Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL6638

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
05-03-2010
Zaaknummer
324859 / HA ZA 09-482
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad; bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 324859 / HA ZA 09-482

Uitspraak: 27 januari 2010

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eisers],

wonende te Barendrecht,

eiser,

advocaat mr. M. van der Veen,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAAS-DELTA DEURWAARDERS GGN B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J. Verbeeke.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "Maas-Delta".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 3 februari 2009 en de door [eiser] overgelegde producties;

- akte d.d. 25 februari 2009 aan de zijde van [eiser] waarbij een aanvullende productie is overgelegd;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 29 april 2009, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 9 september 2009.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1 Op 11 november 2008 heeft [eiser] in opdracht van Solvence B.V. (hierna: Solvence) een bezoek gebracht aan de familie [X] vanwege een openstaande schuld van deze familie aan Fortis ASR Financieringen N.V. [eiser] was op dat moment eigenaar van een incassobureau genaamd Solvital. Solvital is met ingang van 23 februari 2009 omgezet in een besloten vennootschap.

2.2 Bij brief van 24 november 2008 heeft Maas-Delta aan [eiser] – voor zover thans van belang – het volgende meegedeeld:

“(…)

Op dinsdagavond 11 november 2008 heeft u omstreeks 22.00 uur aangebeld aan het adres (…) te Rotterdam. Aldaar bent u te woord gestaan door mw. [X]. U heeft zich ten overstaan van mevrouw [X] en haar partner voorgedaan als zijnde deurwaarder van Maas-Delta Deurwaarders.

Kortom, bij uw huisbezoeken introduceert u zich als (gerechts)deurwaarder van Maas-Delta Deurwaarders, terwijl u dit NIET bent. Maas-Delta Deurwaarders heeft u voorts nimmer op enigerlei wijze toestemming gegeven dat u haar naam mag gebruiken, op welke wijze dan ook. Hiermee handelt u onrechtmatig jegens Maas-Delta Deurwaarders, (…).

Bij de huisbezoeken bedient u zich ook nog eens van praktijken die niet door de beugel kunnen. Door deze handelswijze worden alle gerechtsdeurwaarders in het algemeen, en Maas-Delta Deurwaarders in het bijzonder, rechtstreeks in haar belang getroffen en lijdt zij schade.

Hierbij sommeren wij u om vanaf heden elk gebruik van de naam Maas-Delta Deurwaarders, danwel de term ‘gerechtsdeurwaarder’ te staken en gestaakt te houden.

(…) Wij zullen ommegaand aangifte doen bij de politie van de door u gepleegde strafbare feiten, (…). De aangifte wordt gebaseerd op het feit dat u zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van gerechtsdeurwaarder voert, hetgeen strafbaar is ex artikel 435 sub 3 Wetboek van Strafrecht. (…).”

2.3 Bij brief van 21 november 2008, gericht aan Solvence B.V. maar geadresseerd aan het postbusadres van [eiser], heeft Maas-Delta aan Solvence – voor zover thans van belang – het volgende meegedeeld:

“(…)

In het kader van incassowerkzaamheden brengt dhr. [eiser] namens uw kantoor huisbezoeken aan schuldenaren van opdrachtgevers (…)

Op dinsdag 18 december 2008 heeft dhr. [eiser] omstreeks 22.00 uur aangebeld aan het adres (…) te Rotterdam. (…) Dhr. [eiser] heeft zich ten overstaan van mevrouw [X] en haar partner voorgedaan als zijnde deurwaarder van Maas-Delta Deurwaarders, althans medewerker van Maas-Delta Deurwaarders. (…)

Kortom, bij zijn huisbezoeken doet dhr. [eiser] zich voor als zijnde (gerechts)deurwaarder van Maas-Delta Deurwaarders, danwel medewerker van Maas-Delta Deurwaarders, terwijl hij dit NIET is. Maas-Delta Deurwaarders heeft dhr. [eiser] en/of Solvence BV voorts nimmer op enigerlei wijze toestemming gegeven dat haar naam door dhr. [eiser] en/of Solvence BV mag worden gebruikt, op welke wijze dan ook. Hiermee handelt u onrechtmatig jegens Maas-Delta Deurwaarders, hetgeen door ons ook op geen enkele wijze zal worden getolereerd. (…)

Hierdoor sommeren wij u om vanaf heden elk gebruik van de naam Maas-Delta Deurwaarders, danwel de term ‘gerechtsdeurwaarder’ door u en/of dhr. [eiser] te staken en gestaakt te houden. (…).”

2.4 Op 28 november 2008 heeft Maas-Delta aangifte bij de politie gedaan van het opgeven van een valse identiteit door [eiser].

2.5 Op 29 november 2008 heeft [eiser] aangifte bij de politie gedaan ter zake belediging door Maas-Delta.

2.6 [eiser] heeft op 19 december 2008 de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders verzocht zich over de zaak te buigen. De commissie die het geschil over het gebruik van de term ‘gerechtsdeurwaarder’ door [eiser] onderzocht, heeft Solvence verzocht een verklaring af te leggen ten aanzien van haar relatie met Solvital. In haar brief d.d. 9 januari 2009 aan de commissie heeft Solvence – voor zover thans van belang – het volgende verklaard:

“(…)

Met het feit dat de heer [eiser] onverwijld is aangeklaagd door Maas-Delta deurwaarders is bij ons de overtuiging gerezen dat door hen een secure afweging is gemaakt van de zaak, zoals verwacht mag worden van een gerenommeerde deurwaardersorganisatie zoals Maas-Delta. Aangezien zij voor ons kenbaar gesterkt zijn in hun overtuiging dat de heer [eiser] zich onrechtmatig heeft gedragen ten opzichte van hun organisatie hebben wij moeten aannemen dat dit ook het geval is ten aanzien van de onze of althans jegens een van onze debiteuren.

Wij hebben op basis van die overtuiging geen andere keuze gehad dan onze samenwerking met Solvital en de heer [eiser] terstond te beëindigen. Zonder zekerheid ten aanzien van het voorval hebben wij het zekere voor het onzekere moeten nemen en vertrouwd op de waarneming en beoordeling van Maas-Delta. (…).”

3 De vordering

De vordering luidt – kort en zakelijk weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

- voor recht te verklaren dat Maas-Delta onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door de brief d.d. 24 november 2008 door te sturen aan Solvence;

- Maas-Delta te veroordelen tot herroeping van de schadelijke beweringen en onthouding van verdere negatieve uitlatingen en handelingen op straffe van een dwangsom van

€ 15.000,00 per schadetoebrengende handeling, dan wel een in goede justitie te bepalen dwangsom;

- te bevelen dat Maas-Delta de strafrechtelijke aangifte, zoals genoemd onder 2.4, intrekt;

- Maas Delta te veroordelen tot betaling van € 2.500,00 per week vanaf 24 november 2008 tot aan de datum van het in deze zaak te wijzen eindvonnis;

- Maas-Delta te veroordelen tot betaling van wettelijke rente en proceskosten met inbegrip van nakosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [eiser] heeft zich bij zijn bezoek aan de familie [X] gepresenteerd als vertegenwoordiger van Solvital, daarbij handelende in opdracht van Solvence. [eiser] heeft zich niet, dus ook niet ten tijde van zijn bezoek aan de familie [X], uitgegeven voor (gerechts)deurwaarder van Maas-Delta. [eiser] betwist al hetgeen Maas-Delta daarover in haar brieven, zoals opgenomen onder 2.2 en 2.3, heeft geschreven. Door het versturen van de onder 2.3 genoemde brief aan Solvence – de grootste opdrachtgever van [eiser] –, heeft Maas-Delta onrechtmatig gehandeld jegens [eiser]. De daarin genoemde feitelijkheden zijn immers onjuist. Na kennisneming van deze brief heeft Solvence niettemin haar opdrachten aan [eiser] gestaakt. Daardoor heeft [eiser] schade geleden, welke door hem wordt begroot op een bedrag van € 2.500,00 per week, zijnde de niet gerealiseerde omzet.

3.2 Maas-Delta heeft onterecht aangifte gedaan ter zake het opgeven van een valse identiteit door [eiser]. Maas-Delta dient deze strafrechtelijke aangifte in te trekken.

3.3 [eiser] vordert wettelijke rente over alle bedragen vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag dat vonnis is gewezen, alsmede veroordeling van Maas-Delta in de kosten van het geding met inbegrip van nakosten.

4 Het verweer

Het verweer strekt primair tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] en subsidiair tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding, dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Maas-Delta heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Uit het handelsregister blijkt dat Solvital ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding geen eenmanszaak, maar een vennootschap onder firma was. Nu de dagvaarding ten verzoeke van de eenmanszaak is uitgebracht, dient [eiser]

niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.2 [eiser] heeft zich bij de familie [X] onterecht uitgegeven voor gerechtsdeurwaarder van Maas-Delta. Maas-Delta heeft [eiser] daarvoor nimmer toestemming gegeven. [eiser] handelde bij zijn bezoek in opdracht van Solvence, zodat Maas-Delta ook gerechtigd was Solvence te informeren over het ten onrechte gebruiken van de naam ‘Maas-Delta’ en de titel ‘gerechtsdeurwaarder’ door [eiser]. Op grond hiervan heeft Maas-Delta de onder 2.2 en 2.3 genoemde brieven verstuurd. Maas-Delta heeft door het sturen van de brief aan Solvence niet onrechtmatig gehandeld, nu de in de brief gestelde feiten juist zijn.

4.3 De stelling van [eiser] dat Maas-Delta de onder 2.2 genoemde brief in kopie aan Solvence zou hebben gestuurd, is feitelijk onjuist. Er is geen sprake van een kopie, maar van een speciaal op Solvence toegespitste brief. Deze brief is door onjuiste adressering nooit bij Solvence aangekomen.

4.4 Maas-Delta betwist dat het voorzienbaar was dat Solvence haar opdrachten aan [eiser] zou staken. Er is geen sprake van een causaal verband tussen het sturen van de onder 2.3 genoemde brief en de door [eiser] gestelde schade.

4.5 Maas-Delta heeft er belang bij dat derden zich niet zonder toestemming en op oneigenlijke gronden uitgeven voor medewerker van haar kantoor. Ook de gehele beroepsgroep van gerechtsdeurwaarders wordt geschaad doordat [eiser] zich onterecht presenteert als gerechtsdeurwaarder. Maas-Delta heeft daarom terecht aangifte gedaan bij de politie. Maas-Delta kan deze aangifte niet meer intrekken.

4.6 Maas-Delta betwist de hoogte van de door [eiser] gestelde schade. De gestelde schade van € 2.500,00 per week is niet deugdelijk onderbouwd. [eiser] gaat ten onrechte uit van de omzet die zou zijn gerealiseerd in plaats van het misgelopen resultaat. Voorts is voor de gevorderde vergoeding van wettelijke rente en proceskosten geen grond.

4.7 Voor zover de rechtbank zou oordelen dat zij haar mededelingen moet herroepen, dan verzoekt Maas-Delta de rechtbank om daaraan geen dwangsom te verbinden.

5 De beoordeling

Niet-ontvankelijkheid

5.1 Als meest verstrekkende verweer heeft Maas-Delta een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van [eiser]. Maas-Delta stelt daartoe dat Solvital op de datum van dagvaarding een vennootschap onder firma en geen eenmanszaak meer was, doch dat de dagvaarding is uitgebracht op naam van [eiser], handelende onder de naam Solvital. Er is derhalve gedagvaard ten verzoeke van een eenmanszaak die per 1 januari 2009 niet meer bestaat.

5.2 De dagvaarding is uitgebracht op verzoek van [eiser], handelend onder de naam Solvital. [eiser] heeft ter comparitie gesteld dat hij de vordering in privé wil instellen en niet in Solvital (B.V.) wil inbrengen en dat het omzetten van de eenmanszaak in een vennootschap onder firma op een fout berustte. De rechtbank is van oordeel dat uit de stellingen van Maas-Delta voortvloeit dat zij van mening is dat [eiser] in persoon onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Mede gelet daarop valt niet in te zien waarom [eiser] niet zou kunnen worden ontvangen in een door hem in persoon ingestelde vordering. De rechtbank is voorts van oordeel dat Maas-Delta heeft begrepen of redelijkerwijs geacht kan worden te hebben begrepen wie als eiser in deze zaak wordt bedoeld. Maas-Delta heeft derhalve geen in rechte te respecteren belang bij haar beroep op de door haar gestelde onjuiste naamsvermelding in de dagvaarding. Het beroep op niet-ontvankelijkheid wordt dan ook afgewezen.

Onrechtmatige daad

5.3 [eiser] stelt dat Maas-Delta onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door de onder 2.3 genoemde brief naar Solvence te sturen. Hij stelt dat hetgeen Maas-Delta in deze brief heeft geschreven, namelijk dat [eiser] zich tegenover de familie [X] heeft voorgedaan als zijnde een gerechtsdeurwaarder van Maas-Delta, niet waar is.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gemotiveerde betwisting door Maas-Delta, niet vast staat dat [eiser] zich bij de familie [X] heeft gepresenteerd als vertegenwoordiger van Solvital. De rechtbank is voorts van oordeel dat, mocht komen vast te staan dat [eiser] zich heeft uitgegeven als vertegenwoordiger van Solvital, en dus niet als gerechtsdeurwaarder van Maas-Delta, het versturen van de onder 2.3 genoemde brief als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Maas-Delta heeft in dat geval immers onjuiste informatie over [eiser] verspreid, waarvan zij wist althans had moeten weten dat deze tot gevolg kon hebben dat Solvence aan die informatie voor [eiser] negatieve gevolgen zou verbinden. Dat Maas-Delta daarbij – kennelijk abusievelijk – de bewuste brief naar een verkeerd adres heeft verstuurd, is een omstandigheid die voor haar risico moet blijven. Maas-Delta had immers, naar zij zelf ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft gesteld, de intentie dat de brief Solvence zou bereiken. Met het versturen heeft zij derhalve het bewuste risico genomen dat de brief Solvence zou bereiken, hetgeen, naar Maas-Delta ter comparitie niet langer heeft weersproken, ook is gebeurd. Van eigen schuld aan de zijde van [eiser], zoals door Maas-Delta aangevoerd, kan in die omstandigheden geen sprake zijn.

5.4 Nu [eiser] zich beroept op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde – en door Maas-Delta betwiste – onrechtmatige daad, rust overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op [eiser] de bewijslast van zijn stelling. Gelet op het door [eiser] gedane bewijsaanbod, zal hij worden toegelaten tot het leveren van bewijs dat hij zich bij zijn bezoek aan de familie [X] heeft gepresenteerd als vertegenwoordiger van Solvital.

5.5 Mocht [eiser] niet slagen in het hem opgedragen bewijs, dan zal zijn vordering worden afgewezen. Immers, dan staat niet vast dat Maas-Delta onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.

Indien [eiser] slaagt in het hem opgedragen bewijs, dan staat vast dat Maas-Delta onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. De in dit verband gevorderde verklaring voor recht is echter niet toewijsbaar, nu uit de gedingstukken en uit hetgeen partijen ter comparitie van partijen hebben aangevoerd blijkt dat geen sprake is van een doorsturen van de onder 2.2 genoemde brief.

5.6 Voor het geval [eiser] slaagt in de bewijslevering, overweegt de rechtbank ten aanzien van de door hem gevorderde schade reeds thans als volgt. [eiser] heeft gesteld dat zijn schade bestaat uit gemiste omzet ten bedrage van € 2.500,00 per week. Maas-Delta heeft tot haar verweer onder meer aangevoerd dat de door [eiser] geleden schade – mits bewezen – niet kan worden afgeleid uit gemiste omzet, maar slechts uit misgelopen resultaat na aftrek van alle kosten en BTW. De rechtbank is met Maas-Delta van oordeel dat, mocht komen vast te staan dat [eiser] schade heeft geleden, deze schade moet worden begroot op de door hem gederfde winst na aftrek van kosten en BTW. [eiser] wordt gelet daarop verzocht zich met inachtneming van dit oordeel bij akte na bewijslevering nader uit te laten over de door hem geleden schade, bijvoorbeeld door overlegging van stukken waaruit blijkt hoeveel winst hij met zijn opdrachten van Solvence in de periode voor november 2008 realiseerde. Maas-Delta kan hierop dan bij antwoordakte na bewijslevering reageren.

5.7 De rechtbank houdt in afwachting van de bewijslevering iedere verdere beslissing aan.

6 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

draagt [eiser] op te bewijzen dat hij zich tegenover de familie [X] heeft gepresenteerd als vertegenwoordiger van Solvital;

bepaalt dat indien [eiser] dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. F. Aukema-Hartog;

bepaalt dat de advocaat van [eiser] binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in de maanden april tot en met juni 2010 en dat de advocaat van Maas-Delta binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog.

Uitgesproken in het openbaar.

1902/548