedspatten waargenomen. De technische recherche heeft geconcludeerd dat - gelet op het uiterlijk voorkomen van deze bloedspatten - de bloedbron zich in dan wel ter hoogte van de hoek van de bank heeft bevonden. Voorts werden in de keuken bloedspatten aangetroffen op de kastjes van het keukenblokje, aan de onderzijde van de koel/vriescombinatie en op de voorzijde van het gasfornuis. De bloedspatten op de keukenkastjes zijn onderzocht en bleken van het slachtoffer te zijn. Gelet op het uiterlijk voorkomen van deze bloedspatten zijn deze bloedspatten afkomstig vanaf de plaats waar het slachtoffer werd aangetroffen. Het incident is zeer waarschijnlijk ter hoogte van de bank begonnen en ter hoogte van de plaats waarop het slachtoffer is aangetroffen geëindigd. Op deze laatste plaats is zeer waarschijnlijk het geweld op het slachtoffer uitgeoefend, aldus de technische recherche.

Tegen het licht van deze conclusie acht de rechtbank de lezing van de verdachte dat zijn vriendin hem in de hoek van de keuken meermalen met een wokpan op het hoofd heeft geslagen niet aannemelijk en derhalve ook niet verdachtes stelling dat hij niet anders kon dan haar met een mes te steken teneinde zichzelf te verdedigen. Ook de verklaring van de verdachte dat hij door het slachtoffer meermaals met een wokpan op het hoofd is geslagen, wordt niet ondersteund door de bevindingen van het opsporingsonderzoek. Forensisch arts D. Botter, verbonden aan het NFI, heeft de verdachte op 8 juli 2009 onderzocht en de foto’s beoordeeld die kort na diens aanhouding van de verdachte zijn genomen. Door hem zijn geen letsels op het hoofd vastgesteld. Tegen deze achtergrond heeft de enkele omstandigheid dat er op de vloer van de woning een wokpan is aangetroffen onvoldoende gewicht.

De rechtbank ziet echter wel aanwijzingen die erop duiden dat het slachtoffer op enig moment zwaaiende bewegingen met een mes heeft gemaakt en dat de verdachte daarbij is geraakt. Hiervoor is steun in de vorm van de huidbeschadigingen die bij de verdachte door de forensisch arts zijn vastgesteld. De verdachte heeft zijn vriendin, die een heel stuk kleiner en tengerder was dan hijzelf, het mes op relatief eenvoudige wijze kunnen afpakken. Bij de politie heeft hij daaromtrent verklaard dat hij het mes “gewoon uit haar hand heeft gehaald”. De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van het slachtoffer - voor zover aannemelijk geworden - niet tot enige verdere verdediging noopte.

Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.

Het bewezen feit levert op:

doodslag.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Beroep op noodweerexces

Door de raadsman van de verdachte is op gronden als hierboven omschreven een beroep gedaan op noodweerexces. De rechtbank verwerpt dit verweer. Voor het slagen van een dergelijk beroep is vereist dat aannemelijk is dat het steken door de verdachte het gevolg is geweest van een door het handelen van het slachtoffer veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Een dergelijke gemoedsbeweging, zoals paniek of angst, is echter niet aannemelijk geworden.

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zijn achttienjarige vriendin met tientallen messteken om het leven gebracht. Hij heeft niet alleen een mens het allerbelangrijkste recht, het recht op leven, ontnomen, maar met zijn daad ook de nabestaanden van het slachtoffer een groot en onherstelbaar verlies en onnoemelijk veel verdriet toegebracht. Het valt nog maar te bezien of zij, en in het bijzonder de moeder van het slachtoffer, het gewelddadige overlijden van hun dierbare ooit een aanvaardbare plaats in hun leven kunnen geven.

Een gevangenisstraf van aanzienlijke duur is dan ook op zijn plaats.

Omtrent de persoon van de verdachte is op 19 februari 2010 gerapporteerd door de psychiater J.M.J.F. Offermans en de klinisch psycholoog A.T. Spangenberg, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht. Het onderzoek heeft voornamelijk bestaan uit dossieronderzoek en observatie van de verdachte. Omdat verdachte consequent zijn medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd, is het ook te beperkt geweest om een uitspraak te kunnen doen over een mogelijke impulsdoorbraak bij verdachte. Wel kan worden gesteld dat gedurende de observatie niets in verdachtes gedrag wees in de richting van een psychiatrische stoornis in engere zin. Gezien het vorenstaande kunnen de onderzoekers geen uitspraak doen over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en, de kans op herhaling vanuit een eventuele stoornis en ook geen advies uitbrengen over een behandeling of begeleiding in strafrechtelijk kader.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank enigszins rekening gehouden met het gegeven dat de verdachte en het slachtoffer een nogal heftige relatie met elkaar hadden, die met veel ‘ups en downs’ gepaard ging. Binnen hun relatie zou ook sprake zijn geweest van enig fysiek geweld van de zijde van het slachtoffer, waarbij zij niet naliet verdachte erop te wijzen dat hij zijn baan bij de politie zou kwijtraken als hij háár zou slaan. De rechtbank ziet hierin aanleiding om in beperkte mate af te wijken van de eis van de officier van justitie.

Ook heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder voor een misdrijf met de strafrechter in aanraking is gekomen.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [moeder slachtoffer], wonende te Rotterdam. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 973,28.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de verdachte de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet heeft betwist, zal de vordering worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 24c, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 8 (acht) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 973,28 (negenhonderddrieenzeventig euro en achtentwintig eurocent) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [moeder slachtoffer], wonende te Rotterdam, te betalen;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 973,28 (negenhonderddrieenzeventig euro en achtentwintig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 19 (negentien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Bijl-de Jong, voorzitter,

en mrs. De Jong en Koningsveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Mathoera, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 april 2010.

De oudste- en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 8 april 2010:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Hij op of omstreeks 5 juli 2009 te Rotterdam

opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk

meermalen, althans éénmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, in de borststreek, althans in het bovenlichaam, van die [slachtoffer] gestoken,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(Artikel 287 Wetboek van Strafrecht)