Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL6275

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
10/701107-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Plaatsing in psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van één jaar.

- Vrijspraak inzake poging doodslag nu niet is komen vast te staan dat de verdachte het slachtoffer heeft opgetild en heeft getracht haar over de reling van een galerijbalkon te gooien.

- Vrijspraak inzake zware mishandeling nu niet is gebleken dat de opzet van verdachte - ook niet in voorwaardelijke zin - erop was gericht de [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

- Bewezenverklaring mishandeling. Dat de verdachte ontoerekeningsvatvaar wordt geacht staat niet in de weg aan bewezenverklaring van het opzet. Uit een over de verdachte opgemaakte rapportage blijkt dat de verdachte zich binnen zijn paranoide waanvorming wel bewust was van wat hij deed, ook al was dat irrationeel. De rechtbank concludeert hieruit dat er daarom geen sprake was van een situatie waarbij de verdachte geen enkel inzicht had in de reikwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan. Aangezien de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging kan een schadevergoedingsmaatregel niet aan hem worden opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/701107-09

Datum uitspraak: 27 januari 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[ ],

geboren op [ ] te [ ],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [ ],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [ ],

raadsman mr. Kok, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte:

- primair, impliciet primair, heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven door haar te slaan en te schoppen terwijl zij op de grond lag en door te proberen haar van de reling van een galerijbalkon te gooien;

- primair, impliciet subsidiair, heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar te slaan en te schoppen terwijl zij op de grond lag en door te proberen haar van de reling van een galerijbalkon te gooien;

- subsidiair, [slachtoffer] heeft mishandeld door haar te slaan en te schoppen.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Kuiper heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het primair, impliciet primair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het primair, impliciet subsidiair ten laste gelegde;

- ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte;

- plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis (voor de duur van één jaar).

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het primair, impliciet primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen nu niet is komen vast te staan dat de verdachte [slachtoffer] heeft opgetild en heeft getracht haar over de reling van een galerijbalkon te gooien, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft dit ook gevorderd, terwijl het eveneens is bepleit door de raadsman.

Voorts is het primair, impliciet subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat de opzet van verdachte - ook niet in voorwaardelijke zin - erop was gericht de [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De door de rechtbank bewezen geachte geweldshandelingen van de verdachte - slaan tegen hoofd en schoppen tegen het lichaam, zoals hierna vermeld - kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet zonder meer worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte daarmee de aanmerkelijke kans op de zware mishandeling van het slachtoffer heeft aanvaard. De verdachte dient derhalve ook van het primair, impliciet subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Van het volgende wordt uitgegaan:

Op 25 april 2009 liep [slachtoffer] ’s middags de galerij van haar flat op aan de [adres] te Rotterdam. De verdachte, haar buurman, passeerde haar. Verdachte sprak haar aan omdat hij een uitnodiging had gehad om bij de politie te verschijnen en hij vermoedde dat zij aangifte bij de politie had gedaan tegen hem. [slachtoffer] bevestigde dat zij contact had gehad met de politie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte [slachtoffer] vervolgens heeft mishandeld door haar te slaan en te schoppen.

De verdachte heeft ter zitting ontkend dat er sprake is geweest van enig fysiek contact tussen hem en [slachtoffer] en dat hij na het korte gesprek is doorgelopen.

De rechtbank acht de ontkennende verklaring van de verdachte niet aannemelijk.

Uit de verklaring van [slachtoffer] in combinatie met de verklaringen van de buren, [buurman 1 en buurman 2] die respectievelijk vanaf het bovenliggende balkon dan wel de tuin getuige zijn geweest van het voorval blijkt dat er wel degelijk sprake is geweest van fysiek contact tussen [slachtoffer] en de verdachte. Ook de moeder van de verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte [slachtoffer] heeft geslagen. De verdachte gaf [slachtoffer] een stomp tegen het hoofd. Zij gilde. De aandacht van de buren werd hierdoor getrokken. De verdachte sloeg vervolgens meerdere malen hard tegen het hoofd van [slachtoffer], getuige [buurman 2] verklaarde over “beuken op haar hoofd” . [slachtoffer] is toen op de grond gevallen waarna zij door de verdachte in elk geval een keer is geschopt. [slachtoffer] heeft als gevolg hiervan pijn ondervonden. Zij had bovendien naderhand een gezwollen en blauw gezicht en heeft een gekneusde rechterenkel opgelopen.

Dat de verdachte - zoals hierna volgt - ontoerekeningsvatbaar wordt geacht, staat niet in de weg aan de bewezenverklaring van de opzet. Uit het aanvullende rapport d.d. 13 januari 2010 van drs. T.’t Hoen, gezondheidszorgpsycholoog en vast gerechtelijk deskundige komt naar voren dat de verdachte zich binnen de paranoïde waanvorming wel bewust was van wat hij deed, ook al was dat irrationeel. De rechtbank concludeert hieruit dat er daarom geen sprake was van een situatie waarbij de verdachte geen enkel inzicht had in de reikwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 25 april 2009 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, krachtig

en gewelddadig heeft geslagen en gestompt en althans eenmaal heeft geschopt en/of getrapt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

mishandeling

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Over de verdachte is door dr. B.A. Blansjaar, psychiater en vast gerechtelijk deskundige, op 20 september 2009 een rapport uitgebracht, welk rapport als conclusie - zakelijk weergegeven - inhoudt, dat bij de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit sprake was van een schizofrene (floride) psychose met achtervolgingswaan. Geadviseerd wordt daarom de verdachte als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen voor het ten laste gelegde.

In het door drs. T.’t Hoen, gezondheidszorgpsycholoog en vast gerechtelijk deskundige, over de verdachte op 3 november 2009 uitgebrachte rapport wordt eveneens geconcludeerd dat het bewezen verklaarde feit de verdachte niet kan worden toegerekend. Volgens deze deskundige kan gesproken worden van een psychotische stoornis bij de verdachte, waarbij paranoïdie en waanvorming aanwezig zijn. De verdachte lijkt geheel gehandeld te hebben vanuit bovengenoemde paranoïde waanvorming, waardoor zijn psychotisch toestandsbeeld zijn vrije wil, denken en handelen volledig heeft beperkt.

De rechtbank verenigt zich met de conclusies van de deskundigen Blansjaar en ‘t Hoen en maakt deze tot de hare. De verdachte was ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit volledig ontoerekeningsvatbaar. Nu het begane feit kan hem niet kan worden toegerekend is hij derhalve niet strafbaar. De verdachte wordt daarom van alle rechtsvervolging ontslagen.

MOTIVERING MAATREGEL

De verdachte heeft [slachtoffer], een bejaarde dame, op de galerij van haar flat mishandeld. Hij heeft haar gestompt en geschopt. Zij is daarbij ten val gekomen. Deze gebeurtenis heeft een behoorlijke impact op het slachtoffer gehad. Niet alleen heeft zij een gekneusde enkel, blauwe plekken en pijn opgelopen, zij is hierdoor ook erg geschrokken en angstig geworden.

Voornoemd rapport van dr. Blansjaar houdt in dat de kans op herhaling van soortgelijke feiten in aanzienlijke mate is verhoogd door genoemde ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte. Dr. Blansjaar adviseert ter verlaging van de kans op herhaling van soortgelijke feiten de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis te plaatsen voor de duur van ten hoogste één jaar voor verdere behandeling. Plaatsing van onderzochte in een Forensisch Psychiatrische Afdeling of een forensisch psychiatrische kliniek kan waarschijnlijk helpen de kans op herhaling ook op langere termijn te verlagen door klinische behandeling van voldoende duur met adequate nazorg.

Voornoemd rapport van dr. ’t Hoen houdt eveneens in dat het recidiverisico zeer groot is. Het ziekteinzicht en -besef is bij betrokkene zo goed als afwezig. De deskundige adviseert ook de verdachte te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis. De behandeling dient gericht te zijn op het op een adequate wijze behandelen van de psychotische stoornis. De verdachte dient goed ingesteld te worden op medicatie. Er zal moeten worden toegewerkt naar een resocialisatieproces aansluitend op de klinische opname, waarbij de verdachte zal moeten worden geholpen met het vinden van passend werk en een passende eigen woonruimte. Een dergelijke behandeling zou bij voorkeur moeten plaatsvinden in een Forensisch Psychiatrische Kliniek.

De rechtbank neemt ook die conclusies uit voornoemde rapporten over en maakt die tot de hare. Mede gelet op de ernst van het gepleegde delict en het feit dat de verdachte blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 27 april 2009 reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, zal daarom de plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis worden gelast. De verdachte wordt als een gevaar beschouwd voor de veiligheid van anderen of voor de algemene veiligheid van personen of goederen. De rechtbank acht het risico van recidive bij uitblijven van behandeling zeer hoog. Het feit dat de verdachte tijdens zijn politieverhoren ernstige en serieus te nemen bedreigingen heeft geuit richting het slachtoffer en anderen vormt een ondersteuning van die inschatting.

Alles afwegend worden na te noemen maatregel passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij] wonende te Rotterdam, terzake van het ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van €750,-.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid en gelet op algemene ervaringsregels worden vastgesteld op € 350, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

De benadeelde partij zal voor het overige deel van haar vordering niet ontvankelijk worden verklaard, nu dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin in zoverre niet ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aangezien de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging kan aan hem niet op grond van artikel 36f, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht een schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 37 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair (zowel het impliciet primair als het impliciet subsidiair) ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en

spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

gelast dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van 1 (één) jaar;

wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 350,- (zegge: driehondervijftig euro) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting te betalen aan [benadeelde partij], wonende te Rotterdam aan [adres];

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van een hoger bedrag ter zake van immateriële schade en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2009 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Trotman, voorzitter,

en mrs. Klein Wolterink en De Vreede, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. McGivern, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 januari 2010.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 27 januari 2010:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 25 april 2009 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet:

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, krachtig en/of gewelddadig

op/tegen het hoofd en/of gezicht en/of (gehele) lichaam heeft geslagen en/of

gestompt en/of

- die [slachtoffer] heeft opgetild en/of heeft getracht die [slachtoffer]

over (een reling van) een balkon/galerij te gooien en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, krachtig en/of gewelddadig,

heeft geschopt en/of getrapt (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 287/302 juncto 45 Wetboek van strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 april 2009 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, althans eenmaal, krachtig

en/of gewelddadig heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(art. 300 Wetboek van strafrecht)