Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL9462

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
30-03-2010
Zaaknummer
320897 / HA ZA 08-3114
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzekeringsrecht; uitleg polisvoorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 320897 / HA ZA 08-3114

Uitspraak (bij vervroeging): 24 maart 2010

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid FRI-ENERGY B.V.,

gevestigd te Franeker, gemeente Franekeradeel,

eiseres,

advocaat mr. C.J. van Dijk,

- tegen -

1. de naamloze vennootschap HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de naamloze vennootschap DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. J. Streefkerk.

Partijen worden hierna aangeduid als "Fri-Energy" respectievelijk "HDI" en "Delta Lloyd".

1 De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, ten aanzien van HDI d.d. 5 december 2008 en ten aanzien van Delta Lloyd d.d. 8 december 2008, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek, tevens houdende akte wijziging van eis, met productie;

- de conclusie van dupliek;

- het proces-verbaal van pleidooi, tevens comparitie van partijen, gehouden op 17 februari 2010;

- de ter gelegenheid van pleidooi, tevens comparitie van partijen zijdens Fri-Energy overgelegde pleitaantekeningen.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Fri-Energy is een onderneming die zich onder meer bezighoudt met het opwekken van en handelen in (groene) stroom. In dat kader exploiteert zij onder meer twee windmolens aan de Lange Lijnbaan te Harlingen.

2.2 De windmolens zijn van het fabrikaat NEG Micon. NEG Micon is in 2005 overgenomen door Vestas Benelux B.V. (hierna: Vestas). Door (de rechtsvoorgangster van) Vestas is een garantie verstrekt op de aan Fri-Energy geleverde windmolens. Die garantie komt - kort en zakelijk weergegeven - erop neer dat de leverancier van de windmolens aansprakelijk is voor defecten aan de windmolens en, in het verlengde daarvan, voor bedrijfsschade als gevolg van defecten aan de windmolens.

2.2.1 Op 12 februari 2004 hebben Fri-Energy en (de rechtsvoorgangster van) Vestas een service en storingsonderhoudovereenkomst (hierna: onderhoudscontract) gesloten. Het onderhoudscontract luidt - voor zover thans van belang - als volgt:

“Artikel 5 - Garantie

5.1 De garantieperiode als genoemd in het Koopcontract bedraagt 60 maanden na overname (TOC).

5.2 De gegarandeerde beschikbaarheid is 95% per windturbine per 12 maanden. De eerste twee maanden na TOC is de gegarandeerde beschikbaarheid echter 90% per windturbine.

(…)

5.5 De beschikbaarheid wordt berekend op de wijze als uiteengezet in Bijlage 2.

5.6 De beschikbaarheid wordt berekend als beschikbaarheid in % per windturbine per jaar. De beschikbaarheid wordt computermatig berekend door de windturbine-controller, welke berekening beslissend is. De beschikbaarheid wordt maandelijks door NEG Micon gedocumenteerd en wordt voor een jaar bepaald aan de hand van het gemiddelde van de beschikbaarheid die per maand is vastgesteld.”

2.2.2 In bijlage 2 bij het onderhoudscontract is - voor zover thans van belang - bepaald:

“BEREKENING VAN DE BESCHIKBAARHEID

De beschikbaarheid B, uitgedrukt in procenten, van een windturbine wordt bepaald door de parkcomputer en de windturbinecontroller voor wat betreft de interne oorzaken. Voor wat betreft de externe oorzaken moet een handmatige berekening plaatsvinden. De volgende informatie wordt verzameld en beoordeeld:

B, T1, T2 en T3 en beschikbaarheid worden gedefinieerd als:

B= T1 * 100%

---------

T2 – T3

Waarbij:

T1 de tijd in uren is waarin:

• de windturbine feitelijk in bedrijf is volgens de vastgestelde parameters of in bedrijf kan zijn.

• het net beschikbaar is.

• de windsnelheid tussen de waarden van het in- en uitschakelen van de windturbine ligt.

T2 de tijd in uren is waarin:

• het net beschikbaar is.

• de windsnelheid tussen de waarden van het in- en uitschakelen van de windturbine ligt.

T3 is de tijd in uren waarin:

• het net niet beschikbaar is gedurende periode T2.

• de periode waarin de turbine niet in bedrijf is op verzoek van de Cliënt om andere redenen dan reparaties, vervanging, kalibratie, lokalisering van fouten of onderhoud in gevallen van overmacht of fysieke schade aan de turbine die niet het gevolg zijn van handelingen van NEG Micon, wetsovertredingen of schendingen van de overeenkomst volgens welke NEG Micon gehouden is tot reparatie of vervanging.

• halfjaarlijkse servicebeurten worden uitgevoerd volgens het schema voor ONDERHOUD EN SERVICE van de windturbine (max. 36 uur/jaar).

• productie- en bedrijfsverliezen optreden die gedekt zijn door een verzekering.”

2.3 Fri-Energy heeft per 19 november 2004 door bemiddeling van de assurantietussenpersoon Marsh B.V. (hierna: Marsh) een All Risks (machineschade)verzekering met polisnummer [polisnummer] gesloten die (onder meer) dekking biedt in geval van (bedrijfs)schade ten gevolge van uitval van de windmolens. Het betreft een beurspolis, waarop HDI en Delta Lloyd ieder voor 50% risicodrager zijn. HDI is de leader onder de verzekering. De toepasselijke polisvoorwaarden houden - voor zover thans van belang - in:

“100064 Uitsluiting garantieschade

Van de verzekering is uitgesloten schade welke verhaalbaar is onder de fabrieks- c.q. leveranciersgarantie.”

2.4 Op 29 december 2006 is één van de twee windmolens defect geraakt. Daarmee is tot april 2007 geen stroom opgewekt kunnen worden. Als gevolg van de stilstand van de windmolen heeft Fri-Energy schade geleden. Fri-Energy heeft deze schade (tijdig) gemeld bij HDI en Delta Lloyd. HDI en Delta Lloyd hebben vervolgens Eelsing expertises & taxaties ingeschakeld om de schade en de claim van Fri-Energy te onderzoeken. In het rapport van expertise d.d. 10 april 2007, opgemaakt door ing. R. Lok re, staat onder meer het volgende:

“Tot aan 1 april 2007 heeft verzekerde het volgende verlies geleden:

Januari 2007 479.453 kWh

Februari 2007 243.001 kWh

Maart 2007 346.336 kWh

----------------

767.238 kWh

De gemiddelde productie per dag in Januari 2007 bedroeg 15.466 kWh.

Bij een vergoeding van € 0,098 per kWh, bedraagt de gemiste opbrengst derhalve

1068790 kWh x € 0,098 = € 104.741,42”

2.5 Vestas heeft, uit hoofde van de beschikbaarheidsgarantie, overeenkomstig de in bijlage 2 van het onderhoudscontract opgenomen berekeningsmethodiek, een bedrag van € 10.363,30 ter zake productieverlies aan Fri-Energy vergoed.

2.6 Bij brief van 25 september 2008 heeft (de advocaat van) Fri-Energy HDI (als de leader onder de verzekering) verzocht de schade, voor zover niet reeds vergoed door Vestas, te vergoeden onder de polis. HDI heeft (de raadsman van) Fri-Energy bij brief van 4 november 2008 laten weten geen (aanvullende) schade-uitkering onder de polis te zullen doen.

3 Het geschil

3.1 De verminderde vordering luidt - kort en zakelijk weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad HDI en Delta Lloyd ieder te veroordelen tot betaling aan Fri-

Energy van een bedrag van € 39.821,82, met rente en kosten.

3.2 Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Fri-Energy aan de vordering - in essentie - ten grondslag gelegd dat de schade die Fri-Energy als gevolg van de stilstand van de windmolen heeft geleden, is gedekt onder de verzekeringsovereenkomst, voor zover deze niet reeds is vergoed door Vestas, zodat HDI en Delta Lloyd gehouden zijn deze schade (ieder voor 50%) aan Fri-Energy te vergoeden.

3.3 HDI en Delta Lloyd hebben de vordering van Fri-Energy gemotiveerd weersproken en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling bij vonnis van Fri-Energy in de kosten van het geding. HDI en Delta Lloyd wijzen dekking onder de verzekering van de hand met een beroep op de polisvoorwaarden, in het bijzonder clausule 100064. Zij stellen zich - in essentie - op het standpunt dat de geclaimde schade niet onder de dekking van de verzekeringsovereenkomst valt, omdat deze in het kader van de garantie voor rekening van Vestas komt, althans HDI en Delta Lloyd daarvan mochten uitgaan.

3.4 Op de (overige) stellingen en verweren van partijen wordt hierna - voorzover nodig - ingegaan.

4 De beoordeling

4.1 De vordering van Fri-Energy jegens HDI en Delta Lloyd betreft een vordering tot schade-uitkering uit hoofde van de tussen partijen geldende verzekeringsovereenkomst. In dat kader staat vooreerst de vraag centraal of HDI en Delta Lloyd zich met succes kunnen beroepen op clausule 100064, op grond waarvan van verzekering - bedoeld is: dekking - is uitgesloten schade die verhaalbaar is onder de leveranciersgarantie.

4.2 Vooropgesteld zij dat het hier gaat om de uitleg van polisvoorwaarden die deel uitmaken van een beurspolis. Nu over dergelijke voorwaarden niet tussen partijen onderhandeld pleegt te worden (en gesteld noch gebleken is dat zulks in dit geval anders is), is de uitleg daarvan met name afhankelijk van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de in voorkomend geval bij de polisvoorwaarden behorende toelichting. Onderhavige verzekeringsovereenkomst is tot stand gekomen tussen professionele, althans professioneel vertegenwoordigde partijen (waarbij - naar HDI en Delta Lloyd onweersproken hebben gesteld - Marsh heeft te gelden als vertegenwoordiger van Fri-Energy, zodat kennis en wetenschap van Marsh in dit kader aan Fri-Energy is toe te rekenen).

Als, in het kader van de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst, door Marsh mededelingen zijn gedaan omtrent de omvang van de leveranciersgarantie kan dat echter, voor wat betreft de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan clausule 100064 mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, uiteraard gevolgen hebben.

4.3 De rechtbank constateert dat het in clausule 100064 gehanteerde begrip ‘verhaalbaar’ niet nader wordt gedefinieerd in de polis of de toepasselijke polisvoorwaarden, en dat ook de context waarin dit begrip in de polis(voorwaarden) wordt gebruikt geen nadere aanwijzing voor de betekenis daarvan geeft. Voor de uitleg daarvan moet daarom met name worden aangesloten bij de betekenis die het woord ‘verhaalbaar’ in het gewone spraakgebruik heeft. Van Dale Nederlands geeft als relevante betekenis van ‘verhaalbaar’: vatbaar voor verhaal. Het woord ‘verhaal’ heeft in Van Dale Nederlands als eerste betekenis: mogelijkheid van of gelegenheid tot schadeloosstelling. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat een redelijke uitleg van het in clausule 100064 gehanteerde begrip ‘verhaalbaar’ meebrengt dat het daarbij gaat om schade waarvan daadwerkelijk vergoeding kan worden verkregen, in dit geval onder de genoemde garantie.

Indien, naar HDI en Delta Lloyd hebben gesteld, partijen bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst ervan zijn uitgegaan - en Marsh HDI en Delta Lloyd heeft

medegedeeld - dat de door (de rechtsvoorgangster van) Vestas afgegeven beschikbaarheidsgarantie voor Fri-Energy tot vrijwel volledige voldoening c.q. vergoeding van de bedrijfsschade zou leiden, ligt dit anders. In dat geval is immers het begrip ‘verhaalbaar’ nader (en anders) ingevuld.

4.4 Ter onderbouwing van voormelde stelling hebben HDI en Delta Lloyd het volgende aangevoerd. Bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst is door Marsh (als makelaar in assurantiën die voor Fri-Energy optrad) informatie verschaft over de garantievoorwaarden van de leverancier van de windmolens. Daarbij is niet aan de orde gekomen dat de leverancier van de windmolens haar vergoedingsplicht contractueel heeft beperkt, maar wel om welke windmolens het ging alsmede dat (de rechtsvoorgangster van) Vestas de bedrijfsmatige exploitaite voor 95% per turbine garandeerde. Evenmin hadden HDI en Delta Lloyd bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst de beschikking over het tussen Fri-Energy en (de rechtsvoorgangster van) Vestas gesloten onderhoudscontract noch de bijlagen, waaronder de thans relevante bijlage 2, daarbij. Marsh heeft aan clausule 100064 dezelfde uitleg gegeven als HDI en Delta Lloyd: de dekking van de polis gaat niet verder dan het (zeer kleine) gedeelte van de bedrijfsschade dat Fri-Energy niet bij de leverancier kan claimen. Op dat specifieke risico is ook de hoogte van de premie afgestemd. HDI en Delta Lloyd hebben daarbij verwezen naar de als productie 1 tot en met 6 bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte briefwisseling tussen Fri-Energy en Vestas, waarvan de inhoud als zodanig door Fri-Energy niet is weersproken.

4.5 De rechtbank meent, met HDI en Delta Lloyd, dat als dit juist is, het beroep van Fri-Energy op de contra preferentem regel niet slaagt. Gesteld noch gebleken is dat HDI en Delta Lloyd niet op de mededelingen van Marsh hebben mogen afgaan. Het lag verder, gelet op de wijze waarop bedoelde clausule door tussenkomst van Marsh tot stand is gekomen, niet op de weg van HDI en Delta Lloyd om Fri-Energy uitleg over deze clausule te geven.

Dat onder het van dekking uitgesloten verhaal ook een schadeclaim die leidt tot (beperkte) voldoening c.q. vergoeding moet worden begrepen, strookt ook met de aard van de verzekering en de aard van de schade; in de regel zal dekking voor wat betreft bedrijfsschade zo beperkt mogelijk zijn, omdat het niet de bedoeling is om (ook) het ‘gewone’ ondernemersrisico (mee) te verzekeren. Een eventueel op HDI en Delta Lloyd rustende onderzoeksplicht is niet aan de orde nu sprake is van feiten en omstandigheden (een in een bijlage bij de garantievoorwaarden van de leverancier opgenomen beperking van de schadevergoedingsplicht) die Marsh - handelend namens Fri-Energy - kende of behoorde te kennen doch die zij niet aan HDI en Delta Lloyd heeft meegedeeld. HDI en Delta Lloyd mochten, zonder nader onderzoek, afgaan op de mededelingen van Marsh omtrent de leveranciersgarantie.

4.6 In het algemeen is het aan (de) verzekeraar(s) om te stellen en in voorkomend geval te bewijzen dat een uitsluiting van toepassing is. Weliswaar stellen HDI en Delta Lloyd dat het hier geen uitsluiting betreft, maar zowel de kop als de inhoud van clausule 100064 bieden geen steun aan die stelling, terwijl op dit punt geen feiten en omstandigheden zijn gesteld die reden zouden kunnen geven om af te wijken van een uitleg op basis van objectieve factoren. Tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door Fri-Energy is het aan HDI en Delta Lloyd, nu zij zich beroepen op de rechtsgevolgen van de uitsluiting in clausule 100064, om, overeenkomstig hun aanbod daartoe, bewijs te leveren van hun stelling dat partijen bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst ervan zijn uitgegaan dat de door (de rechtsvoorgangster van) Vestas afgegeven beschikbaarheidsgarantie voor Fri-Energy tot vrijwel volledige compensatie van het productieverlies in economische zin c.q. vergoeding van schade zou leiden, tot welk bewijs de rechtbank HDI en Delta Lloyd thans zal toelaten.

4.7 HDI en Delta Lloyd hebben nog betoogd dat het beroep van Vestas op de contractueel overeengekomen beperking van haar vergoedingsplicht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In dat kader hebben HDI en Delta Lloyd gerefereerd aan de artikelen 6:236 en 6:237 Burgerlijk Wetboek. De rechtbank begrijpt de stellingen van HDI en Delta Lloyd aldus dat zij van oordeel zijn dat de contractueel overeengekomen beperking van de vergoedingsplicht van Vestas rechtens aantastbaar is, zodat Vestas gehouden is tot een hogere schadevergoeding aan Fri-Energy dan zij thans heeft uitgekeerd, en Fri-Energy dus in zoverre geen schade lijdt. Het staat Fri-Energy in die visie niet vrij om zich neer te leggen bij het onjuiste standpunt van Vestas. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

4.8 De stellingen van HDI en Delta Lloyd betreffen vorderingsrechten van Fri-Energy tegenover Vestas die thans in de onderhavige procedure niet geldend (kunnen) worden gemaakt. De enkele omstandigheid dat het standpunt van Vestas onjuist is, brengt - indien en voor zover juist - geen verplichting voor Fri-Energy mee om - eerst en zelf - een procedure tegen Vestas te beginnen, nu noch de polis, noch enige rechtsregel haar verplicht tot méér dan het ordentelijk melden bij HDI en Delta Lloyd van de opstelling van Vestas, zoals zij heeft gedaan. De verplichting van Fri-Energy als verzekerde om de belangen van HDI en Delta Lloyd als verzekeraars in het oog te houden, noopt niet tot het entameren van een procedure tegen Vestas. Indien en voor zover HDI en Delta Lloyd tot uitkering aan Fri-Energy overgaan, worden zij ex artikel 7:962 Burgerlijk Wetboek gesubrogeerd in de vorderingsrechten van Fri-Energy, kunnen zij Vestas aanspreken tot vergoeding van de schade en trachten de contractueel overeengekomen beperking van de vergoedingsplicht van Vestas rechtens aan te tasten. Gesteld noch gebleken is dat Fri-Energy de procespositie van HDI en Delta Lloyd dienaangaande heeft beperkt.

4.9 Indien HDI en Delta Lloyd niet slagen in de hun opgedragen bewijslevering zal moeten worden bezien wat de omvang van de schade-uitkering is die HDI en Delta Lloyd in dat geval aan Fri-Energy dienen te doen. De rechtbank overweegt daaromtrent reeds thans als volgt.

4.10 HDI en Delta Lloyd hebben de exploitatieschade, zoals gevorderd na vermindering van eis (ad € 22.449,59), niet weersproken, zodat deze in rechte vaststaat. HDI en Delta Lloyd zijn in beginsel gehouden deze exploitatieschade, na aftrek van hetgeen Vestas reeds ter zake aan Fri-Energy heeft vergoed, aan Fri-Energy te voldoen. Per saldo komt ter zake dus een bedrag van € 12.086,59 (€ 22.449,59 - € 10.363,30; vgl. pleitnota onder 4.14) voor vergoeding onder de verzekering in aanmerking.

4.11 Fri-Energy vordert voorts vergoeding van gederfde rente over de door de stilstand van de windmolen misgelopen MEP-subsidie. HDI en Delta Lloyd hebben het bedrag aan misgelopen MEP-subsidie (€ 82.296,83) als zodanig niet weersproken, zodat dit bedrag in rechte vaststaat. Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat eveneens in rechte vast dat de MEP-subsidie (naar verwachting) op zijn vroegst eind 2012 zal eindigen. Uitgaande van het ten tijde van de stilstand van de windmolen geldende wettelijke rentepercentage (6%) over de in die periode misgelopen MEP-subsidie (€ 82.296,83) bedraagt de wettelijke rente vanaf 29 december 2006 tot en met 29 december 2012 een bedrag van € 34.424,85, aldus Fri-Energy.

4.12 HDI en Delta Lloyd betwisten de periode waarover Fri-Energy vergoeding van gederfde rente vordert. Volgens hen is de wettelijke rente eerst verschuldigd vanaf 28 juli 2007 en slechts tot aan de dag der voldoening. Nu de schade niet het gevolg is van een onrechtmatige daad van HDI en Delta Lloyd, doch Fri-Energy nakoming verlangt van de tussen partijen geldende verzekeringsovereenkomst, is voor het intreden van verzuim aan de kant van HDI en Delta Lloyd conform artikel 6:82 lid 1 BW een ingebrekestelling vereist. Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat in rechte vast dat een dergelijke ingebrekestelling in voorkomend geval eerst is te vinden in de brief van ARAG d.d. 13 juli 2007 (productie 3 bij dagvaarding), waarin een termijn voor nakoming is gesteld van veertien dagen.

4.13 Voormeld betoog van HDI en Delta Lloyd is juist, indien en voor zover het ziet op de

(niet-)nakoming van de verbintenis tot vergoeding van de onder 4.10 vermelde exploitatieschade. Echter, de schade bestaat niet alleen uit die exploitatieschade, doch tevens uit misgelopen MEP-subsidie, althans het later ontvangen daarvan. Nu het later ontvangen van een geldbedrag in beginsel is aan te merken als bedrijfsschade, de polis dekking biedt voor bedrijfsschade en HDI en Delta Lloyd op dat punt geen beroep doen op een uitsluiting of een andere polisbepaling die aan dekking in de weg staat, moet de bedrijfsschade, die voortvloeit uit de omstandigheid dat Fri-Energy de MEP-subsidie ad € 82.296,83 eerst in 2012 in plaats van in 2006 ontvangt, als onder de polis gedekt worden beschouwd. Dat deze vertraging bestaat is niet gemotiveerd betwist. De gederfde rente over de door de stilstand van de windmolen misgelopen MEP-subsidie is dan ook gedekt en zal in voorkomend geval op grond van de door HDI en Delta Lloyd niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwiste berekening die Fri-Energy ter zake in het geding heeft gebracht, worden toegewezen als gevorderd.

4.14 Ten slotte vordert Fri-Energy vergoeding van prijsnadeelschade, daartoe stellende dat als gevolg van de stilstand van de windmolen het tijdstip waarop het huidige stroomcontract eindigt – dat samenvalt met het tijdstip waarop de MEP-subsidie eindigt – naar de toekomst wordt verschoven. Fri-Energy zal dus langer gebonden zijn aan het huidige stroomcontract, waarin een gezien de marktontwikkelingen lage stroomprijs (€ 0,021) is opgenomen, aldus Fri-Energy. Fri-Energy vordert een bedrag van € 33.132,49. Dit bedrag is gebaseerd op de huidige verwachtingen op de termijnmarkt voor (groene) stroom. Op basis daarvan valt voor eind 2012 (het tijdstip waarop naar verwachting op zijn vroegst de MEP-subsidie zal eindigen) een ongesubsidieerde stroomprijs van € 0,052 voor windmolenstroom te verwachten. Het verschil in stroomprijs x de gemiste productie (1.068.790 kWh x [0,052 – 0,021=] € 0,031) = € 33.132,49 vormt schade, aldus Fri-Energy. HDI en Delta Lloyd hebben betwist dat het reëel zou zijn om voor 2012 uit te gaan van een stroomprijs van € 0,052 per kWh.

4.15 De rechtbank stelt vast dat Fri-Energy noch HDI en Delta Lloyd bezwaar hebben gemaakt tegen het door de rechtbank ter gelegenheid van pleidooi, tevens comparitie van partijen geformuleerde uitgangspunt dat de omvang van de gevorderde prijsnadeelschade, mede vanwege het toekomstige karakter daarvan, thans niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zodat een schatting in de rede ligt. Partijen zullen desgewenst bij conclusie na enquête nader in kunnen gaan op deze schadecomponent.

4.16 In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aanhouden.

5 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

draagt HDI en Delta Lloyd op het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat partijen bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst ervan zijn uitgegaan dat de door (de rechtsvoorgangster van) Vestas afgegeven beschikbaarheidsgarantie voor Fri-Energy tot vrijwel volledige compensatie van het productieverlies in economische zin c.q. vergoeding van schade zou leiden;

bepaalt dat indien HDI en Delta Lloyd dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter

mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten;

bepaalt dat de advocaat van HDI en Delta Lloyd binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan hun zijde in de maanden mei t/m september 2010 en dat de advocaat van Fri-Energy binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten.

Uitgesproken in het openbaar.

801/106