Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL9996

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-04-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
09/763
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit de Toelichting op de Rgb (Stcrt. 2007, 188) volgt dat de boete op een bedrag van € 2000,00 is vastgesteld, omdat er volgens verweerder signalen zijn dat de voorheen opgelegde boetes vaak als te weinig afschrikkend werden ervaren. Hoewel de rechtbank begrijpt dat een boete van € 2.000,00 door eiser als fors wordt ervaren, blijkt uit het vorengaande dat dit een welbewuste keuze is geweest van verweerder. Die keuze kan naar het oordeel van de rechtbank niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd.

Verweerder betoogt terecht dat eiseres zich via de website van het College ervan heeft kunnen vergewissen of de middelen die op voorraad zijn, (nog) zijn toegelaten. Het ligt op de weg van eiseres om haar voorraad goed te beheren. De opgebruiktermijn van een jaar kan niet als onredelijk worden beschouwd, zelfs indien in een deel van het jaar niet of nauwelijks wordt gespoten. Eiseres wist voorafgaand aan de controle al dat het middel uit de handel was genomen en had zich er om die reden des te meer van dienen te vergewissen of de opgebruiktermijn niet reeds was verstreken. Voorts is het middel door eiseres na het verstrijken van de opgebruiktermijn nog twee keer gebruikt. Ten slotte overweegt de rechtbank dat eiseres niet heeft aannemelijk gemaakt dat de onderneming in verhouding met andere ondernemingen dermate klein van omvang is, dat een boete van € 2.000,00 als onevenredig hoog moet worden aangemerkt. Daarnaast heeft verweerder ter zitting toegelicht dat het in de rede ligt om bij wezenlijk grotere ondernemingen dan eiseres een hogere boete dan de standaardboete op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/763 BC

Uitspraak in het geding tussen

Bloembollenkwekerij [naam], gevestigd te [plaats], eiseres,

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde mr. G.R. Breederland.

1 Ontstaan en loop van de procedure

1.1 Bij besluit van 28 augustus 2008 heeft verweerder eiseres een boete van € 2.000,00 opgelegd wegens overtreding van bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: de Wgb) gestelde voorschriften. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 6 oktober 2008 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 november 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2 Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van

29 december 2008 beroep ingesteld.

1.3 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2010. Namens eiseres is de heer [naam], algemeen directeur, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren namens verweerder aanwezig ing. P. Voogd en A.C.L. Driessen.

2 Overwegingen

2.1 Ten aanzien van de vraag of het bestreden besluit door het bevoegde bestuursorgaan is genomen, overweegt de rechtbank als volgt.

2.1.1 Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wgb wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder Onze Minister, wat betreft gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van gewasbeschermingsmiddelen bestemd voor plantaardige producten die slechts een eenvoudige bewerking hebben ondergaan, verstaan: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Ingevolge artikel 90, eerste lid, van de Wgb, voor zover van belang, kan Onze Minister een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

2.1.2 Uit het bestreden besluit, dat is genomen door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Minister van LNV), blijkt niet dat dit in overeenstemming is gebeurd met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister van VROM), zoals artikel 1, eerste lid, van de Wgb vereist. Reeds hierom dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd. Bij brief van 25 januari 2010 heeft de Minister van VROM evenwel verklaard dat het bestreden besluit in overeenstemming met hem is genomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten.

2.2 Met betrekking tot opgelegde boete overweegt de rechtbank als volgt.

2.2.1 Ingevolge artikel 20 van de Wgb, voor zover hier van belang, is het verboden een gewasbeschermingsmiddel voorhanden of in voorraad te hebben, dat niet ingevolge deze wet is toegelaten.

Ingevolge artikel 90 van Wgb, voor zover hier van belang, kan de Minister van LNV in overeenstemming met de Minister van VROM een bestuurlijke boete opleggen ter zake van een overtreding van artikel 20 van de Wgb.

Ingevolge artikel 96 van de Wgb, zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit, stemt de Minister van LNV in overeenstemming met de Minister van VROM, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Verkeer en Waterstaat, de hoogte van de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Hij houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Ingevolge artikel 9.6, eerste lid, van de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: de Rgb) wordt de hoogte van de bestuurlijke boete die overeenkomstig artikel 90 van de Wgb kan worden opgelegd, vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat in bijlage XIII voor de desbetreffende overtreding is vermeld. Ingevolge het tweede lid kan, indien de omstandigheden van het geval of de ernst van de overtreding daartoe aanleiding geven, in voorkomend geval een ander boetebedrag worden opgelegd dan vermeld in bijlage XIII.

Volgens bijlage XIII van de Rgb, getiteld “beleidsregels bestuurlijke boete gewasbeschermingsmiddelen en biociden”, voor zover hier van belang, hanteert verweerder voor het voorhanden of op voorraad hebben van een niet in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel een standaardboete van € 2.000,00.

2.2.2 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 28 mei 2008 heeft de Algemene Inspectiedienst (hierna: de AID) op het adres [adres] te [plaats] een controle uitgevoerd in het kader van het controleplan “Bloembollenteelt gebruik herbiciden 2008”. Nadat de AID de heer [naam] ter plaatse had aangetroffen en aangesproken, is geconstateerd dat hij in zijn bewaarplaats van de gewasbeschermingsmiddelen ongeveer 0,5 liter van het middel Ronilan FL voorhanden had. De toelating van dit middel is met ingang van 31 december 2006 door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: het College) ingetrokken. Het middel mocht nog van 1 januari 2007 tot 1 juli 2007 worden verkocht en van 1 januari 2007 tot 1 januari 2008 nog worden gebruikt en ten behoeve van het gebruik voorhanden of in voorraad worden gehouden. De heer [naam] heeft verklaard het middel op 29 maart 2008 en 12 april 2008 te hebben gebruikt. Hij wist wel dat het middel uit de handel was genomen, maar niet dat de opgebruiktermijn al was verstreken. Van deze bevindingen heeft de AID een boeterapport opgesteld. Bij besluit van 28 augustus 2008 heeft verweerder eiseres wegens overtreding van artikel 20 van de Wgb een boete van € 2.000,00 opgelegd.

2.2.3 Eiseres heeft de juistheid van de bevindingen en conclusies als vastgelegd in het boeterapport van 24 juni 2008 niet bestreden. Niet in geschil is dat voornoemde gedraging een overtreding is van artikel 20 van de Wgb.

2.2.4 Eiseres heeft gesteld dat het middel zorgvuldig is toegepast en alleen met betrekking tot de opgebruiktermijn niet is opgelet. Doordat de opgebruiktermijn viel in een periode waarin weinig gespoten wordt, is gezien het aantal bespuitingen en de lage dosering, een kleine hoeveelheid Ronilan in de bestrijdingsmiddelenkast blijven staan. Er is geen sprake van een ernstige overtreding. Volgens de letter van de wet is inderdaad niet juist gehandeld, maar de boete is buitensporig hoog. Eiseres is een kleine kweker en grotere kwekers worden voor hetzelfde bedrag beboet, zodat de boete voor haar dus veel zwaarder weegt. Eiseres verwacht van de controlerende instanties dat zij rekening houden met de feiten en omstandigheden. Hierom en ook omdat niet eerder overtredingen zijn begaan, is eiseres van mening dat verweerder had dienen te volstaan met een waarschuwing of een voorwaardelijke dan wel lagere boete.

2.2.5 Verweerder heeft bij de oplegging van de boete overeenkomstig zijn eigen beleidsregel, dat bij overtreding van een voorschrift als bedoeld artikel 20 van de Wgb een boete van € 2.000,00 wordt opgelegd, gehandeld. Uit de Toelichting op de Rgb (Stcrt. 2007, 188) volgt dat die boete op dit bedrag is vastgesteld, omdat er volgens verweerder signalen zijn dat de voorheen opgelegde boetes vaak als te weinig afschrikkend werden ervaren. Hoewel de rechtbank begrijpt dat een boete van € 2.000,00 door eiseres als fors wordt ervaren, blijkt uit het vorengaande dat dit een welbewuste keuze is geweest van verweerder. Die keuze kan naar het oordeel van de rechtbank niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op grond van de artikelen 96 van de Wgb (oud) en 9.6, tweede lid, van de Rgb dient te worden beoordeeld of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zonodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

2.2.6 Ten aanzien van de evenredigheid betoogt verweerder terecht dat eiseres zich via de website van het College ervan heeft kunnen vergewissen of de middelen die op voorraad zijn, (nog) zijn toegelaten. Ten aanzien van de stelling van eiseres, dat de opgebruiktermijn grotendeels samenviel met een periode waarin niet of nauwelijks wordt gespoten, overweegt de rechtbank dat het desondanks op de weg van eiseres ligt om haar voorraad goed te beheren. De opgebruiktermijn van een jaar kan naar het oordeel van de rechtbank niet als onredelijk worden beschouwd, zelfs indien in een deel van het jaar niet of nauwelijks wordt gespoten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres voorafgaand aan de controle al wist dat het middel uit de handel was genomen en zich er om die reden des te meer van had dienen te vergewissen of de opgebruiktermijn niet reeds was verstreken. Voorts heeft verweerder in zijn oordeel kunnen betrekken dat het middel door eiseres na het verstrijken van de opgebruiktermijn nog twee keer is gebruikt. Ten slotte overweegt de rechtbank dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de onderneming in verhouding met andere ondernemingen dermate klein van omvang is, dat een boete van € 2.000,00 als onevenredig hoog moet worden aangemerkt. Daarnaast heeft verweerder ter zitting toegelicht dat het in de rede ligt om bij wezenlijk grotere ondernemingen dan eiseres een hogere boete dan de standaardboete op te leggen.

2.2.7 Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid tot de oplegging van een boete heeft kunnen komen of dat de boete als onevenredig hoog moet worden aangemerkt. Om die reden zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

2.3 Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit;

3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

4 bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 145,00 vergoedt.

Aldus gedaan door mr. E.A. Poppe-Gielesen, voorzitter, en mr.drs. H. van den Heuvel en mr. J. de Gans, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2010.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: