Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL8606

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
23-03-2010
Zaaknummer
328430 / HA ZA 09-1016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toestemming echtgenote bij aangaan borgtocht (1:88 BW) en vernietiging. Borgtocht is niet aangegaan ten behoeve van de normale uitoefening van bedrijf.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2010, 44
RFR 2010/91
JRV 2010, 506
JIN 2010/295
JOR 2010/172 met annotatie van A.J. Verdaas
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 328430 / HA ZA 09-1016

Vonnis van 17 februari 2010

in de zaak van

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK ROTTERDAM U.A.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. W.L. Stolk,

tegen

[gedaagde],

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. A.W. Dolphijn.

Partijen zullen hierna Rabobank en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- dagvaarding d.d. 12 maart 2009 en de door Rabobank overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 10 juni 2009, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- brief d.d. 23 juni 2009 van mr. Stolk, met bijlage;

- brief d.d. 7 juli 2009 van mr. Dolphijn, met antwoordakte;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 22 juli 2009;

- akte houdende overlegging productie aan de zijde van Rabobank, met productie;

- antwoordakte aan de zijde van [gedaagde];

- de stukken van het ten verzoeke van Rabobank en ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire beslag.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1. [gedaagde] heeft op 20 maart 2001 zijn eenmanszaak omgezet in een B.V. geheten Armastic Kitwerken B.V. (hierna: Armastic).

Rabobank heeft op 25 juni 2001 aan Armastic een lening verstrekt van € 45.378,= voor de financiering van de omzetting van de eenmanszaak van [gedaagde] in een besloten vennootschap, alsmede bedrijfskapitaal. De heer [gedaagde] heeft zich bij overeenkomst van 25 juni 2001 jegens Rabobank borg gesteld voor een bedrag van maximaal € 90.757,= tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de bank blijkens haar administratie van Armastic te vorderen heeft of mocht hebben uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welken anderen hoofde ook.

2.2. Op 4 mei 2008 is de heer [gedaagde] overleden. Bij akte van 29 mei 2008 hebben [gedaagde], die met de heer [gedaagde] was gehuwd, en haar kinderen de erfenis aanvaard en heeft [gedaagde] conform de wettelijke verdeling alle goederen en schulden van de nalatenschap verkregen.

2.3. Armastic heeft haar onderneming gestaakt, waarna het hierboven genoemde krediet door Rabobank is opgezegd. Het saldo van de lening bedraagt € 38.836,83. Rabobank heeft de borgtocht ingeroepen.

3. De vordering

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 38.836,83 vermeerderd met rente, buitengerechtelijke incassokosten van € 816,80 en proces- en beslagkosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Rabobank aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1. De borgtocht is een schuld in de nalatenschap en [gedaagde] is gehouden deze schuld van wijlen de heer [gedaagde] te voldoen. Ondanks aanmaningen en sommaties is zij daartoe niet overgegaan.

3.2. Rabobank maakt aanspraak op vergoeding van de rente vanaf de dag van de dagvaarding. Door de weigering te betalen is Rabobank genoodzaakt externe juridische bijstand in te schakelen, zodat er eveneens aanspraak wordt gemaakt op betaling van € 816,80 aan buitengerechtelijke incassokosten.

4. Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Rabobank in de (na)kosten van het geding.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1. Wijlen de heer [gedaagde] heeft zich niet in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf als borg verbonden. Derhalve had hij ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub c Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) toestemming van [gedaagde], zijn echtgenote, nodig. Deze toestemming is niet verleend. [gedaagde] heeft vervolgens de borgtochtovereenkomst vernietigd.

4.2. De causaliteit en toerekening ontbreken.

4.3. Het te betalen bedrag dient te worden gematigd, dan wel het vorderen van nakoming is in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

4.4. Wettelijke (handels)rente is niet aangezegde en/of verschuldigd, dan wel in strijd met de redelijkheid en billijkheid, zodat deze in ieder geval gematigd dan wel beperkt dient te worden.

4.5. Er is geen grondslag voor de buitengerechtelijke incassokosten gesteld en ook overigens zijn deze kosten niet gemaakt.

5. De beoordeling

5.1. Partijen twisten over de vraag of de door de heer [gedaagde] afgegeven borgstelling al dan niet is vernietigd door [gedaagde] op grond van artikel 1:89 lid 1 BW. De rechtbank stelt voorop dat, gelet op artikel 1:88 lid 1 sub c BW, in beginsel is vereist dat de echtgenoot toestemming van de andere echtgenoot heeft om zich als borg te kunnen verbinden. Vaststaat dat deze toestemming niet is gegeven.

5.2. Rabobank stelt zich op het standpunt dat de toestemming in het onderhavige geval niet vereist was en derhalve de vernietigbaarheid niet kan worden ingeroepen aangezien de heer [gedaagde] als directeur enig aandeelhouder de borgtocht is aangegaan ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van Armastic, zoals bedoeld in artikel 1:88 lid 5 BW.

5.3. Dat de heer [gedaagde] directeur enig aandeelhouder van Armastic was, is door [gedaagde] niet betwist. Dat staat dan ook vast. [gedaagde] heeft wel betwist dat de borgtocht is aangegaan ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van Armastic. Ten aanzien van dit punt overweegt de rechtbank als volgt.

5.4. De rechtbank stelt voorop dat de toestemming van de echtgenote voor een borgstelling alleen dan niet vereist is, indien de rechtshandeling waarvoor de zekerheid wordt verstrekt, zelf behoort tot de rechtshandelingen die in de normale uitoefening van een bedrijf plegen te worden verricht. Hoofdregel is derhalve dat de echtgenote toestemming dient te verlenen voor het aangaan van een borgtochtovereenkomst.

Voor de uitzondering, waarop de Rabobank zicht beroept, geldt dat de wetgever met het begrip “normale bedrijfsuitoefening” een wezenlijke beperking heeft beoogd. De rechtshandeling zelf moet tot de normale, gebruikelijke bedrijfshandelingen behoren; niet voldoende is dat zij normale bedrijfshandelingen begunstigt dan wel daarvoor de noodzakelijke voorwaarden schept. Daartegenover staat dat het begrip echter ook weer niet zo eng dient te worden uitgelegd dat er alleen dan geen toestemming nodig is, als het voor het bedrijf waarvoor de borgtocht wordt afgegeven zelf gebruikelijk is borgtochten af te geven, zoals [gedaagde] heeft doen betogen.

Van belang is derhalve voor welke rechtshandeling(en) zekerheid wordt verleend, waarbij mede belang kan worden gehecht aan omstandigheden die de borgstelling betreffen.

5.5. Rabobank heeft gesteld dat het krediet van € 45.378,= werd verleend voor het aflossen van het krediet van de eenmanszaak en het verlenen van extra krediet vanwege groei van de onderneming, die ook om die reden was omgezet in een besloten vennootschap, zodat de financiering is verstrekt ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening.

[gedaagde] heeft dat betwist en gesteld dat de financiering slechts bedoeld was om de omzetting van de eenmanszaak naar een besloten vennootschap te realiseren en dat zulks niet valt onder de normale uitoefening van het beroep of bedrijf.

5.6. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan als volgt.

Vaststaat dat de heer [gedaagde] zich borg heeft gesteld voor een bedrag van maximaal € 90.757,= en dat Rabobank aan Armastic een krediet van € 45.378,= ter beschikking heeft gesteld, waarmee de rekening-courantschuld van de eenmanszaak is afgelost.

Uit de door Rabobank overgelegde stukken blijkt dat deze rekening-courantschuld € 22.689,= bedroeg. Voor deze schuld was voor de borgstelling alleen de heer [gedaagde] aansprakelijk. Met een gedeelte van het krediet dat aan Armastic werd verleend, en waar thans van moet worden beoordeeld of dit krediet is aangegaan ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van Armastic, is deze schuld ingelost. Met dit gedeelte van het krediet, zijn dus niet de liquiditeiten van Armastic verhoogd. Daarnaast heeft Rabobank voor de terugbetaling van dit bedrag een extra zekerheid bedongen, omdat Rabobank nu zowel Armastic als de heer [gedaagde] kan aanspreken tot terugbetaling.

Daarnaast blijkt uit de stukken dat een afgegeven bankgarantie van € 2.634,93 gehandhaafd bleef, zodat ook voor dit gedeelte de liquiditeiten van Armastic niet werden verhoogd en ook dit geen direct financieel voordeel voor Armastic opleverde en, net zoals hierboven, niet kan worden gesproken over een gewone geldlening, maar krediet om een wijziging in de bedrijfsvoering te realiseren.

Het resterende gedeelte van het krediet (€ 20.057,07) hield wel extra krediet voor Armastic in, welk krediet blijkens de tussen Armastic en Rabobank gesloten overeenkomst, uitsluitend mocht worden gebruikt voor de financiering van de bedrijfs- of beroepsuitoefening.

5.7. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het feit dat het krediet voor verschillende doeleinden werd aangewend er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat de rechtshandeling (het aangaan van dit krediet) tot de normale, gebruikelijke bedrijfshandelingen behoort. In dit licht hecht de rechtbank ook belang aan het volgende. De borgstelling is blijkens de schriftelijke overeenkomst verstrekt voor verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welken anderen hoofde ook, met dien verstande dat het bedrag waarvoor de borg (hoofdelijk) uit hoofde van deze borgstelling kan worden aangesproken nimmer meer bedraagt dan EUR 90.757,=. Het gaat hier derhalve om een zeer ruime en algemeen omschreven borgstelling, die taalkundig gezien, niet specifiek aan een bepaalde schuld is gekoppeld, maar aan werkelijk alle vorderingen die de Rabobank op Armastic had of ooit zou krijgen, ongeacht de grondslag daarvan. In dat licht bezien heeft de heer [gedaagde] zich ook borg gesteld voor eventuele schulden aan Rabobank als gevolg van toekomstige rechtshandelingen, zoals kredietovereenkomsten. Gelet op het uitgangspunt dat beoordeel dient te worden of de rechtshandeling waarvoor de zekerheid is verstrekt de normale bedrijfsuitoefening betreft, geldt dat voor deze rechtshandelingen geenszins vaststaat dat het om de normale bedrijfsuitoefening zou gaan. Dat zulks ook daadwerkelijk aan de orde zou kunnen zijn, blijkt uit het feit dat de borgstelling voor een aanzienlijk hoger bedrag is aangegaan dan de waarde van het krediet aan Armastic.

Gelet op al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de borgtocht niet is aangegaan ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van Armastic.

5.8. Er moet in de onderhavige procedure dan ook van worden uitgegaan dat de uitzondering zoals bedoeld in artikel 1:88 lid 5 BW niet aan de orde is en de hoofdregel van artikel 1:88 lid 1 sub c BW geldt dat de heer [gedaagde] de toestemming van zijn echtgenote behoefde voor het aangaan van de borgtochtovereenkomst.

Nu tussen partijen vaststaat dat deze toestemming niet is verleend en [gedaagde] vervolgens rechtsgeldig de vernietiging van de borgtochtovereenkomsten heeft ingeroepen, kan de Rabobank haar vordering niet op deze borgtochtovereenkomst gronden. Dit betekent dat de vordering van de Rabobank, een daarmee ook de gevorderde rente en (buitengerechtelijke incasso)kosten, dient te worden afgewezen. De overige verweren van [gedaagde] kunnen daarmee onbesproken blijven.

5.9. De Rabobank zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van [gedaagde]. Voor een veroordeling in de nakosten, zoals door [gedaagde] gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding.

6. De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vorderingen van Rabobank;

veroordeelt Rabobank in de proceskosten begrepen, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 2.317,50, waarvan te voldoen:

a aan de griffier van deze rechtbank (rekeningnummer 56.99.90.688, ten name

van MvJ Arrondissement Rotterdam [545]), onder vermelding van zaak- en rolnummer):

€ 751,= aan in debet gesteld vast recht;

nihil aan in debet gestelde kosten voor de deurwaarder;

nihil aan overige verschotten;

€ 1.447,50 aan salaris voor de advocaat;

-------- +

€ 2.198,50

b aan de advocaat van [gedaagde]:

€ 119,= voor het niet in debet gestelde deel van het vast recht;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Verkerk en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2010.

544/1884