Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL8036

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-02-2010
Datum publicatie
19-03-2010
Zaaknummer
962119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is de laatste van drie in deze zaak. De zaak heeft betrekking op een overeenkomst mb.t. een mobiele telefoon met abonnement. Gedaagde voert diverse verweren aan, die door de kantonrechter worden verworpen. De kern van de zaak is de toewijsbaarheid van de gevorderde schadevergoeding. De kantonrechter dient op basis van Europese richtlijnen te beoordelen of er bij de totstandkoming van de overeenkomst sprake was van een onredelijk bezwarend beding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTRUM JUSTITIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 18 februari 2009,

gemachtigde: Blume Stolker & Roel Gerechtsdeurwaarders te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna “Intrum Justitia” en “[gedaagde]” genoemd.

Verwezen wordt naar het op 15 oktober 2009 gewezen tussenvonnis.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1 Bij voormeld tussenvonnis heeft de kantonrechter Intrum Justitia (nogmaals) in de gelegenheid gesteld bij akte de facturen waarop zij haar vordering grondt, in het geding te brengen en zich daarbij uit te laten zoals in (2.4 en 2.5 van) dat vonnis bedoeld.

1.2 Intrum Justitia heeft een akte genomen en daarbij producties overgelegd.

1.3 [gedaagde] heeft, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, niet gereageerd. Daarop is een datum voor de uitspraak van dit vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1 Bij voormelde akte heeft Intrum Justitia (onder meer) aangevoerd dat de gevorderde schadevergoeding is gebaseerd op de wet en niet op de algemene voorwaarden van Vodafone, hetgeen [gedaagde] (overigens) onbestreden heeft gelaten. Dit leidt tot de volgende overwegingen.

2.2 Uit hetgeen Intrum Justitia naar voren heeft gebracht, blijkt dat tussen Vodafone en [gedaagde] is gecontracteerd voor de duur van 24 maanden, ingaande 10 juni 2008, en dat de overeenkomst is ontbonden per 1 oktober 2008.

2.3 Uit de door Intrum Justitia bij haar laatste akte overgelegde facturen blijkt dat de eerste vier daarvan (factuurnummer 95153599, 97048459, 98930832 en 101023738), voor een totaalbedrag ad € 740,72 (inclusief BTW), zien op de periode tot aan de ontbinding van de overeenkomst. Nu het door [gedaagde] gevoerde verweer reeds bij vonnis van 23 juli 2009 werd verworpen, wordt het totaal van deze facturen, waarvan de hoogte door [gedaagde] onbestreden is gelaten, toegewezen.

2.4 Ter toelichting op de vijfde en laatste factuur (factuurnummer 101652949) ad € 558,26 (inclusief BTW), welke factuur Intrum Justitia bij akte van 20 augustus 2009 overigens verminderd heeft met de helft in verband met de overeengekomen korting ad 50%, heeft Intrum Justitia gesteld dat deze ziet op de schadevergoeding tot betaling waarvan [gedaagde] gehouden is doordat geen wederzijdse nakoming maar ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt. Het bedrag van die schadevergoeding is in redelijkheid en conform vaste jurisprudentie van de Geschillencommissie Telecommunicatie vastgesteld op het totaal der gederfde vaste abonnementsgelden over het na ontbinding resterende gedeelte van de tussen partijen overeengekomen looptijd van de overeenkomst. Indien deze niet was ontbonden, zou Vodafone tenminste aanspraak gehad hebben op die bedragen. Verder is het zo dat bij instandhouding van overeenkomsten als de onderhavige normaliter naast vaste inkomsten bovendien variabele (gespreks)inkomsten worden gegenereerd en dat nu ook de hiermee corresponderende winst gederfd wordt, doch vergoeding daarvan is niet separaat aan [gedaagde] in rekening gebracht. Voorts is van belang dat [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst om niet een mobiel telefoontoestel heeft ontvangen ter waarde van € 250,00. Deze investeringen worden door Vodafone gedaan en zijn slechts verantwoord vanuit de gerechtvaardigde verwachting dat de klant nakomt waartoe hij zich verbonden heeft en dat de overeenkomst dus niet voortijdig hoeft te eindigen. De werkelijk geleden schade is hoger dan de schade die aan [gedaagde] in rekening is gebracht. Aldus Intrum Justitia.

2.5 Vooropgesteld wordt dat ingevolge artikel 6:277 BW Vodafone, thans Intrum Justitia van [gedaagde] vergoeding kan vorderen van de schade die zij lijdt doordat (in verband met de non-betaling van [gedaagde]) geen wederzijdse nakoming maar ontbinding van de overeenkomst heeft plaatsgehad.

2.6 Uitgangspunt hierbij is dat alleen daadwerkelijk geleden schade voor toewijzing in aanmerking komt. Om de daadwerkelijk geleden schade vast te kunnen stellen heeft Intrum Justitia echter onvoldoende aanknopingspunten naar voren gebracht. Het hiervoor weergegeven betoog van Intrum Justitia bevat die niet. Derhalve zal de kantonrechter die schade onder toepassing van artikel 6:97 BW schatten. In verband daarmee wordt het volgende overwogen.

2.7 Uit hetgeen Intrum Justitia naar voren heeft gebracht, blijkt dat de maandelijkse vaste kosten voor [gedaagde] € 27,50 (inclusief BTW) bedroegen, verminderd met 50% korting, oftewel € 13,75 per maand. Voor de periode 1 oktober 2008 tot en met 9 juni 2010 (de datum waarop de overeenkomst zou zijn geëindigd indien deze niet ontbonden was) komt dit neer op een bedrag ad (20 maanden plus 9/30e maand (juni 2010 tot en met de 9e) maal

€ 13,75 per maand, oftewel) € 279,13 (inclusief BTW).

2.8 Van dit bedrag dient voorts 19% te worden afgetrokken, nu dat de BTW betreft, welke niet als schade kan worden aangemerkt. Derhalve resteert een bedrag ad € 226,10.

2.9 Verder dient in ogenschouw genomen te worden dat door de ontbinding van de overeenkomst Intrum Justitia -of beter gezegd: Vodafone- vanaf de ontbindingsdatum jegens [gedaagde] bevrijd was van haar verplichting tot het leveren van de met hem overeen gekomen telecommunicatiediensten, waarmee zij kosten bespaard heeft en waarmee dus bij de begroting van de schade rekening gehouden behoort te worden.

2.10 Nu Intrum Justitia daartoe geen aanknopingspunten heeft gesteld, acht de kantonrechter het redelijk, ook gelet op de overeengekomen korting, de kostenbesparing te schatten op één derde deel. Derhalve resteert van voormeld bedrag ad € 226,10 thans € 150,74.

2.11 Dan is er nog de door Vodafone ‘om niet’ aan [gedaagde] ter beschikking gestelde telefoon. Hiervan heeft Intrum Justitia bij haar laatste akte gesteld dat deze destijds een waarde van € 250,00 vertegenwoordigde en thans nog een nieuwwaarde heeft van € 85,95. Opgemerkt wordt dat Intrum Justitia deze stelling niet nader heeft onderbouwd. Verder heeft zij ook geen inzicht verschaft ten aanzien van de vraag of het bedrag ad € 250,00 de inkoop- of consumentenverkoopprijs betreft en of -ook hier van belang- BTW is (door)berekend. Gezien dit alles zal de kantonrechter dit deel van de door Vodafone/Intrum Justitia geleden schade begroten op € 100,00.

2.12 Het aan Intrum Justitia toekomende schadebedrag komt aldus op € 250,74.

2.13 Conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag ad (€ 740,72 plus € 250,74, derhalve) € 991,46 aan hoofdsom.

2.14 Nu een lager bedrag aan hoofdsom wordt toegewezen dan door Intrum Justitia bij dagvaarding was gevorderd, kan het door haar gevorderde bedrag ad € 29,00 ter zake van tot 9 februari 2009 vervallen rente niet juist zijn. Nu voor toewijzing van die rente over een hoger bedrag dan wel vanaf een eerdere datum geen deugdelijke grondslag is gesteld of gebleken, zal de door Intrum Justitia gevorderde wettelijke rente worden toegewezen over voormelde hoofdsom ad € 991,46 vanaf 9 februari 2009 tot de dag der algehele voldoening.

2.15 Voor toewijzing van de door Intrum Justitia gevorderde buitengerechtelijke kosten bestaat geen aanleiding, nu zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat er daadwerkelijk buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht van dien aard dat het redelijk is daarvoor, naast een eventuele proceskostenveroordeling, van [gedaagde] een vergoeding te verlangen.

2.16 Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde] in de kosten van de procedure veroordeeld.

3. De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde] aan Intrum Justitia tegen kwijting te betalen € 991,46, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarover vanaf 9 februari 2009 tot de dag van algehele voldoening, één en ander een bedrag ad € 5.000,00 niet te boven gaand;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Intrum Justitia vastgesteld op € 287,25 aan verschotten en € 200,00 aan salaris voor haar gemachtigde;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Lubberink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.