Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL8846

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
10/692270-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering tot tenuitvoerlegging van PIJ-maatregel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77dd
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer van de vordering TUL (bijzondere voorwaarde): 10/692270-07

Datum beslissing: 11 maart 2010

Beslissing

van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering van de officier van justitie in dit arrondissement tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel), opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank d.d. 29 januari 2008 aan:

[naam veroordeelde], hierna te noemen de veroordeelde,

geboren op xx-xx-1992 te [geboorteplaats],

wonende op het adres [adres],

raadsman mr. S. Lodder, advocaat te Rotterdam.

Procedure

Bij vonnis van deze rechtbank, uitgesproken op 29 januari 2008, is aan de veroordeelde, ter zake van meermalen met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd met een proeftijd van twee jaren. Dit vonnis is onherroepelijk geworden en de proeftijd is ingegaan op 13 februari 2008.

Op 22 februari 2010 is op de griffie van de rechtbank binnengekomen de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel, gedateerd 27 januari 2010. Tevens is een Rapportage negatieve terugmelding d.d. 14 januari 2010 ontvangen van William Schrikker Jeugdreclassering met betrekking tot de veroordeelde.

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de besloten terechtzitting van 11 maart 2010. De officier van justitie, de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman, de moeder van de veroordeelde en de getuige-deskundige N. Staal, jeugdreclasseerder, zijn gehoord.

Bevoegdheid

De rechtbank is bevoegd van de vordering kennis te nemen, aangezien zij in eerste aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf ter zake waarvan de voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is gelast.

Ontvankelijkheid

Het openbaar ministerie kan worden ontvangen in zijn vordering, nu deze binnen drie maanden na het verstrijken van de proeftijd is ingediend.

Beoordeling

De Rapportage negatieve terugmelding van William Schrikker Jeugdreclassering houdt in essentie in dat het leerproces van de veroordeelde zeer moeizaam en in kleine stapjes is verlopen, omdat bij hem sprake is van ontbreken van probleembesef en hij daardoor zo nu en dan beperkte inzet heeft. Daarnaast is er onvoldoende sturing en controle vanuit thuis. De veroordeelde heeft zich wel aan de afspraken gehouden en er is vooruitgang geboekt, maar onvoldoende om de zorgen over mogelijke recidive weg te nemen. Hij heeft geleerd om verbale en non-verbale grenzen te herkennen, maar lijkt onvoldoende in staat om het geleerde in de praktijk toe te passen. Bij de behandeling ter zitting heeft getuige-deskundige Staal, die de rapportage heeft opgesteld, verklaard dat de veroordeelde ten aanzien van het uitblijven van voldoende gewenst resultaat niets te verwijten valt, omdat hij moeizaam leert; er is sprake van onvermogen. De afgelopen maanden heeft hij opnieuw inzet getoond, ook bij de psychomotore therapie die in oktober 2009 is gestart. Voortzetting van behandeling in een residentiële setting en gedwongen kader heeft de voorkeur omdat de veroordeelde gemakkelijk zijn motivatie verliest. Ambulante behandeling zal te weinig resultaat hebben, aldus de getuige-deskundige.

De officier van justitie heeft ter zitting uiteengezet dat in onderling overleg met de behandelaars is besloten tot een negatieve terugmelding, omdat het in het huidige kader niet mogelijk was om te komen tot de meest geschikte behandeltherapieën, ondanks de inzet van de veroordeelde. Het recidiverisico wordt nog steeds hoog geschat. Aan de voorwaarden die zijn gesteld in het vonnis van 29 januari 2008 kon onvoldoende uitvoering worden gegeven en aan de omstandigheden die hebben geleid tot de veroordeling is nog onvoldoende gewerkt. De therapie zou moeten worden voortgezet. Dat kan het beste geschieden in het kader van een PIJ-maatregel. Om deze redenen heeft de officier van justitie primair gevorderd dat de tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel wordt gelast. Subsidiair heeft zij de rechtbank verzocht om de proeftijd verbonden aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel te verlengen, onder handhaving van de voorwaarde dat de veroordeelde zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van de jeugdreclassering, en daarbij te bepalen dat deze aanwijzingen ook kunnen inhouden dat de veroordeelde behandeling dient te ondergaan in een residentiële setting.

De raadsman heeft aangevoerd dat het bij een vordering tenuitvoerlegging draait om de vraag of de veroordeelde zich al dan niet heeft gehouden aan de gestelde voorwaarden. In casu heeft de veroordeelde zich gehouden aan de gestelde bijzondere voorwaarden, maar is gebleken dat bij hem sprake is van onvermogen. Dat hij langzaam leert kan hem niet worden tegengeworpen. Hij heeft zich naar beste kunnen ingezet. De veroordeelde kan evenmin worden tegengeworpen dat de in het vonnis genoemde EMDR-behandeling niet is gestart; gedurende de proeftijd is namelijk gebleken dat de veroordeelde in mindere mate met traumaproblematiek kampte als voorheen werd verondersteld. Verder is de moeder van de veroordeelde om haar moverende redenen niet akkoord gegaan met gezinsopname bij het RMPI, maar daartoe verplichtte het vonnis niet, en dit kan dan ook geen reden zijn om de tenuitvoerlegging te gelasten. Tenslotte bleek de in het vonnis beoogde MST behandeling niet mogelijk bij de LVG en zedenproblematiek die zich in casu voordoet, maar is in de plaats daarvan door De Waag wel intensieve ouderbegeleiding opgestart. Hieromtrent valt veroordeelde evenmin enig verwijt te maken. De vordering dient derhalve te worden afgewezen. De proeftijd kan niet worden verlengd, omdat de proeftijd ten tijde van het indienen van de vordering al was geëindigd, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt als volgt.

Een vordering tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, in dit geval een opgelegde PIJ-maatregel, die onder voorwaarden niet ten uitvoer is gelegd, kan slechts voor toewijzing in aanmerking komen als door de veroordeelde een van de door de rechter opgelegde voorwaarden niet is nageleefd (artikel 77dd, eerste lid, Sr). In casu doet zich deze situatie niet voor. De veroordeelde heeft zich niet onttrokken aan de aangewezen therapieën en hij heeft daaraan naar beste kunnen meegewerkt. Dat met de behandeling tot dusver naar het oordeel van de behandelaars onvoldoende vooruitgang is geboekt om het recidiverisico weg te nemen, is te betreuren, maar kan geen grond zijn om de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel te gelasten. De primaire vordering wordt dus afgewezen.

De proeftijd is ingegaan op 13 februari 2008 en op 12 februari 2010 verstreken. Een reeds verstreken proeftijd kan naar vaste jurisprudentie niet worden verlengd (vgl: Hof Leeuwarden 15 februari 2010, LJN: BL4034). Reeds om deze reden dient ook de subsidiaire vordering van de officier van justitie te worden afgewezen.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 77bb, 77cc, 77dd en 77ee van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

wijst af de - subsidiaire - vordering tot verlenging van de proeftijd van de bij vonnis van 29 januari 2008 voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Aldus gedaan door mr. Van der Kaaij, voorzitter en tevens kinderrechter,

en mrs. De Geus en De Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van Van der Heijde, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 maart 2010.