Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL9997

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-04-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
08/5259
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eisers stelling, dat hij beboet had moeten worden op grond van artikel 18 van de Wgb en niet op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wgb, volgt de rechtbank niet. Hoewel tussen partijen niet in geschil is dat eiser het sloottalud niet opzettelijk heeft bespoten, ligt de omstandigheid dat het middel minimaal op een strook van 250 meter op het sloottalud terecht is gekomen, in de risicosfeer van eiser. Omdat dit een rechtstreeks gevolg is van de wijze van het bespuiten door eiser van het perceel, valt dit naar het oordeel van de rechtbank niet te scharen onder de zorgplicht, maar onder de plicht die eiser heeft om bij het bespuiten te handelen volgens de gebruiksvoorschriften.

Uit de Toelichting op de Rgb (Stcrt. 2007, 188) volgt dat de boete op een bedrag van € 2000,00 is vastgesteld, omdat er volgens verweerder signalen zijn dat de voorheen opgelegde boetes vaak als te weinig afschrikkend werden ervaren. Hoewel de rechtbank begrijpt dat een boete van € 2.000,00 door eiser als fors wordt ervaren, blijkt uit het vorengaande dat dit een welbewuste keuze is geweest van verweerder. Die keuze kan naar het oordeel van de rechtbank niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd.

Het had op de weg van eiser gelegen om ook op een windstille dag voldoende voorzorgsmaatregelen te treffen om de invloed van een plotseling opstekende wind te voorkomen. Zo al uit moet worden gegaan van de juistheid van de stelling dat het milieu geen blijvende schade heeft opgelopen als gevolg van het bespuiten van het talud, behoefde verweerder hierin geen aanleiding te zien om de boete te matigen. De Wgb is immers vastgesteld om ook tijdelijke schade aan het milieu te voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/5259 BC

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser,

gemachtigde mr. P. Sipma, advocaat te Drachten,

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde mr. J.A. Diephuis.

1 Ontstaan en loop van de procedure

1.1 Bij besluit van 3 juli 2008 heeft verweerder eiser een boete van € 2.000,00 opgelegd wegens overtreding van bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: de Wgb) gestelde voorschriften. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 10 juli 2008 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 5 december 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2 Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 16 december 2008 beroep ingesteld.

1.3 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2010. Eiser was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was namens verweerder aanwezig ing. P. Voogd.

2 Overwegingen

2.1 Ten aanzien van de vraag of het bestreden besluit door het bevoegde bestuursorgaan is genomen, overweegt de rechtbank als volgt.

2.1.1 Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wgb wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder Onze Minister, wat betreft gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van gewasbeschermingsmiddelen bestemd voor plantaardige producten die slechts een eenvoudige bewerking hebben ondergaan, verstaan: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Ingevolge artikel 90, eerste lid, van de Wgb, voor zover van belang, kan Onze Minister een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

2.1.2 Uit het bestreden besluit, dat is genomen door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Minister van LNV), blijkt niet dat dit in overeenstemming is gebeurd met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister van VROM), zoals artikel 1, eerste lid, van de Wgb vereist. Reeds hierom dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd. Bij brief van 25 januari 2010 heeft de Minister van VROM evenwel verklaard dat het bestreden besluit in overeenstemming met hem is genomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten.

2.2 Met betrekking tot opgelegde boete overweegt de rechtbank als volgt.

2.2.1 Ingevolge artikel 18 van de Wgb, voor zover hier van belang, is een ieder verplicht ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen of de tot die middelen behorende werkzame stoffen alsmede ten aanzien van lege verpakkingen voldoende zorg in acht te nemen (de zogenaamde zorgplicht).

Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Wgb, voor zover hier van belang, is het verboden te handelen in strijd met de voorschriften die krachtens de artikelen 29 bij de toelating worden vastgesteld (de zogenaamde gebruiksvoorschriften).

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wgb geeft het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: het College) bij de toelating voorschriften omtrent de doeleinden waarvoor het gewasbeschermingsmiddel uitsluitend dan wel niet gebruikt mag worden.

Ingevolge artikel 90 van de Wgb, voor zover hier van belang, kan de Minister van LNV in overeenstemming met de Minister van VROM een bestuurlijke boete opleggen ter zake van een overtreding van artikel 22, eerste lid, van de Wgb.

Ingevolge artikel 96 van de Wgb, zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit, stemt de Minister van LNV in overeenstemming met de Minister van VROM, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Verkeer en Waterstaat, de hoogte van de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Hij houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Ingevolge artikel 9.6, eerste lid, van de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: de Rgb) wordt de hoogte van de bestuurlijke boete die overeenkomstig artikel 90 van de Wgb kan worden opgelegd, vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat in bijlage XIII voor de desbetreffende overtreding is vermeld. Ingevolge het tweede lid kan, indien de omstandigheden van het geval of de ernst van de overtreding daartoe aanleiding geven, in voorkomend geval een ander boetebedrag worden opgelegd dan vermeld in bijlage XIII.

Volgens bijlage XIII van de Rgb, getiteld “beleidsregels bestuurlijke boete gewasbeschermingsmiddelen en biociden”, voor zover hier van belang, hanteert verweerder voor overtreding van een door het College bij de toelating van een gewasbeschermingsmiddel gesteld voorschrift als bedoeld in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Wgb een standaardboete van € 2.000,00.

2.2.2 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 21 april 2008 heeft de Algemene Inspectiedienst (hierna: de AID) geconstateerd dat het sloottalud nabij [adres] te [plaats] over een lengte van 400 meter een geel/bruine verkleuring vertoonde. Nadat de AID eiser ter plaatse had aangetroffen en aangesproken, heeft eiser verklaard dat hij op 15 maart 2008 het gewasbeschermingsmiddel Clinic heeft gebruikt. Blijkens het wettelijk gebruiksvoorschrift is het niet toegestaan dit middel op sloottaluds te spuiten. Eiser heeft verklaard dat hij het te bespuiten stuk land van tevoren heeft uitgezet met twee piketpaaltjes en dat het middel waarschijnlijk door de wind op de slootkant is gewaaid. Van deze bevindingen heeft de AID een boeterapport opgesteld. Bij besluit van 3 juli 2008 heeft verweerder eiser wegens overtreding van artikel 22, eerste lid, van de Wgb, een boete van € 2000,00 opgelegd.

2.2.3 Eiser stelt dat hij is begonnen met het bespuiten van het grasland op een moment dat het vrijwel windstil was en dat hij tijdens het spuiten is verrast door wat wind, waardoor een kleine strook van ongeveer 250 meter in het sloottalud bruin/geel is geworden. Dit stuk is niet bewust bespoten. Eiser stelt dat hij dan ook beboet had moeten worden op grond van artikel 18 van de Wgb en niet op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wgb. Bovendien is het middel in een heel lichte dosering op het sloottalud terechtgekomen, aangezien het gras na een paar maanden weer helemaal groen was en de wortels dus niet zijn aangetast. Het spuitmiddel heeft derhalve geen blijvende schade tot gevolg gehad. Hierom is eiser van mening dat verweerder had dienen te volstaan met een waarschuwing of een lagere boete. De hoogte van de boete is, gezien de overtreding alsmede eisers inkomen, disproportioneel.

2.2.4 Eisers stelling, dat hij beboet had moeten worden op grond van artikel 18 van de Wgb en niet op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wgb, volgt de rechtbank niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij geen gebruik maakt van een GPS-systeem, dat hij twee piketpaaltjes heeft geslagen, en dat hij een afstand tot de insteek heeft aangehouden van 30 centimeter. Ook heeft hij gesteld dat de eerste 500 meter en de laatste 100 meter goed zijn gegaan. Hoewel tussen partijen niet in geschil is dat eiser het sloottalud niet opzettelijk heeft bespoten, is de rechtbank gezien het voorgaande van oordeel dat de omstandigheid dat het middel minimaal op een strook van 250 meter op het sloottalud terecht is gekomen, in de risicosfeer van eiser ligt. Omdat dit een rechtstreeks gevolg is van de wijze van het bespuiten door eiser van het perceel, valt dit naar het oordeel van de rechtbank niet te scharen onder de zorgplicht, maar onder de plicht die eiser heeft om bij het bepuiten te handelen volgens de gebruiksvoorschriften die het College krachtens artikel 29 van de Wgb heeft gesteld, zoals opgenomen in bijlage 5 bij het boeterapport. Om die reden heeft verweerder op goede gronden artikel 22, eerste lid, van de Wgb aan de boete ten grondslag gelegd.

2.2.5 Verweerder heeft bij de oplegging van de boete overeenkomstig zijn eigen beleidsregel, dat bij overtreding van een voorschrift als bedoeld artikel 22, eerste lid, van de Wgb een boete van € 2.000,00 wordt opgelegd, gehandeld. Uit de Toelichting op de Rgb (Stcrt. 2007, 188) volgt dat die boete op dit bedrag is vastgesteld, omdat er volgens verweerder signalen zijn dat de voorheen opgelegde boetes vaak als te weinig afschrikkend werden ervaren. Hoewel de rechtbank begrijpt dat een boete van € 2.000,00 door eiser als fors wordt ervaren, blijkt uit het vorengaande dat dit een welbewuste keuze is geweest van verweerder. Die keuze kan naar het oordeel van de rechtbank niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op grond van de artikelen 96 van de Wgb (oud) en 9.6, tweede lid, van de Rgb dient te worden beoordeeld of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zonodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

2.2.6 Eiser stelt dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van de overtreding, nu hij op een windstille dag is overvallen door een windvlaag als gevolg waarvan ook het talud is bespoten. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit echter niet dat eiser de overtreding niet of niet geheel kan worden toegerekend. Het had namelijk op de weg van eiser gelegen om ook op een windstille dag voldoende voorzorgsmaatregelen te treffen om de invloed van een plotseling opstekende wind te voorkomen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het bij het spuiten gebruik maken van een windmeter, het meer afstand houden van het sloottalud en geen gebruik maken van een geheel afgesloten cabine op de tractor.

Zo al uit moet worden gegaan van de juistheid van de stelling dat het milieu geen blijvende schade heeft opgelopen als gevolg van het bespuiten van het talud, behoefde verweerder hierin geen aanleiding te zien om de boete te matigen. De Wgb is immers vastgesteld om ook tijdelijke schade aan het milieu te voorkomen.

2.2.7 Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid tot de oplegging van een boete heeft kunnen komen of dat de boete als onevenredig hoog moet worden aangemerkt. Om die reden zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand laten.

2.3 Nu de vernietiging van het bestreden besluit op formele gronden is gebaseerd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand worden gelaten, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit;

3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

4 bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 145,00 vergoedt.

Aldus gedaan door mr.drs. H. van den Heuvel, voorzitter, en mr. J. de Gans en mr. E.A. Poppe-Gielesen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 2 april 2010.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: