Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BM0312

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
349404 / KG ZA 10-181
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Restschuld hypotheek. Verjaring. Termijn. Overgangsrecht. Tijdige stuiting. Geen misbruik van recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VFP 2010, 612
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 349404 / KG ZA 10-181

Vonnis in kort geding van 30 maart 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te Rotterdam,

eiser,

advocaat mr. L.A.E. Timmer,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON LEVENSVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde,

advocaat mr. J.C.A. Stevens.

Partijen zullen hierna [eiser] en Aegon genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 26 februari 2010;

- producties van mr. Timmer;

- producties van mr. Stevens;

- de pleitnota van mr. Stevens.

1.2. Ter zitting van 16 maart 2010 hebben (de raadslieden van) partijen de respectieve standpunten nader toegelicht. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In dit kort geding merkt de voorzieningenrechter de volgende – voor de onderhavige beoordeling van belang zijnde – feiten als tussen partijen vaststaand aan.

2.1. Op 26 januari 1979 is tussen [eiser] als schuldenaar enerzijds en (de rechtsvoorganger van) Aegon als schuldeiseres anderzijds een notariële akte van geldlening met hypotheekstelling (hierna: “de Akte”) verleden. Ingevolge deze Akte heeft (de rechtsvoorganger van) Aegon [eiser] een bedrag van dfl. 178.000,-- geleend ter financiering van een woning aan het [adres] te Rotterdam (hierna: “het onderpand”) onder het beding van het recht van eerste hypotheek op het onderpand. In de Akte staat verder – voor zover hier relevant –:

“Tenslotte hebben de comparanten verklaard voor de uitvoering en alle gevolgen dezer akte domicilie te kiezen ten kantore van de bewaarder dezer minuut en voor zover nodig ten hypotheekkantore, alwaar het recht van hypotheek wordt ingeschreven.”

2.2. Het onderpand is in 1981 openbaar verkocht. De verkoopopbrengst was onvoldoende om de schuld van [eiser] aan Aegon te voldoen.

2.3. Op 12 oktober 1992 heeft Aegon [eiser] een brief gestuurd ter stuiting van haar vordering (pro resto hoofdsom, rente en kosten) op hem. Deze brief was geadresseerd aan de [adres 2] te Rotterdam.

2.4. Aegon heeft [eiser] vervolgens stuitingsbrieven gestuurd op 4 december 1992 (per adres notaris kantoor M.C. Moerenhout aan het Weena 666 te Rotterdam), 25 maart 1997 (aan het adres [adres 2] te Rotterdam), 24 september 1997 (per adres notaris kantoor M.C. Moerenhout aan het Weena 666 te Rotterdam), februari 2002 (aan het adres [adres 3] te Rotterdam) en 30 oktober 2006 (aan het adres [adres 3] te Rotterdam).

2.5. Volgens een uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie d.d. 18 september 2009 staat [eiser] sinds 14 juli 1987 ingeschreven op het adres [adres 3] te Rotterdam.

2.6. Op 27 maart 2009 is de grosse van de Akte aan [eiser] betekend met bevel om binnen twee dagen te voldoen:

“Restantschuld hypotheek € 69.162,09

Rente berekend tot en met 12 maart 2009 € 167.511,91

Nog te vervallen rente € p.m.

Incassokosten incl. b.t.w. € 1785,00

Kosten van dit exploot € 86,02

Totaal € 238545,02 + p.m.”

[eiser] heeft niet betaald.

2.7. Op 25 januari 2010 is uit kracht van een grosse van de Akte ten behoeve van Aegon en ten laste van [eiser] executoriaal derdenbeslag gelegd onder de stichting Stichting Pensioenfonds ABP te Heerlen (hierna: “het ABP”). Als gevolg van dit beslag wordt maandelijks op het pensioen van [eiser] een bedrag van € 574,99 ingehouden. Voor hem resteert € 670,41.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat het de voorzieningenrechter behage bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, met onmiddellijke ingang de opheffing te gelasten van het onder het ABP gelegde executoriaal derdenbeslag, met terugbetaling van de reeds uit dien hoofde ontvangen geldbedragen en met veroordeling van Aegon in de kosten van de procedure.

3.2. Het verweer van Aegon strekt tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Nu Aegon ter zitting heeft verklaard er mee in te stemmen dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam de onderhavige zaak behandelt, acht de voorzieningenrechter zich op grond van artikel 108 van het Wetboek van Rechtsvordering bevoegd.

4.2. Met betrekking tot het spoedeisend belang wordt overwogen dat het op zichzelf voldoende aannemelijk is – en door Aegon niet betwist – dat het beslag voor [eiser] zeer bezwaarlijk is omdat hij daardoor zijn normale lasten niet kan voldoen; in zoverre staat dus vast dat [eiser] een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening heeft. Aegon heeft echter gesteld dat [eiser] daarop geen beroep toekomt omdat dit spoedeisend belang door [eiser] is gecreëerd. Had hij – zoals door Aegon aan hem voorgesteld – in een bodemprocedure een verklaring voor recht gevraagd dat de vordering van Aegon op hem is verjaard (zoals hij stelt en Aegon betwist), dan had Aegon in afwachting van de uitkomst van die procedure geen executiemaatregelen genomen. [eiser] heeft echter geweigerd een bodemprocedure aanhangig te maken; daarom heeft Aegon beslag gelegd. Voor zover [eiser] door dit beslag in een financieel nijpende situatie terecht is gekomen, heeft hij dat dus aan zich zelf te wijten.

4.3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening en daarop ook een beroep kan doen, beantwoord dient te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. De enkele omstandigheid dat een eisende partij de thans ontstane situatie had kunnen voorkomen door een (andere) procedure aanhangig te maken is naar voorlopig oordeel onvoldoende om het oordeel te rechtvaardigen dat de eisende partij geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen heeft dan wel daarop geen beroep kan doen. Dit verweer wordt derhalve gepasseerd.

4.4. In dit kort geding gaat het er om of de vordering van Aegon op [eiser] is verjaard.

4.5. Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of de vordering van Aegon op [eiser] reeds vóór 1992 was verjaard. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.6. Het betreft hier een vordering tot betaling van een restanthypotheekschuld met rente en kosten. Voor een dergelijke vordering gold ingevolge het tot 1 januari 1992 geldende recht een verjaringstermijn van 30 jaar (artikel 2004 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: “BW”) (oud). De door [eiser] aangehaalde (per 1 januari 1992 vervallen) Wet van 31 oktober 1924 houdende voorschriften nopens de verjaring van geldvorderingen ten laste van het Rijk, de provinciën, de gemeenten en de waterschappen, veenschappen en veenpolders, Stb. 482 waarin in artikel 1 een verjaringstermijn van 5 jaar is opgenomen, is niet van toepassing, alleen al nu het hier geen vordering ten laste van een van de in die Wet bedoelde publiekrechtelijke lichamen betreft. Nu in confesso is dat sedert het ontstaan van de onderhavige vordering en 1 januari 1992 geen 30 jaar is verstreken, geldt naar voorlopig oordeel dat de vordering op 1 januari 1992 nog niet was verjaard.

4.7. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de verjaringstermijn tijdig is gestuit. Daartoe is van belang dat de verjaringstermijn krachtens het vanaf 1 januari 1992 geldende recht 5 jaar bedraagt (artikel 3:307 lid 1 BW) en dat ingevolge het overgangsrecht een vóór 1 januari 1992 aangevangen verjaringstermijn van één jaar of langer niet geacht wordt te zijn voltooid vóór 1 januari 1993 (artikel 68a en 73 Overgangswet Nieuw BW). De vraag is derhalve of de vordering vóór 1 januari 1993 is gestuit op de wijze als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW en vervolgens steeds binnen 5 jaar nadien.

4.8. Vooropgesteld wordt dat de stuiting van verjaring zoals hier aan de orde een rechtshandeling is zodat de daarvoor vereiste verklaring, wil deze rechtsgevolg hebben, degene tot wie de verklaring is gericht moet hebben bereikt (artikel 3:33 en 3:37 lid 3 BW). Voldoende aannemelijk is dat de brief van Aegon van 12 oktober 1992 (zie 2.3) [eiser] niet heeft bereikt, zoals hij heeft gesteld, omdat hij inmiddels was verhuisd. Met betrekking tot de vraag of de verjaringstermijn is gestuit door de ter attentie van [eiser], per adres notaris M.C. Moerenhout gestuurde stuitingsbrieven van 4 december 1992 en 24 september 1997, geldt het volgende.

4.9. Op grond van artikel 1:15 BW kan een persoon er voor kiezen voor één of meer bepaalde rechtshandelingen een andere dan zijn werkelijke woonplaats te kiezen, mits dit schriftelijk geschiedt en voor de gekozen woonplaats een redelijk belang aanwezig is. [eiser] heeft in de Akte “voor de uitvoering en alle gevolgen dezer akte” domicilie gekozen “ten kantore van de bewaarder deze minuut”. Niet gesteld of gebleken is dat er voor deze domiciliekeuze geen redelijk belang aanwezig was. Een dergelijke – volstrekt gebruikelijke – keuze dient in het algemeen het belang dat beide partijen over een eenvoudig kenbaar en te gebruiken adres beschikken voor aangelegenheden betreffende de – langdurige – hypotheek en bijbehorende lening. Dat dit belang in casu de reden voor de domiciliekeuze was ligt zeer voor de hand. Verder wordt er voorshands, gelet op de omschrijving in het deurwaardersexploot, van uitgegaan dat de onderhavige vordering (betreffende de restschuld van de hypotheek) voortvloeit uit de betreffende Akte en dat rechtshandelingen als gevolg van die vordering (waaronder maatregelen ter incasso en stuiting) als een gevolg van die Akte kunnen worden aangemerkt. Dat leidt er toe dat, alhoewel [eiser] zich wellicht niet gerealiseerd heeft dat hij de in de Akte ook woonplaats koos aan het kantooradres van de bewaarder van de Akte ter zake van de hierbedoelde rechtshandelingen, het er in dit kort geding voor wordt gehouden dat een stuitingsbrief gericht aan het in de Akte gekozen domicilie rechtsgevolg heeft. Dat de bewaarder deze mogelijk niet aan [eiser] heeft doorgestuurd en/of [eiser] die niet heeft ontvangen, doet daaraan niet af omdat dit Aegon niet kan worden tegengeworpen.

4.10. [eiser] heeft ter zitting gesteld dat de Akte is gepasseerd ten overstaan van notaris mr. H(endrikus) Jansen en niet ten overstaan van notaris mr. M.C. Moerenhout. Daarom moet worden beoordeeld of de stuitingsbrieven van 4 december 1992 en 24 september 1997 deugdelijk aan het gekozen domicilie zijn toegestuurd. Vooropgesteld wordt dat domicilie is gekozen ten kantore van “de bewaarder van de minuut” en dus niet ten kantore van mr. Jansen persoonlijk. Aegon heeft gesteld dat mr. M.C. Moerenhout ten tijde van het versturen van de betreffende stuitingsbrieven als opvolger van mr. Jansen bewaarder van de minuut was. [eiser] heeft dit wel betwist, maar nu hij die betwisting op geen enkele wijze heeft onderbouwd, wordt daaraan voorbijgegaan. Dat betekent dat voorshands wordt aangenomen dat de stuitingsbrieven van 4 december 1992 en 24 september 1997 deugdelijk aan het gekozen domicilie zijn verzonden.

4.11. Een en ander leidt tot de slotsom dat naar voorlopig oordeel de vordering van Aegon op [eiser] tot 24 september 2002 rechtsgeldig is gestuit. De stuitingsbrieven van februari 2002 en 30 oktober 2006 zijn gestuurd naar het adres waar [eiser] toen woonachtig was ([adres 3] te Rotterdam). Nu voldoende aannemelijk is geworden dat de brief van februari 2002 aangetekend is verzonden en [eiser] ter zitting heeft aangegeven de brief van 30 oktober 2006 te hebben ontvangen, moet voorshands worden aangenomen dat de vordering thans nog niet is verjaard.

4.12. Tussen partijen staat vast dat [eiser] niet heeft betaald, ondanks herhaalde verzoeken van Aegon daartoe. Partijen hebben wel overlegd over een betalingsregeling, maar dat heeft tot op heden nog niet tot enig resultaat geleid, met name niet – zo is ter zitting gebleken – vanwege het verschil van inzicht met betrekking tot de vraag of de vordering al dan niet verjaard is. Nu het er voor moet worden gehouden dat dat niet het geval is, geldt in het verlengde daarvan dat Aegon executoriaal beslag mocht leggen op het pensioen van [eiser]. De hypotheekakte levert immers een executoriale titel op. Executie zou, in een geval als dit, slechts ontoelaatbaar zijn als Aegon daarmee misbruik van recht maakt. Dat dit het geval is, is gesteld noch gebleken; de enkele bezwaarlijkheid is daartoe niet voldoende. Voor opheffing van dit beslag, zoals gevorderd, bestaat derhalve voorshands geen grond. Voor een belangenafweging is in een executiegeschil als het onderhavige slechts zeer beperkt ruimte. Tegen die achtergrond leidt die niet tot een ander oordeel, in welk verband tevens van belang is dat niet gesteld of gebleken is dat het beslag niet overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen is gelegd. De vordering zal derhalve worden afgewezen.

4.13. De voorzieningenrechter merkt ten overvloede nog op dat – mede gelet op de kosten die gemoeid met de incasso van de vordering door middel van het thans gelegde beslag – het de voorkeur verdient indien partijen met inachtneming van deze uitspraak alsnog een betalingsregeling treffen. Dit uitgangspunt is ter terechtzitting door beide partijen onderschreven. In dat verband kan wellicht worden meegewogen hoe de kwestie in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen zou worden afgewikkeld, zoals ook ter terechtzitting besproken.

4.14. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Aegon worden begroot op:

- vast recht EUR 263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.079,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Aegon tot op heden begroot op EUR 1.079,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Kalmthout, griffier.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 maart 2010.

1775/106?