Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL6518

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
04-03-2010
Zaaknummer
324535 / HA ZA 09-414
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

zorgplicht financiele dienstverlener; strekking nationale hypotheekgarantie; schade en eigen schuld.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010, 142
JA 2010/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 324535 / HA ZA 09-414

Uitspraak: 10 februari 2010

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. R. Dijkema te Hilversum,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. J.M. Peet te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als "ABN AMRO" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 30 januari 2009 en de door ABN AMRO overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, tevens conclusie van (voorwaardelijke) eis in reconventie, met producties;

- conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie, met producties;

- conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in (voorwaardelijke) reconventie;

- conclusie van dupliek in (voorwaardelijke) reconventie.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 [gedaagde] is bij een op 29 december 2004 verleden hypotheekakte met ABN AMRO

een overeenkomst van hypothecaire geldlening aangegaan voor een bedrag van

€ 110.740,-- vermeerderd met rente en kosten. Bij dezelfde akte heeft [gedaagde] zijn woning aan het adres [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) ten behoeve van ABN AMRO bezwaard met het recht van hypotheek. De inhoud van de hypotheekakte luidt - voor zover relevant - als volgt:

"Borgtochtbepaling

1. voor de terugbetaling van de lening heeft de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (...) zich borg gesteld. (...)

3. Indien de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen als borg een betaling heeft gedaan aan de Bank, is de stichting in beginsel bereid de vordering ter zake van deze betaling niet bij de Schuldenaar in te vorderen mits en voor zover naar het oordeel van de stichting is gebleken dat:

- de Schuldenaar ten aanzien van het niet kunnen betalen van de geldlening te goeder trouw is geweest (...)".

2.2 [gedaagde] was ten tijde van het afsluiten van voornoemde hypothecaire geldlening voor bepaalde tijd tot 31 oktober 2005 aangesteld als chauffeur bij het Ministerie van Defensie. Ter verkrijging van de hypothecaire geldlening heeft het Ministerie een intentieverklaring afgegeven, waarvan de inhoud - voor zover relevant - luidt als volgt:

"(...)Hierbij deel ik u mee dat de Kpl M.G. [gedaagde] (...) sedert 01-11-1999 een dienstverband heeft als beroepsmilitair bepaalde tijd (BBT) bij de Defensie Verkeers- en Vervoersorgansiatie (DVVO), Werkeenheid Den Haag met als standplaats Den Haag.

(...)

Het beleid binnen DVVO biedt BBT-militairen, een en ander afhankelijk van verschillende factoren, de mogelijkheid om tot hun 35ste levensjaar als BBT militair te dienen dan wel te solliciteren naar een aanstelling voor onbepaalde tijd.

Het contract kan telkenmale voor één jaar worden verlengd, maar verlenging is, zoals eerder vermeld, van meerdere facetten afhankelijk. (...)"

2.3 ABN AMRO heeft met de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (hierna: de Stichting) in verband met de hypothecaire geldlening aan [gedaagde] een borgtochtovereenkomst gesloten. Op deze borgtochtovereenkomst zijn de Algemene Voorwaarden voor Borgtocht 2004 en de Normen 2004 (hierna: de Voorwaarden) van toepassing, die - voor zover relevant - luiden als volgt:

"Artikel A3

1. De geldgever dient in de overeenkomst waarin de lening is vastgelegd clausules van de volgende strekking op te nemen:

(...)

c. "Indien de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen als borg een betaling heeft gedaan aan de geldgever, is de stichting in beginsel bereid de vordering ter zake van deze betaling niet bij de geldnemer in te vorderen mits en voor zover naar het oordeel van de stichting is gebleken dat:

c.1 de geldnemer ten aanzien van het niet kunnen betalen van de lening te goeder trouw is geweest, en

c.2 de geldnemer zijn volledige medewerking heeft verleend om tot een zo goed mogelijke terugbetaling van de lening te geraken.

(...)

Artikel B12

(...)

4. Indien de stichting ten gevolge van een verwijtbaar handelen of nalaten van de geldgever het verlies niet of niet geheel betaalt, is de geldgever verplicht ten aanzien van de inning van de restantvordering uit hoofde van de lening te handelen overeenkomstig de dan geldende gedragslijn van de stichting.

Norm 1.1

De Normen 2004 betreffen de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een Nationale Hypotheek Garantie en zijn van toepassing op borgtochten voor geldleningen waarvoor vanaf 1 januari 2004 de offerte wordt uitgebracht. (...)

De geldgever is verantwoordelijk voor de toetsing. (...)

Norm 11.2

Het inkomen uit een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan voor de gehele looptijd van de lening in de toetsing worden betrokken, indien een verklaring van de werkgever wordt overgelegd van de volgende strekking:

"Bij gelijkblijvend functioneren en ongewijzigde bedrijfsomstandigheden wordt de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij beëindiging daarvan opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd."

In de overige gevallen (behoudens norm 11.3) kan het inkomen uit een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd uitsluitend worden meegenomen voor de duur van de resterende looptijd van de desbetreffende arbeidsovereenkomst, gerekend vanaf het moment van offreren van de lening. Voor de resterende looptijd wordt uitgegaan van het sociaal minimum (= huidige bijstandsuitkering) waarop recht bestaat voor het desbetreffende huishouden.

Norm 11.3

Indien inkomen wordt genoten uit (...) werk op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd waarbij geen verklaring overeenkomstig norm 11.2 wordt afgegeven, wordt het toetsinkomen vastgesteld op basis van de afgelopen 3 kalenderjaren. Voorts dient een werkgeversverklaring te worden overgelegd waaruit blijkt dat inkomen wordt genoten uit een (flexibele) arbeidsrelatie.

Als toetsinkomen wordt gehanteerd het gemiddelde jaarinkomen van de afgelopen 3 kalenderjaren, op basis van de jaaropgaven van het loon voor de loonbelasting en de jaaropgaven van loonvervangende uitkeringen, tot maximaal het jaarinkomen van het laatste kalenderjaar. Het aldus berekende inkomen kan voor de gehele looptijd van de lening in de toetsing worden betrokken."

2.4 [gedaagde] heeft sedert 1 juni 2006 geen hypothecaire betalingen meer verricht. ABN AMRO heeft op 22 juni 2007 de woning openbaar verkocht tegen een opbrengst van

€ 50.125,01.

2.5 Solveon Incasso B.V. (hierna: Solveon) heeft namens ABN AMRO een verliesdeclaratie ingediend bij de Stichting ten bedrage van € 64.382,27, die door de Stichting is ontvangen op 11 juli 2007. De Stichting heeft deze verliesdeclaratie bij brief van 27 augustus 2007 gehonoreerd tot een bedrag van € 14.023,80 en voor het overige afgewezen. De inhoud van deze brief luidt - voor zover relevant - als volgt:

"(...)

Ik heb geconstateerd dat op de volgende punten in strijd is gehandeld met de hiervoor genoemde Voorwaarden en Normen.

- Uit de door u overgelegde werkgeversverklaring blijkt dat de heer [gedaagde] een dienstverband had voor bepaalde tijd. De door u overgelegde intentieverklaring voldoet niet aan norm 11.2. Ondanks mijn verzoek heeft u geen jaaropgaven overgelegd.

- In verband met vorenstaande heeft de stichting een toetsing uitgevoerd. Hierbij is rekening gehouden met het toetsinkomen gedurende 1 jaar (resterende contractperiode) en daarna het sociaal minimum. Het maximale leenbedrag bedraagt hierdoor € 62.135,48. De borgstelling reikt derhalve niet verder dan

€ 62.135,48.

(...)

Op basis van de door u overgelegde documenten is de stichting van oordeel dat de ex-eigenaar-bewoner niet heeft voldaan aan het gestelde in artikel A3, lid 1 onder c. Dit betekent voor u dat u wel gerechtigd bent tot invordering van de eventuele restantvordering. (...)".

2.6 Solveon heeft bezwaar aangetekend tegen de gedeeltelijke afwijzing van de verliesdeclaratie door de Stichting. De Stichting heeft bij schrijven van 5 oktober 2007 het bezwaar ongegrond verklaard. In deze brief vermeldt de Stichting - voor zover relevant -:

"(...)

Bij een inkomen uit een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder (geldige) intentieverklaring geldt onderdeel 11.2 of 11.3 van de Normen 2004. Omdat u, ondanks ons opvragen in de brief van 18 juli 2007, niet de jaaropgaven van de afgelopen drie kalenderjaren heeft overgelegd, is gerekend met het inkomen van het lopende contract, en daarna met het sociaal minimum. (...)"

2.7 De Stichting heeft [gedaagde] op grond van een haar toekomend regresrecht aangesproken tot betaling van het door haar aan ABN AMRO uitgekeerde bedrag van € 14.023,80. [gedaagde] heeft vervolgens voor de voldoening van dit bedrag met de Stichting een betalingsregeling getroffen.

3 De vordering in conventie

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen om aan ABN AMRO te voldoen een bedrag van

€ 51.295,35 te vermeerderen met de overeengekomen rente over dit bedrag vanaf

11 september 2007 tot de dag der voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft ABN AMRO aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 ABN AMRO heeft op grond van de aan [gedaagde] verstrekte hypothecaire geldlening per 11 september 2007 nog een (restant)bedrag te vorderen van

€ 50.358,47. Deze vordering bestaat uit de totale vordering van ABN AMRO op [gedaagde] van € 114.507,28 minus de verkoopopbrengst van de woning ad € 50.125,01 minus het door de Stichting betaalde deel van de verliesdeclaratie ad

€ 14.023,80. [gedaagde] heeft ondanks sommatie geen gevolg gegeven aan betaling van dit bedrag, zodat hij in verzuim is jegens ABN AMRO.

3.2 ABN AMRO heeft tevens aanspraak op vergoeding van de contractuele rente over de verschuldigde hoofdsom. Deze bedraagt tot 11 september 2007 € 936,88.

3.3 ABN AMRO is op grond van de gedragslijn Restantvorderingen van de Stichting gerechtigd over te gaan tot inning van de restantvordering bij [gedaagde]. De Stichting heeft immers bij schrijven van 27 augustus 2007 aan ABN AMRO meegedeeld dat zij van oordeel is dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan het gestelde in artikel A3, lid 1 onder c van de Voorwaarden. Dit standpunt van de Stichting is begrijpelijk, aangezien de openbare verkoop is veroorzaakt door het gelegde executoriale beslag van de Dienst Stedenbouw & Volkshuisvesting Rotterdam en het niet betalen van de hypothecaire verplichtingen sedert negen maanden, zodat met recht gesteld kan worden dat [gedaagde] ten aanzien van het niet kunnen betalen van de lening niet te goeder trouw is geweest.

4 Het verweer in conventie

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van ABN AMRO in de kosten van het geding.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 ABN AMRO is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van hypothecaire geldlening, althans heeft onrechtmatig gehandeld jegens [gedaagde]. ABN AMRO heeft een op haar rustende zorgplicht geschonden. Deze zorgplicht omvat ook dat de regels van Nationale Hypotheek Garantie (NHG) die van toepassing zijn op de rechtsverhouding tussen cliënt en de bank correct worden toegepast.

4.2 ABN AMRO had op basis van de stukken die aanwezig waren in het dossier ten tijde van het afsluiten van de hypotheek niet een hypotheek ad € 110.740,-- met NHG kunnen verstrekken, maar maximaal een hypotheek ad € 62.135,48 met NHG, aangezien de overgelegde werkgeversverklaring niet voldeed aan de Voorwaarden. Uit artikel 1.1 van de Voorwaarden volgt dat de geldgever verantwoordelijk is voor de toetsing aan de Voorwaarden, zodat [gedaagde] er vanuit mocht gaan dat

ABN AMRO aan deze toetsing op juiste wijze uitvoering had gegeven. Nu de overeenkomst van hypothecaire geldlening niet voldoet aan de NHG-vereisten, is ABN AMRO toerekenbaar tekortgeschoten en heeft zij daarmee een op haar rustende zorgplicht geschonden.

4.3 [gedaagde] heeft gedwaald bij het sluiten van de overeenkomst van hypothecaire geldlening. Indien [gedaagde] had geweten dat de door hem overgelegde stukken niet voldeden aan de Voorwaarden, dan had hij de hypotheek niet (onder dezelfde voorwaarden) afgesloten. [gedaagde] ging ervan uit dat NHG van toepassing was, maar dit blijkt niet het geval te zijn.

4.4 ABN AMRO heeft door niet te voldoen aan het verzoek van de Stichting om aanvullende stukken schade veroorzaakt bij [gedaagde], en niet schadebeperkend gehandeld. Indien ABN AMRO de stukken eerder had overgelegd was de Stichting wellicht tot volledige betaling van de verliesdeclaratie overgegaan.

4.5 [gedaagde] betwist dat de ontmanteling van een wietkwekerij verband hield met zijn woning, en het is hem een raadsel waarom de Dienst Stedenbouw & Volkshuisvesting beslag heeft gelegd op zijn woning. [gedaagde] betwist dat er beslag is gelegd en dat dit beslag betrekking zou hebben op een wietkwekerij. De woning is openbaar verkocht omdat [gedaagde] niet meer in staat was de maandelijkse lasten van de woning te voldoen.

4.6 [gedaagde] betwist de hoogte van de vordering. ABN AMRO heeft nagelaten haar vordering met stukken of een nadere specificatie te onderbouwen.

5 De vordering in (voorwaardelijke) reconventie

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad ABN AMRO te veroordelen om binnen vier weken na betekening van het vonnis aan [gedaagde] te voldoen een bedrag van € 14.023,80, alsmede voor zover de vordering in conventie wordt toegewezen, aan [gedaagde] te voldoen een bedrag van € 51.295,35, vermeerderd met de overeengekomen rente vanaf 11 september 2007, beide vorderingen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2009 tot de dag der voldoening en met veroordeling van ABN AMRO in de proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [gedaagde] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

5.1 Aangezien sprake is van een toerekenbare tekortkoming althans onrechtmatig handelen van ABN AMRO dient ABN AMRO de schade van [gedaagde] die door de tekortkoming wordt geleden te vergoeden. ABN AMRO verkeert in verzuim aangezien nakoming van de overeenkomst blijvend onmogelijk is.

5.2 Indien ABN AMRO de Voorwaarden had nageleefd en had toegepast, zou [gedaagde] niet voldoende financiering hebben verkregen om de woning te kopen, en zou hij mitsdien de woning niet hebben gekocht. Hij had dan geen schade geleden. Bovendien zou [gedaagde] de overeenkomst niet hebben gesloten indien hij had geweten dat feitelijk geen NHG van toepassing was.

De door [gedaagde] geleden schade bestaat uit het bedrag van € 14.023,80 waarvoor [gedaagde] een betalingsregeling met de Stichting heeft getroffen.

Daarnaast bestaat de door [gedaagde] geleden schade, voor zover de vordering in conventie wordt toegewezen, uit de volledige vordering van ABN AMRO ad

€ 51.295,35.

6 Het verweer in (voorwaardelijke) reconventie

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [gedaagde] in de kosten van het geding.

ABN AMRO heeft daartoe het volgende aangevoerd:

6.1 Betwist wordt dat ABN AMRO jegens [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten danwel onrechtmatig heeft gehandeld.

Uit de door ABN AMRO ten tijde van de hypotheekaanvraag verrichte toetsing blijkt dat [gedaagde] aan de NHG-norm voldoet en dat een geldlening van

€ 110.740,-- binnen de daarvoor geldende banknormen aan [gedaagde] kan worden verstrekt.

Van een onrechtmatige daad kan geen sprake zijn nu evident is dat [gedaagde] geen schade heeft geleden. De vermogensrechtelijke positie van [gedaagde] voor de verstrekking van de hypothecaire geldlening en na terugbetaling ervan zal immers volkomen gelijk zijn, afgezien van de door hem betaalde rente over de hoofdsom.

6.2 ABN AMRO betwist dat [gedaagde] rechten kan ontlenen aan de tussen de Stichting en ABN AMRO gesloten borgtochtovereenkomst. Bovendien betwist ABN AMRO dat zij in strijd heeft gehandeld met de Voorwaarden. De Stichting had geen korting mogen toepassen op de door ABN AMRO ingediende verliesdeclaratie, aangezien uit de werkgeversverklaring genoegzaam blijkt dat [gedaagde] sedert 1999 werkzaam is bij het Ministerie van Defensie, en [gedaagde] bovendien voldoende inkomen genereerde ten tijde van de hypotheekverstrekking.

6.3 In het geval de Stichting tot volledige betaling van de verliesdeclaratie zou zijn overgegaan, zou de Stichting [gedaagde] ten belope van dit bedrag hebben aangesproken op grond van haar regresrecht.

6.4 ABN AMRO betwist dat [gedaagde] heeft gedwaald bij het sluiten van de overeenkomst. Vast staat dat [gedaagde] een hypothecaire geldleningsovereenkomst heeft gesloten onder NHG, zodat van dwaling geen sprake kan zijn. Bovendien kan een beroep op dwaling [gedaagde] niet baten, aangezien [gedaagde] ook in dat geval de aan hem verstrekte gelden dient terug te betalen.

7 Beoordeling

In conventie

7.1 Tussen partijen staat vast dat ABN AMRO aan [gedaagde] een hypothecaire geldlening heeft verstrekt voor een bedrag van € 110.740,--. Tevens staat vast dat op deze geldlening NHG van toepassing was. Zulks blijkt immers genoegzaam uit de door ABN AMRO overgelegde, en door [gedaagde] niet weersproken borgtochtbepaling in de tussen partijen opgemaakte hypotheekakte. [gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat feitelijk geen NHG op de hypothecaire geldlening van toepassing was omdat ABN AMRO bij het verstrekken van de hypothecaire geldlening de Voorwaarden niet juist heeft toegepast, maar dit betoog zou

- indien juist - hooguit tot de conclusie kunnen leiden dat de NHG-regels onjuist zijn toegepast, niet dat de hypothecaire geldlening is verstrekt zonder NHG.

7.2 De vraag die partijen in de eerste plaats verdeeld houdt is of ABN AMRO met het verstrekken van de hypothecaire geldlening toerekenbaar tekortgeschoten is, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde].

7.3 [gedaagde] heeft tot zijn verweer aangevoerd dat de op ABN AMRO rustende zorgplicht ook de regels van NHG omvat die van toepassing zijn op de rechtsverhouding tussen cliënt en de bank. ABN AMRO heeft zulks gemotiveerd betwist.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat de hypothecaire geldleningsovereenkomst is gesloten met toepassing van NHG. Als door [gedaagde] gesteld en door ABN AMRO niet weersproken staat voorts tussen partijen vast dat [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst om NHG-dekking heeft verzocht. In deze omstandigheden mocht [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank van ABN AMRO verwachten dat zij in het kader van de op haar rustende zorgplicht de overeenkomst zou toetsen aan de geldende vereisten voor het verstrekken van NHG. Zulks blijkt ook uit Norm 1.1, waarin is bepaald dat de geldgever verantwoordelijk is voor de toetsing.

7.4 Ter beoordeling ligt de vraag voor of ABN AMRO deze toetsing zorgvuldig heeft verricht. Vast staat dat [gedaagde] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd genoot, en vast staat voorts dat de werkgeversverklaring niet voldoet aan Norm 11.2. Daarmee is Norm 11.3 van toepassing geworden, dat blijkens haar inhoud geldt indien sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd waarbij geen verklaring overeenkomstig Norm 11.2 is afgegeven. Op grond van Norm 11.3 wordt het toetsinkomen vastgesteld op basis van de afgelopen 3 kalenderjaren. Gesteld noch gebleken is dat ABN AMRO Norm 11.3 heeft geschonden. [gedaagde] heeft immers niet weersproken dat hij reeds sinds 1999 werkzaam was als beroepsmilitair bij het Ministerie van Defensie, dat hij op het moment van hypotheekverstrekking voldoende inkomsten genereerde om de hypotheeklasten voor het overeengekomen bedrag van € 110.740,-- te voldoen, en dat zulks genoegzaam bleek uit de door hem aan ABN AMRO verstrekte salarisafrekening en werkgeversverklaring. [gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat hij (op enig moment) niet meer in staat was de hypotheeklasten te voldoen, maar gesteld noch gebleken is dat dit voorzienbaar was voor ABN AMRO. Geconcludeerd moet worden dat van schending van de op

ABN AMRO rustende zorgplicht bij het aangaan van de hypothecaire geldleningsovereenkomst geen sprake is geweest. Het door [gedaagde] gevoerde verweer dat ABN AMRO hem slechts een hypothecaire geldlening tot een bedrag van maximaal € 62.135,48 had mogen verstrekken, faalt derhalve.

7.5 [gedaagde] heeft voorts nog aangevoerd dat hij bij het aangaan van de hypothecaire geldlening heeft gedwaald, en daartoe aangevoerd dat hij, indien hij had geweten dat de door hem overgelegde stukken niet voldeden aan de Voorwaarden, de hypotheek niet (onder dezelfde voorwaarden) zou hebben afgesloten. ABN AMRO heeft dit betoog gemotiveerd weersproken, en daartoe aangevoerd dat, nu vast staat dat zij aan [gedaagde] een hypothecaire geldlening met NHG heeft verstrekt, van enige dwaling geen sprake kan zijn. [gedaagde] heeft hierop bij conclusie van dupliek niet meer gereageerd, zodat de rechtbank het erop houdt dat hij zijn stellingen op dit punt niet langer wenst te handhaven.

7.6 [gedaagde] heeft tot zijn verweer verder aangevoerd dat ABN AMRO heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende zorgplicht door niet (tijdig) te voldoen aan het verzoek van de Stichting om aanvullende stukken. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Uit de processtukken blijkt dat de Stichting vergoeding van de volledige verliesdeclaratie heeft geweigerd, omdat gebleken is dat de werkgeversverklaring niet voldoet aan Norm 11.2 en ABN AMRO vervolgens, ondanks verzoek daartoe van de Stichting, heeft nagelaten jaaropgaven van [gedaagde] over te leggen. De Stichting heeft dientengevolge, bij gebreke aan jaaropgaven, het maximale leenbedrag bepaald op het toetsingsinkomen gedurende 1 jaar en daarna het sociaal minimum. De rechtbank is van oordeel dat ABN AMRO door na te laten tijdig bedoelde jaaropgaven aan de Stichting te doen toekomen heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende zorgplicht jegens [gedaagde]. Immers, van ABN AMRO als verstrekker van een hypothecaire geldlening had verwacht mogen worden dat zij zich zoveel als redelijkerwijs mogelijk zou inspannen om te bewerkstelligen dat de Stichting tot uitkering zou overgaan, tot welke inspanning behoort het tijdig indienen van voor die uitkering benodigde stukken. In zoverre slaagt het verweer van [gedaagde].

7.7 ABN AMRO heeft aangevoerd dat zij, ondanks het feit dat de Stichting niet geheel is overgegaan tot uitbetaling van de verliesdeclaratie, gerechtigd is over te gaan tot inning van de restantvordering bij [gedaagde], aangezien [gedaagde] niet heeft voldaan aan het gestelde in artikel A3, lid 1 onder c van de Voorwaarden. [gedaagde] is ten aanzien van het niet kunnen betalen van de lening niet te goeder trouw geweest, aldus ABN AMRO. Dit niet te goeder trouw zijn bestaat er uit dat op de woning van [gedaagde] executoriaal beslag is gelegd in verband met de ontmanteling van een wietkwekerij, hetgeen heeft geleid tot de openbare verkoop van de woning, aldus ABN AMRO. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat er beslag is gelegd op zijn woning, en heeft eveneens weersproken dat sprake is geweest van ontmanteling van een wietkwekerij in zijn woning.

7.8 De rechtbank is van oordeel dat ABN AMRO, ondanks de schending van de op haar rustende zorgplicht als hiervoor omschreven onder 7.6, gerechtigd was de restantvordering bij [gedaagde] te innen, indien komt vast te staan dat [gedaagde] niet te goeder trouw is geweest, zoals door ABN AMRO gesteld. In die omstandigheden is immers door toedoen van [gedaagde] de woning (uiteindelijk) openbaar verkocht, hetgeen heeft geleid tot een verkoopopbrengst die verre van toereikend is om de hypothecaire geldlening af te lossen. Uit de brief van de Stichting van 27 augustus 2007 kan niet worden afgeleid of [gedaagde] niet te goeder trouw is geweest, nu de Stichting daarin in het midden laat of [gedaagde] naar haar oordeel niet heeft voldaan aan het gestelde in artikel A3, lid 1 onder c1 en/of c2, en mitsdien geen (duidelijk) oordeel geeft over de vraag of [gedaagde] te goeder trouw is geweest. De rechtbank zal ABN AMRO ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv, en mede gelet op haar bewijsaanbod in deze, toelaten tot het bewijs van haar stelling dat op de woning van [gedaagde] executoriaal beslag is gelegd in verband met de ontmanteling van een wietkwekerij in die woning. Mocht ABN AMRO slagen in de bewijsopdracht, dan is haar vordering toewijsbaar.

7.9 Ten aanzien van het door [gedaagde] gevoerde betoog dat ABN AMRO haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd, overweegt de rechtbank reeds thans het volgende. Dit verweer faalt. Uit de door ABN AMRO als productie 2 bij dagvaarding overgelegde verliesdeclaratie blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam uit welke componenten het door ABN AMRO geleden verlies is opgebouwd. Dit verlies bedraagt, zoals uit deze productie blijkt, na aftrek van de verkoopopbrengst van de woning,

€ 64.382,27. Na aftrek van hetgeen de Stichting aan ABN AMRO uit hoofde van haar verliesdeclaratie heeft uitgekeerd, resteert derhalve een vordering op [gedaagde] van in hoofdsom (€ 64.382,27 - € 14.023,80 = ) € 50.358,47.

[gedaagde] heeft niet weersproken dat hij tot 11 september 2007 aan overeengekomen rente

€ 936,88 verschuldigd is geworden, zodat ook dit bedrag, in het geval ABN AMRO slaagt in de bewijslevering, toewijsbaar is. Mocht ABN AMRO slagen in de bewijslevering, dan acht de rechtbank ook de door ABN AMRO gevorderde overeengekomen rente vanaf 11 september 2007 toewijsbaar over de verschuldigde hoofdsom van € 50.358,47.

In (voorwaardelijke) reconventie

7.10 Voor zover [gedaagde] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat ABN AMRO gelet op de op haar rustende zorgplicht slechts een hypothecaire geldlening tot maximaal

€ 62.135,48 had mogen verstrekken, dient deze vordering, gelet op hetgeen hiervoor onder 7.4 is overwogen, te worden afgewezen.

7.11 [gedaagde] heeft aan zijn vordering voorts ten grondslag gelegd dat hij schade heeft geleden doordat ABN AMRO heeft nagelaten de jaaropgaven aan de Stichting over te leggen, en betoogd dat de Stichting wellicht wel tot volledige vergoeding van de verliesdeclaratie was overgegaan indien ABN AMRO de Stichting tijdig had geïnformeerd.

7.12 Uit de stellingname van [gedaagde] volgt dat de door hem beweerdelijk geleden schade in ieder geval niet het gedeelte van de verliesdeclaratie betreft dat wel door de Stichting is uitgekeerd. [gedaagde] stelt zich immers op het standpunt dat hij schade heeft geleden doordat ABN AMRO niet (tijdig) de jaaropgaven aan de Stichting heeft verstrekt. Nu de Stichting ondanks die niet tijdige verstrekking de verliesdeclaratie wel gedeeltelijk heeft gehonoreerd, is de reconventionele vordering ten belope van het door de Stichting uitgekeerde bedrag van

€ 14.023,80 niet toewijsbaar.

7.13 ABN AMRO heeft niet betwist dat de Stichting tot volledige uitkering van de verliesdeclaratie zou zijn overgegaan indien ABN AMRO tijdig de gevraagde jaaropgaven zou hebben verstrekt. De rechtbank begrijpt het verweer van ABN AMRO aldus, dat ABN AMRO een beroep doet op eigen schuld aan de zijde van [gedaagde], nu op de woning van [gedaagde] executoriaal beslag is gelegd in verband met de ontmanteling van een wietkwekerij, hetgeen heeft geleid tot de openbare verkoop van de woning.

7.14 De rechtbank is van oordeel dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [gedaagde], indien komt vast te staan dat op de woning van [gedaagde] executoriaal beslag is gelegd in verband met de ontmanteling van een wietkwekerij in die woning. In dat geval staat immers vast dat de woning door toedoen van [gedaagde] openbaar is verkocht, hetgeen heeft geleid tot een verkoopopbrengst die verre van toereikend is om de hypothecaire geldlening af te lossen. De schending door ABN AMRO van de op haar rustende zorgplicht om de Stichting tijdig te voorzien van de verzochte jaaropgaven doet hieraan niet af. Op ABN AMRO rust, gelet op haar beroep op eigen schuld aan de zijde van [gedaagde], de bewijslast van haar stelling dat op de woning van [gedaagde] executoriaal beslag is gelegd in verband met de ontmanteling van een wietkwekerij in die woning. Mocht ABN AMRO slagen in deze bewijsopdracht, dan volgt daaruit dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [gedaagde]. De rechtbank acht alsdan de omvang van de eigen schuld aan de zijde van [gedaagde] zodanig dat door hem geleden schade volledig voor zijn eigen rekening dient te blijven.

In conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

7.15 De rechtbank zal in afwachting van het door ABN AMRO te leveren bewijs iedere verdere beslissing aanhouden.

8 De beslissing

De rechtbank,

in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

alvorens verder te beslissen,

draagt ABN AMRO op het bewijs van haar stelling dat op de woning van [gedaagde] executoriaal beslag is gelegd in verband met de ontmanteling van een wietkwekerij in die woning;

bepaalt dat indien ABN AMRO dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter

mr. F. Aukema-Hartog;

bepaalt dat de advocaat van ABN AMRO binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in de maanden april t/m juli 2010 en dat de advocaat van [gedaagde] binnen dezelfde termijn opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog.

Uitgesproken in het openbaar.

548/1980

Zaak-/rolnummer: 324535 / HA ZA 09-414