Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL9999

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-04-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
09/1490
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit de Toelichting op de Rgb (Stcrt. 2007, 188) volgt dat de boete op een bedrag van € 2000,00 is vastgesteld, omdat er volgens verweerder signalen zijn dat de voorheen opgelegde boetes vaak als te weinig afschrikkend werden ervaren. Hoewel de rechtbank begrijpt dat een boete van € 2.000,00 door eiser als fors wordt ervaren, blijkt uit het vorengaande dat dit een welbewuste keuze is geweest van verweerder. Die keuze kan naar het oordeel van de rechtbank niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd.

Ten aanzien van de evenredigheid van de boete betoogt verweerder terecht dat de beslissing of een gewasbeschermingsmiddel wordt toegelaten, en zo ja, voor welke teelt, volledig bij het College ligt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/1490 BC

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser,

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde mr. G.R. Breederland.

1 Ontstaan en loop van de procedure

1.1 Bij besluit van 12 februari 2009 heeft verweerder eiser een boete van € 2.000,00 opgelegd wegens overtreding van bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: de Wgb) gestelde voorschriften. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 5 maart 2009 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 april 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2 Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 6 mei 2009 beroep ingesteld.

1.3 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2010. Eiser is ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren namens verweerder aanwezig ing. P. Voogd en A.C.L. Driessen.

2 Overwegingen

2.1 Ten aanzien van de vraag of het bestreden besluit door het bevoegde bestuursorgaan is genomen, overweegt de rechtbank als volgt.

2.1.1 Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wgb wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder Onze Minister, wat betreft gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van gewasbeschermingsmiddelen bestemd voor plantaardige producten die slechts een eenvoudige bewerking hebben ondergaan, verstaan: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Ingevolge artikel 90, eerste lid, van de Wgb, voor zover hier van belang, kan Onze Minister een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

2.1.2 Uit het bestreden besluit, dat is genomen door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Minister van LNV), blijkt niet dat dit in overeenstemming is gebeurd met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister van VROM), zoals artikel 1, eerste lid, van de Wgb vereist. Reeds hierom dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd. Bij brieven van 13 juli 2009 en 25 januari 2010 heeft de Minister van VROM evenwel verklaard dat het bestreden besluit in overeenstemming met hem is genomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten.

2.2 Met betrekking tot opgelegde boete overweegt de rechtbank als volgt.

2.2.1 Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Wgb, voor zover hier van belang, is het verboden te handelen in strijd met de voorschriften die krachtens de artikel 29 bij de toelating worden vastgesteld (de zogenaamde gebruiksvoorschriften).

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wgb geeft het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: het College) bij de toelating voorschriften omtrent de doeleinden waarvoor het gewasbeschermingsmiddel uitsluitend dan wel niet gebruikt mag worden.

Ingevolge artikel 90 van de Wgb, voor zover hier van belang, kan de Minister van LNV in overeenstemming met de Minister van VROM een bestuurlijke boete opleggen ter zake van een overtreding van artikel 22, eerste lid, van de Wgb.

Ingevolge artikel 96 van de Wgb, zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit, stemt de Minister van LNV in overeenstemming met de Minister van VROM, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Verkeer en Waterstaat, de hoogte van de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Hij houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Ingevolge artikel 9.6, eerste lid, van de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: de Rgb) wordt de hoogte van de bestuurlijke boete die overeenkomstig artikel 90 van de Wgb kan worden opgelegd, vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat in bijlage XIII voor de desbetreffende overtreding is vermeld. Ingevolge het tweede lid kan, indien de omstandigheden van het geval of de ernst van de overtreding daartoe aanleiding geven, in voorkomend geval een ander boetebedrag worden opgelegd dan vermeld in bijlage XIII.

Volgens bijlage XIII van de Rgb, getiteld “beleidsregels bestuurlijke boete gewasbeschermingsmiddelen en biociden”, voor zover hier van belang, hanteert verweerder voor overtreding van een door het College bij de toelating van een gewasbeschermingsmiddel gesteld voorschrift als bedoeld in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Wgb een standaardboete van € 2.000,00.

2.2.2 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 27 augustus 2008 heeft de Algemene Inspectiedienst (hierna: de AID) op een fruitperceel aan [adres] te [plaats] bladmonsters genomen van de perenbomen van eiser. Uit het op grond van de bladmonsters opgestelde en op 27 oktober 2008 gedateerde analyserapport blijkt dat daarop drie middelen zijn aangetroffen, die blijkens het boeterapport zijn toegelaten in de perenteelt. Voorts is door de controleurs van de AID op 20 oktober 2008 eisers spuitadministratie ontvangen en aan de hand daarvan is een vermoedelijke overtreding geconstateerd. Op 11 december 2008 zijn controleurs van de AID opnieuw naar het perceel van eiser gegaan en is eiser in kennis gesteld van hun bevindingen, te weten dat is gebleken dat eiser het gewasbeschermingsmiddel Ethrel A op zijn perenbomen heeft toegepast, terwijl dat middel blijkens de gebruiksvoorschriften niet is toegelaten in de perenteelt. Van deze bevindingen heeft de AID een boeterapport opgesteld. Bij besluit van 12 februari 2009 heeft verweerder eiser wegens overtreding van artikel 22, eerste lid, van de Wgb, een boete van € 2.000,00 opgelegd.

2.2.3 Niet in geschil is dat eiser op 24 september 2008 Ethrel A op zijn perenbomen heeft gespoten en dat hij daarmee een voorschrift als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wgb heeft overtreden.

2.2.4 Eiser betoogt dat de ernst van de overtreding niet een boete van € 2.000,00 rechtvaardigt. In dat kader voert hij aan dat het middel wel voor appels is toegelaten en dat de toelating voor peren vanwege een procedurele fout niet is doorgegaan. De toelating is opnieuw aangevraagd en er wordt in 2011 een beslissing van het College verwacht. Verder vormt Ethrel A geen gevaar voor het milieu, omdat het een stof is die van nature in peren voorkomt, en evenmin voor de volksgezondheid, omdat de bomen zijn bespoten op een moment dat er geen vruchten aan zaten. Eiser stelt voorts dat hij naar eerlijkheid heeft verklaard Ethrel A op zijn perenbomen te hebben gespoten en dat hij nu voor die eerlijkheid wordt bestraft. Daarnaast wordt zijn fout gelijk bestraft met een hoge boete, terwijl verweerder in het besluit van 12 februari 2009 ook een fout heeft gemaakt die echter geen gevolgen heeft. Ten slotte voelt eiser zich niet serieus genomen door verweerder en heeft hij het gevoel dat de standaardboete van € 2.000,00 uit de computer is komen rollen zonder dat naar de specifieke omstandigheden van het geval is gekeken. Hierom is eiser van mening dat verweerder had dienen te volstaan met een lagere boete of de boete in het geheel niet had moeten opleggen.

2.2.5 Verweerder heeft bij de oplegging van de boete overeenkomstig zijn eigen beleidsregel, dat bij overtreding van een voorschrift als bedoeld artikel 29, eerste lid, van de Wgb een boete van € 2.000,00 wordt opgelegd, gehandeld. Uit de Toelichting op de Rgb (Stcrt. 2007, 188) volgt dat die boete op dit bedrag is vastgesteld, omdat er volgens verweerder signalen zijn dat de voorheen opgelegde boetes vaak als te weinig afschrikkend werden ervaren. Hoewel de rechtbank begrijpt dat een boete van € 2.000,00 door eiser als fors wordt ervaren, blijkt uit het vorengaande dat dit een welbewuste keuze is geweest van verweerder. Die keuze kan naar het oordeel van de rechtbank niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op grond van de artikelen 96 van de Wgb (oud) en 9.6, tweede lid, van de Rgb dient te worden beoordeeld of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zonodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

2.2.6 Ten aanzien van de evenredigheid van de boete betoogt verweerder terecht dat de beslissing of een gewasbeschermingsmiddel wordt toegelaten, en zo ja, voor welke teelt, volledig bij het College ligt. Het eventuele gevaar voor de volksgezondheid dan wel voor het milieu zijn omstandigheden die in die beslissing worden meegewogen. Het is niet aan eiser om, vooruitlopend op een thans nog onzekere beslissing op de aanvraag voor toelating van Ethrel A in de perenteelt, dit middel alvast te gaan toepassen in die teelt, omdat hij meent dat bedoelde gevaren zich niet voordoen. Dat eiser naar waarheid heeft verklaard dat hij Ethrel A voor de perenteelt heeft gebruikt, is evenmin een omstandigheid die verweerder had moeten nopen om van de standaardboete af te wijken. Eiser is immers gehouden naar waarheid te verklaren. Dat er, naar eiser stelt, anderen zijn die het gebruik van Ethrel A in de perenteelt verzwijgen, ontslaat eiser niet van die verplichting. Ook de omstandigheid dat verweerder in het primaire besluit van 12 februari 2009 abusievelijk een verkeerde datum heeft opgenomen, doet niet af aan de ernst van de overtreding. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid tot de oplegging van een boete heeft kunnen komen of dat de boete als onevenredig hoog moet worden aangemerkt.

2.2.7 Uit de besluitvormingsprocedure volgt dat verweerder op genoegzame wijze de verklaringen en bezwaren van eiser heeft meegenomen bij het nemen van het bestreden besluit. Voor de stelling van eiser dat verweerder onvoldoende serieus naar zijn zaak heeft gekeken, en dus onzorgvuldig zou hebben gehandeld, bestaat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond.

2.2.8 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.

2.3 Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit;

3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

4 bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 150,00 vergoedt.

Aldus gedaan door mr. J. de Gans, voorzitter, en mr.drs. H. van den Heuvel en mr. E.A. Poppe-Gielesen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 2 april 2010.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: