Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL5993

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-02-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
10/821452-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis-vonnis. De mate van schuld van de verdachte is dermate gering dat niet gesproken kan worden van strafrechtelijk relevante schuld. Ontslag van alle rechtsvervolging.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/821452-08

Datum uitspraak: 9 februari 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam],

geboren op xx-xx-1948 te xx,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsman mr. G.A.S. Maduro, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte:

primair, zich op 19 juni 2008 te Rotterdam zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen in het verkeer, waardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij een persoon zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen of letsel waardoor deze persoon tijdelijk ziek is geweest of de normale bezigheden niet heeft kunnen doen;

subsidiair, op 19 juni 2008 te Rotterdam met zijn verkeersgedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van Heemst heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een werkstraf van zestig (60) uren, te vervangen door dertig (30) dagen hechtenis, en tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig voor de duur van zes (6) maanden, met een proeftijd van twee (2) jaar.

FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN

Van het volgende wordt uitgegaan.

Op 19 juni 2008 omstreeks 16:15 uur reed de verdachte met zijn bestelauto op de Groeninx van Zoelenlaan te Rotterdam, globaal genomen van oostelijke naar westelijke richting. Ter plaatse was deze weg verdeeld in een noordelijke en een zuidelijke rijstrook, bestemd voor het verkeer in westelijke respectievelijk oostelijke richting. De maximumsnelheid bedroeg daar 50 kilometer per uur. Het was droog en zonnig. De verdachte naderde met zijn auto de kruising van de Groeninx van Zoelenlaan met de Herenwaard en het Kreileroord. Hij keek naar voren en zag niemand die de na de kruising gelegen voetgangersoversteekplaats wilde oversteken. Hij reed op een voorrangsweg. Van rechts kwam vanuit de Herenwaard een taxibusje met hoge snelheid aanrijden, waardoor de verdachte de indruk kreeg dat de bestuurder van het busje hem niet had gezien. Daarom vestigde de verdachte zijn aandacht op het busje en verminderde hij zijn snelheid. Toen het busje afremde en hem alsnog voorrang gaf, keek de verdachte wederom naar voren en trok hij op met zijn auto om zijn weg rechtdoorgaand vervolgen. Hij naderde de westelijk van de kruising gelegen voetgangersoversteekplaats met een snelheid van 43 tot 45 kilometer per uur. Er kwam hem op de zuidelijke rijstrook een personenauto tegemoet, die reed ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats. Vanachter deze personenauto verscheen - voor de verdachte heel plotseling - een de scootmobiel op de voetgangersoversteekplaats. De scootmobiel reed, zoals het slachtoffer zelf heeft verklaard, in de snelste stand over het zebrapad. De verdachte heeft vervolgens krachtig geremd, maar kon de scootmobiel net niet meer ontwijken. Omdat zijn wielen blokkeerden kon hij niet meer bijsturen. Hij raakte de scootmobiel, waardoor deze omviel en de bestuurster, [naam slachtoffer], met haar hoofd op de straat terecht kwam. [naam slachtoffer] heeft hierdoor letsel opgelopen: een forse hoofdwond en een bloeding links op het hersenvlies. Zij is ter observatie in een ziekenhuis opgenomen en na vijf dagen weer uit dat ziekenhuis ontslagen.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag, doordat hij tegen [naam slachtoffer], die met haar scootmobiel de voetgangersoversteekplaats overstak, is gebotst. Zij heeft daardoor letsel als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opgelopen. De verdachte heeft te hard, want met onvoldoende aangepaste snelheid gereden, waardoor hij zijn bestelauto niet voor de voetgangersoversteekplaats tot stilstand heeft kunnen brengen. Tevens heeft de verdachte niet goed opgelet, want hij had [naam slachtoffer] in haar scootmobiel kunnen zien. Het zicht was immers goed. De verdachte heeft zich te lang laten afleiden door een andere verkeersdeelnemer. Hij heeft hierdoor niet voortdurend aandacht gehad op de weg vóór hem. De omstandigheid dat de verdachte ervan uitging dat deze andere verkeersdeelnemer hem niet had opgemerkt, is geen rechtvaardiging voor zijn gedrag.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank dient te onderzoeken of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. In casu moet beoordeeld worden of de verdachte zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag heeft vertoond. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR

1 juni 2004, LJN: AO5822).

De rechtbank acht de verklaring van verdachte over hetgeen zich heeft afgespeeld geloofwaardig en zal die als uitgangspunt nemen bij de strafrechtelijke weging van het gebeurde.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat de verdachte als een verstandig verkeersdeelnemer heeft geanticipeerd op het feit dat hij mogelijk geen voorrang zou krijgen van een taxibusje dat van rechts kwam. Zodra de verdachte zich ervan had vergewist dat dat taxibusje hem voorrang zou geven, heeft de verdachte zijn aandacht weer gericht op de verkeerssituatie voor hem en is hij weer opgetrokken. Met een snelheid van 43 à 45 kilometer per uur reed hij nog altijd langzamer dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid. Dat de verdachte gas heeft bijgegeven is niet onbegrijpelijk, ervan uitgaande dat hij tot op dat moment niemand had gezien op de voetgangersoversteekplaats en ook niemand had gezien die aanstalten maakte om daar te gaan oversteken. De rechtbank merkt in dit verband op dat de personenauto die de verdachte tegemoet kwam hem naar alle waarschijnlijkheid het zicht op de scootmobiel met [naam slachtoffer] heeft ontnomen. De scootmobiel reed vlak achter deze personenauto snel de voetgangersoversteekplaats over. De verdachte was door de verschijning van de scootmobiel verrast en heeft dadelijk krachtig geremd. Het verwijt dat verdachte mogelijk kan worden gemaakt - wellicht ware het verstandiger geweest als hij helemaal geen gas had bijgegeven nu hij een zebrapad naderde – is niet van dien aard dat er sprake is van strafrechtelijk relevante schuld. Er is geen grond voor het oordeel dat de verdachte zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. Het primair ten laste gelegde is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte zich niet zodanig heeft gedragen dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt. De verdachte heeft gehandeld zoals in het verkeer van hem mocht worden verlangd.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat hij die zich in het verkeer van een gevaar bewust behoort te zijn, zichzelf in de gelegenheid moet stellen vast te stellen dat dit gevaar zich niet voordoet (vgl. HR 23 oktober 1962, VR 1963/21).

Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden volgt dat de scootmobiel met [naam slachtoffer] nabij de voetgangersoversteekplaats heeft gestaan. De verdachte heeft haar niet gezien. Hij had zich evenwel bewust moeten zijn van het gevaar dat een verkeersdeelnemer aan zijn zicht onttrokken zou kunnen zijn en zichzelf in de gelegenheid moeten stellen vast te stellen of dit het geval was. Door dit na te laten heeft de verdachte gevaar op de weg veroorzaakt.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 19 juni 2008 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Groeninx van Zoelenlaan, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar rijdend met een snelheid gelegen tussen tenminste 43 en 45 km/uur een voetgangersoversteekplaats is genaderd en niet tijdig heeft opgemerkt dat een persoon in een scootmobiel doende was die voetgangersoversteekplaats over te steken en in botsing is gekomen met die scootmobiel.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vindt dat hij schuld heeft aan het ongeval; hij is immers tegen de scootmobiel aangebotst. De botsing was echter niet te voorkomen geweest. Ieder ander zou tegen de scootmobiel zijn aangebotst, aldus de verdachte.

De rechtbank vat dit verweer op als een beroep op afwezigheid van alle schuld. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

Weliswaar had de verdachte zichzelf in de gelegenheid moeten stellen vast te stellen of een verkeersdeelnemer aan zijn zicht onttrokken zou kunnen zijn, maar in concreto is de mate van verwijtbaarheid van verdachtes rijgedrag zeer beperkt te noemen. Uit hetgeen hierboven is vastgesteld volgt dat de verdachte heeft gekeken toen hij de kruising naderde en ook op de kruising en dat hij langzamer reed dan de ter plaatse toegestane snelheid. Een botsing met de scootmobiel, die zo plotseling tevoorschijn kwam vanachter een tegemoetkomende personenauto en die zo hard mogelijk reed, was bijna niet te vermijden.

Onder de gegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de mate van schuld van de verdachte dermate gering is dat niet gesproken kan worden van strafrechtelijk relevante schuld. Uitgaande van het beginsel “geen straf zonder schuld” zal de rechtbank de verdachte dan ook niet strafbaar verklaren voor het bewezen feit en hem ter zake daarvan van alle rechtsvervolging ontslaan.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte

ter zake daarvan van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Wiersinga, voorzitter,

en mrs. De Jong en Mantel-Duetz, rechters,

in tegenwoordigheid van Van der Heijde, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 februari 2010.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 9 februari 2010.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 19 juni 2008 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Groeninx van Zoelenlaan, welk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, niet (voortdurend) zijn aandacht op de weg of het verkeer vóór hem heeft gehad en/of (aldus rijdend) met een snelheid gelegen tussen tenminste 43 en 45 km/uur een voetgangersoversteekplaats is genaderd en/of niet tijdig heeft opgemerkt dat een persoon in een scootmobiel, genaamd [naam slachtoffer] , doende was die voetgangersoversteekplaats over te steken en/of in botsing of aanrijding is gekomen met die [naam slachtoffer], die als gevolg daarvan ten val is gekomen,

waardoor die [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten een bloeding op het hersenvlies) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

(artikel 6 jo artikelen 175, lid 3, en 179 van de Wegenverkeerswet 1994)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 juni 2008 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Groeninx van Zoelenlaan, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd of kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, niet (voortdurend) zijn aandacht op de weg of het verkeer vóór hem heeft gehad en/of (aldus rijdend) met een snelheid gelegen tussen tenminste 43 en 45 km/uur een voetgangersoversteekplaats is genaderd en/of niet tijdig heeft opgemerkt dat een persoon in een scootmobiel doende was die voetgangersoversteekplaats over te steken en/of in botsing of aanrijding is gekomen met die scootmobiel;

(artikel 5 jo artikelen 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994)