Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL7866

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
349210 / KG ZA 10-169
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering opheffing beslag op schip en op de zich aan boord van het schip bevindende bunkers.

Is de bij de lossing van de lading ilmenite ontstane schade aan de grijpers een zeerechtelijke vordering in de zin van artikel 1 lid 1 sub a van het Brussels Beslagverdrag d.d. 10 mei 1952? Het verhaalsbeslag op de zich in het schip bevindende bunkers is geen beslag in de zin van voornoemd Beslagverdrag. Beoordeeld dient derhalve of dit beslag summierlijk ondeugdelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2010/133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 349210 / KG ZA 10-169

Uitspraak: 24 februari 2010

VERKORT VONNIS in kort geding in de zaak van:

de rechtspersoon naar het recht van het land en de plaats van haar vestiging

SEVENTH OCEAN GMBH & CO KG,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

eiseres,

advocaten mr. D.L.M. van der Kramer,

- tegen -

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INDALO SHIPPING TRANSPORT & CONSULTANCY B.V.,

h.o.d.n. MARITEAM SHIPPING AGENCIES,

gevestigd, althans kantoorhoudende te Rotterdam,

2. de rechtspersoon naar het recht van het land en de plaats van haar vestiging

TRONOX PIGMENTS GMBH,

gevestigd, althans kantoorhoudende te Uerdingen, Duitsland,

3. de rechtspersoon naar het recht van het land en de plaats van haar vestiging

STORK INTERNATIONAL GMBH,

gevestigd, althans kantoorhoudende te Wenen, Oostenrijk,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ROTTERDAM BULK TERMINAL (R.B.T.) B.V.,L GMBH,

gevestigd, althans kantoorhoudende te Vlaardingen,

gedaagden,

advocaat mr. R. Sinke.

Eiseres wordt hierna aangeduid als “Seventh Ocean”. Gedaagden worden als zodanig

aangeduid en ieder afzonderlijk als respectievelijk “Mariteam”, “Tronox Pigments”,

“Stork International” en “R.B.T.“.

Gedaagden zijn vrijwillig verschenen.

1 Het verloop van het geding

De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- conclusie van eis;

- producties van mr. Van der Kramer;

- pleitnotities en producties van mr. Sinke.

De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van

22 februari 2010.

Vanwege de spoedeisendheid van de zaak wordt thans volstaan met dit verkorte vonnis.

Indien partijen daarom binnen 14 dagen na heden verzoeken, zullen zij een volledig uitgewerkt vonnis ontvan-gen.

2 De vaststaande feiten

In dit kort geding wordt van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.1

Seventh Ocean is eigenaar van de ms “GABION”, varend onder Duitse vlag met IMO nummer: 9165786 (hier-na: het schip).

2.2

Met het schip is een lading ilmenite vervoerd. R.B.T. heeft de lading ilmenite op 16 februari 2010 in Rotterdam gelost.

2.3

Gedaagden hebben, na daartoe op 16 februari 2010 verlof te hebben verkregen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, ten laste van Seventh Ocean en de reisbevrachter Puyvast Chartering B.V., gevestigd te Noord-wijk, op 16 februari 2010 conservatoir vreeemdelingenbeslag gelegd op het schip en op de zich aan boord van het schip bevindende bunkers.

De vordering waarvoor de beslagen zijn gelegd, is, met inbegrip van rente en kosten, begroot op € 102.000,00 en USD 18.000,00.

2.4

In het beslagrekest hebben gedaagden hun vordering ad € 102.000,00 als volgt onderbouwd:

a. extra werk/wachttijd van stuwadoor € 9.000,00

b. schade aan grijpers zoals vastgesteld door wederzijdse surveyors € 65.000,00

c. demurrage (wachtgeld) van de binnenschepen t.b.v. Tronox € 2.183,48

d. demurrage van binnenschip voor Stork € 2.646,54

subtotaal € 78.830,02

rente en kosten € 23.169,98

totaal € 102.000,00

- “despatch money” in verband met de verkorte ligtijd van het schip tijdens het laden in

India (op grond van de charterparty) USD 13.919,78

2.5

Op 17 februari 2010 heeft [A] namens D. Touw Expertise & Ingenieurs-bureau B.V. een rapport aangaande de aan de voor de lossing door RBT gebruikte grijpers ontstane schade opgemaakt.

2.6

Op 19 februari 2010 zijn de beslagen die ten laste van Puyvast Chartering B.V. door

gedaagden zijn gelegd, door gedaagden opgeheven.

3 De beoordeling

3.1

Seventh Ocean vordert - verkort en zakelijk weergegeven - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de ten laste van haar op 16 februari 2010 gelegde beslagen binnen één uur na betekening van dit vonnis op te heffen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 5.000,00 door iedere gedaagde voor ieder uur dat (ieder der) gedaagden hiermee in gebreke blijft c.q. blijven, en met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure en de nakosten, des dat de één betaalt de anderen zullen zijn bevrijd.

3.2

Tijdens de mondelinge behandeling van onderhavig kort geding hebben gedaagden de

vordering, die ziet op USD 18.000,00, inclusief rente en kosten, ingetrokken. De hiervoor onder 2.4 genoemde vordering ad € 102.000,00 op Seventh Ocean is alleen gehandhaafd namens Mariteam en R.B.T. en namens Tronox Pigments en Stork International ingetrokken. In zoverre kan het beslag dus worden opgeheven.

3.3

In de visie van Mariteam en R.B.T. is de vordering wegens schade aan de grijpers c.a. een zeerechtelijke vorde-ring in de zin van het Brussels Beslagverdrag van 10 mei 1952 (hierna:

het Beslagverdrag) en wel als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub a van het Beslagverdrag. Het eerdere beroep op arti-kel 1 lid 1 sub e hebben Mariteam en R.B.T. ter zitting prijsgegeven. Een zeerechtelijke vordering in de zin van artikel 1 lid 1 sub a van het Beslagverdrag is een vordering voorvloeiende uit “schade, veroorzaakt door een schip in geval van aanvaring of anderszins” (in het originele Engels: “damage caused by any ship either in colli-sion or otherwise”).

Seventh Ocean heeft aangevoerd dat artikel 1 lid 1 sub a van het Beslagverdrag eng moet worden uitgelegd en louter ziet op een vordering voortvloeiende uit schade die veroorzaakt wordt door een aanvaring tussen schepen en dat - gelet hierop - de vordering voortvloeiende uit de (beweerdelijk) ontstane schade aan de grijpers van R.B.T. geen zeerechtelijke vordering als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub a van het Beslagverdrag is.

Mariteam en R.B.T. hebben ten verwere aangevoerd dat een zeerechtelijke vordering in dit verband, gelet op de woorden ‘of anderszins/or otherwise’ ruimer dient te worden uitgelegd.

Mariteam en R.B.T. hebben aangevoerd dat Seventh Ocean als eigenaar van het schip onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, doordat het schip niet geschikt was voor de lossing van de lading ilmenite doordat er zich (on-dermeer) obstakels op de bodem van het schip bevonden. Seventh Ocean had er zorg voor moeten dragen dat het schip geschikt was voor voornoemde lossing, dan wel R.B.T. op deze obstakels, waardoor zij schade aan twee van haar grijpers heeft opgelopen, moeten attenderen.

3.4

De voorzieningenrechter is van oordeel, dat - wat er ook zij van de zeer enge interpretatie van Seventh Ocean van artikel 1 lid 1 sub a van het Beslagverdrag - dit artikellid niet zo ruim moet worden uitgelegd dat een schade als deze daaronder valt. Het schip voer niet, de schade vloeit niet zozeer rechtstreeks voort uit de constructie van (de ruimen van) het schip maar veeleer uit de omstandigheid dat die constructie aan R.B.T. (en Mariteam) niet bekend was en evenmin bekend gemaakt, waardoor schade is ontstaan bij lossing.

Dit is een feitelijke grondslag die zo ver verwijderd is van de situatie van aanvaring dat de woorden “or otherwi-se”, die geacht moeten worden tot op zekere hoogte met aanvaring vergelijkbare situaties (bijvoorbeeld schade als gevolg van scheepsmanoeuvres die, al dan niet samenhangend met golven, tot schade leiden zonder dat het schip zelf iets heeft geraakt) onder de werking van voornoemd artikellid te brengen, hierop niet toepasselijk zijn. De voorzieningenrechter gaat er dan ook voorshands vanuit dat in casu geen sprake is van een zeerechtelijke vordering als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub a van het Beslagverdrag, ook niet als dit naar Nederlands recht een vordering uit aanvaring (in de zin van artikel 8:541 BW) zou zijn.

Nu partijen het er over eens zijn dat geen van de andere artikelleden van artikel 1 van het Beslagverdrag van toepassing is, zal het gelegde beslag op het schip worden opgeheven, zoals hierna in het dictum vermeld.

3.5

Ten aanzien van de bunkers heeft Seventh Ocean eigenlijk niet méér aangevoerd dan dat de vordering geen zee-rechtelijke vordering in de zin van het Beslagverdrag is. Naar de letter van het Beslagverdrag en vaste jurispru-dentie, ziet dat Verdrag niet op beslag op bunkers.

Nu het verhaalsbeslag op de zich in het schip bevindende bunkers geen beslag is als bedoeld in het Beslagver-drag, ligt vervolgens de vraag voor of de vordering ad € 102.000,00, waarvoor thans nog beslag is gelegd door Mariteam en R.B.T. summierlijk ondeugdelijk is.

3.5.1

De vordering aangaande de demurrages van de binnenschepen van Tronox Pigments en Stork International (zie onder c en d onder 2.4) wordt als ingetrokken beschouwd (zie 3.2).

3.5.2

Ter zitting heeft mr. Sinke aangegeven dat Mariteam, die in opdracht van Tronox Pigments en Stork Internatio-nal het vervoer van voornoemde lading ilmenite heeft geregeld, geen separate vordering heeft op Seventh Oce-an; haar vordering is een afgeleide van die van R.B.T. Voorshands valt niet in te zien waarom naast R.B.T. ook Mariteam vorderingsgerechtigd jegens Seventh Ocean zou zijn. Mitsdien zal het door Mariteam gelegde beslag worden opgeheven.

3.5.3

Voorts heeft mr. Sinke ter zitting gesteld dat de bunkers toebehoren aan Seventh Ocean, nu zij in Gibraltar zijn besteld door haar - op hetzelfde adres gevestigde - zustermaatschappij, die als manager namens Seventh Ocean optreedt. Nu de bunkers niet aan de reisbevrachter toekomen, valt niet in te zien aan wie zij anders dan aan Seventh Ocean zouden behoren. R.B.T. stelt dat de bunkers, voor zover die zien op de Heavy Fuel Oil, een waarde vertegenwoordigen van 400 dollar per ton (hetgeen een totale waarde van € 334.800,00 voor de Heavy Fuel Oil met zich meebrengt). Seventh Ocean volstaat met te stellen dat zij niet weet aan wie de bunkers toebe-horen.

Als al mag worden aangenomen dat Seventh Ocean voldoende belang bij haar vordering tot opheffing heeft - zij stelt immers niet eens zeker te weten of de bunkers haar eigendom zijn - heeft zij toch in elk geval volstrekt on-voldoende aangevoerd om de slotsom te rechtvaardigen dat de door R.B.T. gestelde vordering uit onrechtmatige daad op haar (naar Nederlands recht) ondeugdelijk zou zijn.

Het voorgaande betekent dat het gelegde beslag op de bunkers, voorzover dit is gelegd door

R.B.T. gehandhaafd blijft en zal worden herbegroot tot € 96.000,00, welke bedrag als volgt is opgebouwd:

- extra werk/wachttijd van stuwadoor € 9.000,00

- schade aan grijpers € 65.000,00

- rente en kosten (circa 30%) € 22.000,00

totaal € 96.000,00

3.6

Het beslag op de bunkers dient te worden opgeheven als door Seventh Ocean ten behoeve van R.B.T. hiertoe genoegzame zekerheid wordt gesteld.

3.7

Nu partijen ieder deels in het ongelijk zijn gesteld ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter,

heft op het beslag op de ms “GABION” met IMO nummer: 9165786;

heft op het beslag op de bunkers voorzover dit is gelegd door Mariteam, Tronox Pigments en Stork Internatio-nal;

handhaaft het beslag op de bunkers namens R.B.T. en herbegroot de vordering waarvoor beslag is gelegd op € 96.000,00;

compenseert de proceskosten aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H.C. Fraaij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar.

1862/106