Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL8291

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-03-2010
Datum publicatie
22-03-2010
Zaaknummer
349027 / HA RK 10-36
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om verschoning toegewezen. Uit hetgeen de rechter ter zitting omtrent haar verzoek om verschoning heeft meegedeeld, leidt de rechtbank af dat zij zich niet meer voldoende vrij voelde om de zaak tegen de verdachte te behandelen, gelet op haar voorafgaande vrijspraak van een mede-verdachte. Dat zo zijnde, is daarin reeds een genoegzame grond voor verschoning gelegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor verschoningszaken

Uitspraak: 22 maart 2010

Zaaknummer: 349027

Rekestnummer: HA RK 10-36

Parketnummer: 10/703522-08

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam rechter],

rechter in de rechtbank Rotterdam, sector strafrecht,

verzoekster, hierna te noemen: de rechter,

strekkende tot verschoning in de strafzaak van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam onder bovenvermeld parketnummer tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

hierna te noemen: de verdachte.

1. Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 5 februari 2010 is door de rechter, zitting houdende als politierechter, behandeld de tegen de verdachte aanhangig gemaakte strafzaak met bovenvermeld parketnummer. Ter zitting heeft de rechter meegedeeld dat zij zich wenst te verschonen ten aanzien van de verdere behandeling van deze zaak en heeft zij het onderzoek ter zitting geschorst.

De verschoningskamer heeft kennis genomen van het dossier van de hiervoor omschreven strafzaak tegen de verdachte, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 februari 2010.

De rechter, de verdachte en zijn raadsman mr. F.L. van der Eerden, alsmede de officier van justitie mr. D. Grip zijn verwittigd van de datum waarop het verschoningsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

Ter zitting van 15 maart 2010, alwaar het verzoek om verschoning is behandeld, is niemand verschenen.

Behalve de hiervoor genoemde stukken heeft de verschoningskamer voorts nog kennis genomen van:

- de telefoonnotitie van de griffier, inhoudende de zakelijk weergegeven inhoud van zijn telefoongesprek met de rechter op 2 maart 2010;

- de brief van de officier van justitie d.d. 12 maart 2010, gericht aan de wrakingskamer en

- het fax-bericht van de advocaat van de verdachte d.d. 12 maart 2010, gericht aan de verschoningskamer.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

De rechter heeft in het proces-verbaal van de terechtzitting van haarzelf als politierechter op 5 februari 2010 ten aanzien van haar verzoek om verschoning het volgende doen opnemen:

".......

De politierechter deelt mede dat zij zich wenst te verschonen ten aanzien van de verdere behandeling van deze zaak. Hedenochtend heeft zij de strafzaak behandeld van de heer [X], die ervan verdacht werd verdachte met een mes te hebben mishandeld. In die zaak is ook uitspraak gedaan. Gelet op deze gang van zaken, zou de indruk kunnen ontstaan dat zij als (politie)rechter niet onpartijdig is. De politierechter acht het wenselijk dat een andere rechter de onderhavige zaak zal behandelen ter terechtzitting. Het onderzoek ter terechtzitting dient te worden geschorst.

......."

2.2

In voormelde brief van 12 maart 2010 heeft de officier van justitie - zakelijk weergegeven - meegedeeld dat het verzoek om verschoning dient te worden toegewezen.

2.3

In voormeld fax-bericht van 12 maart 2010 heeft de raadsman van de verdachte - zakelijk weergegeven - meegedeeld dat zijn cliƫnt geen bezwaren heeft tegen het verzoek om verschoning.

3. De beoordeling

3.1

Hetgeen de rechter heeft opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 februari 2010, zoals hiervoor onder 2.1 is geciteerd, begrijpt de rechtbank aldus dat de rechter een verzoek om verschoning heeft gedaan als bedoeld in artikel 517, lid 1, van het Wetboek van Strafvordering.

3.2

Verschoning is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees dat daarvan sprake is objectief gerechtvaardigd is.

3.3

Aan de door de rechter aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig is. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

3.4

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde en anderszins aannemelijk geworden omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de vrees dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden - objectief - gerechtvaardigd is. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

3.5

Blijkens het in vorenomschreven dossier van de strafzaak tegen de verdachte aanwezige proces-verbaal van politie heeft er op 12 juli 2008 te Rotterdam een burenruzie plaatsgevonden, waarbij in ieder geval betrokken waren [X], [naam verdachte], en [Y].

Deze personen zijn allen voor de terechtzitting van de rechter als politierechter op 5 februari 2010 (tegen verschillende tijdstippen) gedagvaard:

- [X] ter zake van poging tot doodslag van respectievelijk het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [naam verdachte], subsidiair mishandeling van [naam verdachte];

- [naam verdachte] ter zake van poging tot zware mishandeling, subsidiair mishandeling jegens een persoon genaamd [Z] en voorts openlijke geweldpleging jegens [X], subsidiair mishandeling van [X] en

- [Y] ter zake van openlijke geweldpleging jegens [X], subsidair mishandeling van [X],

waarbij de rechtbank zich bij het voorafgaande kortheidshalve heeft beperkt tot de aan de genoemde personen tenlastegelegde feiten, vermoedelijk gepleegd op 12 juli 2008.

3.6

De strafzaak tegen [X] diende op 5 februari 2010 om 09.20 uur en de rechter heeft de verdachte [X] vrijgesproken.

3.7

Later op die ochtend, te 10.15 uur, diende de strafzaak tegen de verdachte [naam verdachte]. In die zaak heeft de rechter aangegeven dat zij zich wenste te verschonen zoals hiervoor onder 2.1 weergegeven.

3.8

Hoewel - mede gelet op recente jurisprudentie (EHRM d.d. 24 maart 2009 nr 32271/04 inzake Poppe tegen Nederland) - vraagtekens gezet kunnen worden bij de opvatting van de rechter dat zij zich diende te verschonen, omdat gelet op de voorafgaande vrijspraak van de verdachte [X] de indruk zou kunnen ontstaan dat zij als rechter in de zaak tegen de verdachte [Y] niet onpartijdig is, zal de verschoningskamer het verzoek toch toewijzen. De verschoningskamer leidt namelijk uit hetgeen de rechter, blijkens het proces-verbaal van die zitting omtrent haar verzoek om verschoning, ter zitting heeft meegedeeld af, dat zij zich niet meer voldoende vrij voelde om de zaak tegen de verdachte [naam verdachte] te behandelen, gelet op haar voorafgaande vrijspraak van de verdachte [X]. Dat zo zijnde, is daarin reeds een genoegzame grond voor verschoning gelegen.

Het verzoek wordt daarom toegewezen.

4. De beslissing

wijst toe het verzoek om verschoning van [naam rechter].

Deze beslissing is gegeven op 22 maart 2010 door mr. M.F.L.M. van der Grinten, voorzitter, mr. M.C. van der Kolk en mr. H.J.M. van der Kaaij, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.

De voorzitter is buiten staat deze beslissing te ondertekenen. Namens deze, mr. M.C. van der Kolk, oudste rechter.