Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL9484

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
30-03-2010
Zaaknummer
339994 / HA ZA 09-2812
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opdrachtovereenkomst. Bestaat opdrachtnemer nog na ontbinding rechtspersoon? Uit sommaties blijkt summierlijk van baten. Te traag gereageerd jegens fiscus: wanprestatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 339994 / HA ZA 09-2812

Uitspraak: 24 maart 2010

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VERZEKERINGS- EN FINANCIERINGSMAATSCHAPPIJ ASVERO B.V. ,

gevestigd te Rockanje,

eiseres,

advocaat mr. J.H.M. Nijhuis,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ADMINISTRATIEKANTOOR SCHOLTES B.V.,

gevestigd te Stellendam,

gedaagde,

advocaat mr. P. Smit.

Partijen worden hierna aangeduid als "Asvero" respectievelijk "Scholtes".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 25 september 2009 met producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 9 december 2009, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- brief met bijlagen d.d. 12 januari 2010 van mr. Nijhuis;

- B-formulier met bijlagen d.d. 25 januari 2010 van mr. Smit;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 9 februari 2010;

- de stukken van het op verzoek van Asvero en ten laste van Scholtes onder v.o.f. Adfika (hierna: Adfika) gelegde conservatoire beslag.

2 De vaststaande feiten

2.1 Tussen partijen heeft een opdrachtovereenkomst bestaan op grond waarvan Scholtes boekhoudkundige en fiscale werkzaamheden ten behoeve van Asvero verrichtte.

2.2 In 2008 heeft de belastingdienst onderzoek gedaan naar de boeken van Asvero. Dat onderzoek heeft geresulteerd in een rapport van 7 mei 2008, waarin de belastingdienst op verschillende punten komt tot correcties.

2.3 Scholtes heeft in 2008 en 2009 bij verschillende gelegenheden overleg gehad met de belastingdienst naar aanleiding van het in 2.2 bedoelde rapport.

2.4 Bij twee brieven van 8 mei 2009 heeft de belastingdienst aan Asvero aanslagen loonbelastingen en premie volksverzekeringen opgelegd. Beide brieven voeren als kop “Uitspraak op bezwaarschrift”. De eerste brief heeft als nummer 71.27.613.A.01.550.0 en ziet op het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005 (hierna: aanslag 550.0). Deze aanslag vermeldt een totaal vastgesteld bedrag van € 4.748,= en als bedragen ter zake van boete en rente:

“Nieuw vastgestelde boete bij € 374

Nieuw vastgestelde heffingsrente

Voor 2003 […] bij € 340

Voor 2004 […] bij € 192

Voor 2005 […] bij € 95”

De tweede brief heeft als nummer 71.27.613.A.01.550.1 en ziet op het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 (hierna: aanslag 550.1). Deze aanslag vermeldt een totaal vastgesteld bedrag van € 3.809,=.

2.5 In de eerste helft van 2009 heeft Scholtes haar bedrijf beëindigd. Zij heeft haar klantenportefeuille overgedragen aan Adfika.

2.6 Bij brieven van 11 september 2009 heeft Scholtes twee ingebrekestellingen verzonden in verband met niet betaalde facturen, waaronder één aan Asvero.

3 De vordering

De vordering luidt – verkort weergegeven – om Scholtes te veroordelen tot betaling van

€ 7.919,37, met rente en kosten. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Asvero aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Na het door de belastingdienst verrichte boekenonderzoek heeft Scholtes vragen van de belastingdienst niet afdoende beantwoord. Zij heeft in onvoldoende mate stukken aan de belastingdienst ter beschikking gesteld, zodat de belastingdienst uiteindelijk genoodzaakt was zonder die stukken te beslissen. Als gevolg daarvan heeft de belastingdienst de in 2.4 bedoelde aanslagen opgelegd. Scholtes heeft aldus niet de zorg betracht die van een redelijk handelend en redelijk vakbekwaam opdrachtnemer mag worden verwacht. Zij heeft wanprestatie gepleegd.

3.2 Scholtes is gehouden de als gevolg van die wanprestatie geleden schade te vergoeden. De schade bestaat uit het gevorderde bedrag. Dit bedrag bestaat uit de volgende elementen, verkort weergegeven:

- aanslag 550.1 € 3.809,=

- boete aanslag 550.1 € 298,=

- rente aanslag 550.1 € 143,=

- gemiste vermindering aanslag 550.0 € 594,=

- boete aanslag 550.0 € 363,=

- rente aanslag 550.0 € 226,=

- boete UW € 116,=

- naheffing UWV € 2.370,37.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Asvero in de kosten van het geding. Scholtes heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Scholtes bestaat niet meer. Zij is ontbonden en vervolgens bij gebrek aan baten opgehouden te bestaan. Asevero is dus niet-ontvankelijk.

4.2 Scholtes heeft geen wanprestatie gepleegd. Zij heeft afdoende op vragen van de belastingdienst gereageerd.

4.3 Asvero heeft geen schade geleden. Het enige dat aan naheffingen is overgebleven is een bedrag van € 3.800,= ter zake ten onrechte opgevoerde lagelonenaftrek. Dat bedrag is opgelegd bij aanslag 550.1 die in de plaats is gekomen van aanslag 550.0. Die onjuiste opgave was het gevolg van een fout in een door Scholtes gebruikt computerprogramma. Dat bedrag is echter geen schade omdat Asvero dat hoe dan ook zou zijn verschuldigd. Hooguit kan een bedrag van boete en rente vanwege te late afdracht worden aangemerkt als schade. Voor zover de vordering ziet op een naheffing van het UWV geldt dat deze vordering sowieso prematuur is, nu het UWV nog geen naheffing heeft opgelegd.

4.4 Voor zover zou blijken dat Scholtes op enig moment niet tijdig heeft gereageerd, kwam haar een opschortingsrecht toe in verband met door Asvero onbetaald gelaten facturen.

5 De beoordeling

5.1 Partijen twisten allereerst over de vraag of Scholtes nog bestaat. Scholtes stelt zich op het standpunt dat zij niet meer bestaat, nu zij op 31 juli 2009 is ontbonden en de daarop volgende vereffening op 14 augustus 2009 bij gebrek aan baten is afgerond. Asvero heeft dit standpunt bestreden en daartoe onder meer gewezen op de in 2.6 bedoelde ingebrekestellingen, waaruit volgens haar blijkt dat nog wel degelijk baten aanwezig waren. De rechtbank overweegt als volgt.

5.2 Niet ter discussie staat dat de aandeelhouder van Scholtes op 31 juli 2009 heeft besloten tot ontbinding. Ontbinding leidt op zichzelf niet tot het einde van het bestaan van de rechtspersoon. Dat is pas het geval indien – al dan niet na vereffening – blijkt dat de rechtspersoon geen baten meer heeft (artikelen 2:19 leden 4 en 6 jo. 2:23b lid 9 BW). Het oordeel van de vereffenaar dat geen baten meer aanwezig zijn is vatbaar voor toetsing door de rechter. Die toetsing behoeft niet persé plaats te vinden in het kader van een procedure tot heropening van de vereffening als bedoeld in artikel 2:23c BW. Komt de rechter tot het oordeel dat summierlijk is gebleken van feiten die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn, dan moet de desbetreffende rechtspersoon geacht worden voor de afwikkeling van de vereffening te zijn blijven bestaan (HR 27 januari 1995, NJ 1995, 579).

5.3 In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat summierlijk is gebleken van het bestaan van baten, zodat Scholtes niet is opgehouden te bestaan. Vast staat immers dat Scholtes nog op 11 september 2009 twee ingebrekestellingen in verband met onbetaald gebleven facturen heeft verzonden. Daaruit kan niet anders volgen dan dat Scholtes op dat moment nog een vordering op twee partijen had. Een vordering geldt vanzelfsprekend als bate van de rechtspersoon. Gesteld noch gebleken is dat die vorderingen inmiddels niet meer bestaan. Nu aldus summierlijk is gebleken dat Scholtes nog baten heeft, moet zij geacht worden te zijn blijven bestaan. Dat betekent dat Asvero ontvankelijk is in haar vordering.

5.4 Ter comparitie is komen vast te staan dat Scholtes niet (langer) betwist dat als gevolg van een fout in het door haar gebruikte computerprogramma een te hoog bedrag is opgevoerd ter zake lagelonenaftrek en dat zij voor die fout verantwoordelijk is. In zoverre is dus sprake van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van Scholtes.

5.5 Asvero legt overigens aan haar vordering ten grondslag – zo begrijpt de rechtbank – het standpunt dat Scholtes niet als goed opdrachtnemer heeft gehandeld door de belastingdienst in het kader van diens boekenonderzoek niet tijdig van voldoende informatie te voorzien. Tussen partijen staat op zichzelf niet ter discussie dat van Scholtes als opdrachtnemer verwacht mocht worden de belastingdienst tijdig van voldoende informatie te voorzien. Scholtes betwist evenwel dat zij in de nakoming van die verplichting zou zijn tekort geschoten. Hieromtrent oordeelt de rechtbank als volgt.

5.6 Ter onderbouwing van haar standpunt heeft Asvero onder meer gewezen op het door de belastingdienst opgestelde rapport van 7 mei 2008. De belastingdienst beschrijft daarin onder meer dat hij voor het eerst op 10 maart 2008 om nadere informatie heeft verzocht, dat hij nadien regelmatig zonder resultaat heeft gerappelleerd en dat hij uiteindelijk zonder die nadere informatie rapport heeft opgesteld. Verder heeft Asvero stukken overgelegd die zien op het verloop van de bezwaarprocedure die kennelijk is gevolgd op besluiten van de belastingdienst naar aanleiding van het boekenonderzoek. Uit de brief van de belastingdienst aan Scholtes van 10 april 2009 blijkt dat de belastingdienst heeft verzocht om een specificatie en achterliggende stukken ter zake een boeking van € 3.000,= in verband met provisies. In de ook door Asvero overgelegde brief van de belastingdienst aan Adfika van 17 juni 2009 heeft de belastingdienst opgemerkt dat in verband met deze boeking geen stukken ter onderbouwing zijn toegezonden, dat de “kopie grootboekrekening nauwelijks leesbaar” is en dat daarin diverse malen met pen is gecorrigeerd.

5.7 Scholtes heeft deze stellingen niet gemotiveerd betwist. Zij heeft gesteld dat zij wel op vragen van de belastingdienst heeft gereageerd. Dat staat op zichzelf ook niet ter discussie. Dat gegeven staat er echter niet aan in de weg dat zij op onderdelen – zoals de zojuist genoemde boeking in verband met provisies – niet adequaat heeft gehandeld. Waar de belastingdienst kennelijk verzocht om achterliggende stukken, mocht van Scholtes verwacht worden aan dat verzoek tijdig gehoor te geven of tenminste aan te voeren waarom zij aan het verzoek geen gehoor kon geven. Nu Scholtes op dit punt niets (gemotiveerd) heeft gesteld en de door Asvero overgelegde stukken erop wijzen dat Scholtes onvoldoende actie heeft ondernomen, is de rechtbank van oordeel dat Scholtes in zoverre niet heeft gehandeld als goed opdrachtnemer. Zij is dus in de nakoming van de overeenkomst met Asvero tekort geschoten. Gesteld noch gebleken is dat haar die tekortkoming niet zou kunnen worden toegerekend.

5.8 Als verweer heeft Scholtes ter comparitie nog aangevoerd dat, voor zover zij “niet direct” jegens de belastingdienst heeft gereageerd, dit te wijten was aan het feit dat Asvero bepaalde facturen niet betaalde. Scholtes heeft zich ter zake op een opschortingsrecht beroepen, aldus haar verklaring ter comparitie. Volgens Asvero is juist dat zij op enig moment met het betalen van facturen is gestopt, maar is zij daartoe pas overgegaan toen het geschil met de belastingdienst al was ontstaan. Bovendien behelsden die onbetaald gebleven facturen volgens Asvero slechts enkele honderden euro’s.

5.9 Mede gelet op deze betwisting door Asvero is de rechtbank van oordeel dat Scholtes haar beroep op een opschortingsrecht onvoldoende concreet heeft onderbouwd. Zo heeft Scholtes niets gesteld omtrent het moment waarop zij (kennelijk) haar werkzaamheden heeft opgeschort. Dat is wel van belang, omdat uit de stukken van de belastingdienst blijkt dat het gaat om een langere periode van niet (tijdig) reageren (namelijk vanaf het boekenonderzoek begin 2008 tot en met de bezwaarprocedure medio 2009). Ook heeft Scholtes in het ongewisse gelaten of zij Asvero over de opschorting van haar werkzaamheden heeft geïnformeerd. Ook dat is van belang, gelet op de potentieel grote gevolgen van het niet tijdig aanleveren van stukken aan de belastingdienst en in het licht van de (niet betwiste) stelling van Asvero dat het onbetaald gebleven bedrag beperkt van omvang was. Het beroep op een opschortingsrecht staat dus niet aan de tekortkoming van Scholtes in de weg.

5.10 Scholtes is gehouden de als gevolg van haar tekortkoming door Asvero geleden schade te vergoeden. Omtrent de hoogte van de schade overweegt de rechtbank als volgt.

5.11 Voor de begroting van de schade komt het aan op een vergelijking van de feitelijke situatie met de hypothetische situatie waarin Asvero zou hebben verkeerd als Scholtes niet zou zijn tekort geschoten. Bij dagvaarding heeft Asvero gesteld dat de belastingdienst en het UWV tot het gevorderde bedrag aan naheffingen, boetes en rente hebben opgelegd. Ook als dit op zichzelf juist is, staat daarmee nog niet vast dat dit bedrag ook het gevolg is van de tekortkoming van Scholtes. Van schade als gevolg van die tekortkoming is immers alleen sprake als de naheffingen, boetes en rente niet zouden zijn opgelegd indien in het door Scholtes gebruikte computerprogramma geen fout zou zijn geslopen (ter zake de lagelonenaftrek, zie 5.4) en Scholtes wel tijdig de benodigde stukken aan de belastingdienst zou hebben aangeleverd (zie 5.5-5.9). Asvero zal haar stellingen ter zake de hoogte van de schade tegen deze achtergrond preciezer moeten onderbouwen. Zoals ter comparitie afgesproken, kan zij daartoe een conclusie na tussenvonnis nemen. Scholtes kan bij antwoordconclusie reageren.

5.12 Asvero zal in haar conclusie na tussenvonnis ten minste moeten ingaan op de volgende punten:

i. De vraag of het bedrag terzake lagelonenaftrek (€ 3.800,=) als schade kan worden aangemerkt, gelet op haar erkenning dat dit bedrag op zichzelf terecht door de belastingdienst is vastgesteld en de stelling van Scholtes dat dit bedrag hoe dan ook niet op het loon van de werknemers ingehouden had kunnen worden.

ii. De vraag welk bedrag aan boete en rente betrekking heeft op het te laat betaalde bedrag ter zake lagelonenaftrek.

iii. De vraag of de in de dagvaarding vermelde boete en naheffing van het UWV daadwerkelijk schadeposten zijn, gelet op de verklaring van Asvero dat nog slechts een aankondiging van het UWV is ontvangen.

iv. Een onderbouwing, zo mogelijk met betaalbewijzen, van de stelling dat zowel aanslag 550.0 als aanslag 550.1 door Asvero is voldaan.

v. In het algemeen een onderbouwing, gestaafd door voldoende concrete feiten en stukken, van de (kennelijke) stelling dat de naheffing, boete en rente (afgezien van die in verband met de lagelonenaftrek) niet zouden zijn opgelegd als Scholtes tijdig de benodigde gegevens aan de belastingdienst zou hebben aangeleverd.

5.13 Met het oog op de door Scholtes te nemen antwoordconclusie merkt de rechtbank alvast op voorhand op dat van Scholtes mag worden verwacht haar betwisting van de (nadere) stellingen van Asvero evenzeer met voldoende concrete feiten en stukken te onderbouwen. Zij was immers belast met boekhoudkundige en fiscale werkzaamheden voor Asvero. Dat betekent dat zij in beginsel bij uitstek moet worden geacht in staat te zijn opheldering te geven over de (beschikbaarheid van) gegevens en stukken die voor de belastingdienst relevant geweest zouden zijn.

5.14 In afwachting van de conclusies na tussenvonnis zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.

6 De beslissing

De rechtbank,

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 19 mei 2010 voor het nemen van een conclusie na tussenvonnis als bedoeld in 5.11, waarna Scholtes kan reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling.

Uitgesproken in het openbaar.

1980/2009