Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL5979

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
347361 / HA RK 10-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. De processuele beslissing van de rechters tot afwijzing van het verzoek van de advocaat om verzoeker aanwezig te laten zijn bij de behandeling van de vordering tot verlenging van diens tbs is - noch gelet op de inhoud daarvan, noch gelet op de wijze van totstandkoming daarvan - niet dermate onbegrijpelijk, dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechters jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 24 februari 2010

Zaaknummer: 347361

Rekestnummer: HA RK 10-16

Parketnummer: 10/090098-02

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoeker],

verblijvende in forensisch psychiatrisch centrum dr. S. van Mesdag te Groningen,

verzoeker,

raadsvrouw mr. J. Serrarens, advocaat te Maastricht,

strekkende tot wraking van [namen rechters], rechters in de rechtbank Rotterdam, sector strafrecht (hierna: de rechters).

1. Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 21 januari 2010 is door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank behandeld de door de officier van justitie gevorderde verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van verzoeker.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft de raadsvrouw van verzoeker de rechters gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier van bovenomschreven zaak tegen verzoeker, waarin zich onder meer bevinden:

- het arrest d.d. 13 september 2007 waarbij verzoeker ter beschikking werd gesteld;

- het verlengingsadvies van forensisch psychiatrisch centrum 'De Kijvelanden' d.d. 6 november 2009;

- de wettelijke aantekeningen over het derde kwartaal van 2009 met betrekking tot de veroordeelde;

- een mededeling conform artikel 34 BVT d.d. 5 januari 2010;

- de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling d.d. 25 november 2009;

- een faxbericht van de raadsvrouw aan de voorzitter van de strafkamer d.d. 20 januari 2010, waarin zij verzoekt haar cliënt te laten transporteren naar de rechtbank, zodat hij aanwezig kan zijn ter zitting;

- het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting.

Verzoeker, zijn raadsvrouw, de officier van justitie, alsmede de rechters zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd. De rechters zijn in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. [naam oudste gewraakte rechter] en [naam jongste gewraakte rechter] hebben bij brieven d.d. 1 februari 2010 kenbaar gemaakt niet in de wraking te berusten en overigens geen schriftelijke reactie te geven. Bij brief d.d. 2 februari 2010 heeft [naam gewraakte voorzitter] kenbaar gemaakt niet in de wraking te berusten en overigens geen behoefte te hebben aan het geven van een nadere reactie.

Ter zitting van 19 februari 2010, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen verzoeker, zijn raadsvrouw en officier van justitie mr. Van Eijkelen.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven.

2.1.1

De officier van justitie heeft nagelaten de verzoeker naar de rechtbank te transporteren voor de zitting van 21 januari 2010. De voorzitter van de meervoudige kamer van de rechtbank is niet ingegaan op het verzoek van de raadsvrouw om de officier van justitie de opdracht te geven de verzoeker alsnog te laten transporteren naar de rechtbank, zodat hij aanwezig kon zijn ter zitting. De verzoeker was dan ook niet aanwezig op de zitting d.d. 21 januari 2010.

2.1.2

Op grond van artikel 509s, derde lid van het Wetboek van Strafvordering dient de rechtbank de ter beschikking gestelde te horen, alvorens te beslissen. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat hier slechts van kan worden afgeweken indien de ter beschikking gestelde niet in staat is voor het onderzoek te verschijnen.

Van de situatie als bedoeld in artikel 509s, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering was in casu geen sprake, omdat de verzoeker wel in staat was om voor het onderzoek te verschijnen. Eventuele risico's voor de veiligheid van personen of goederen kunnen geen situatie als bedoeld in artikel 509s, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering opleveren. Voortzetting van de behandeling van de zaak zonder dat aan de hoorplicht als bedoeld in artikel 509s, derde lid van het Wetboek van Strafvordering is voldaan, is in strijd met verdragsrechtelijke bepalingen. Dat de behandeling van de zaak op 21 januari 2010 zou worden voortgezet zonder de aanwezigheid van de verzoeker, kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat de ter zitting aanwezige getuige-deskundige ten behoeve van verhoor werd beëdigd, zonder dat eerst de vraag of de verzoeker met recht niet aanwezig was, aan de orde is gesteld.

2.1.3

Zelfs indien de rechters van mening waren dat risico's voor de veiligheid van personen of goederen wél de situatie als bedoeld in artikel 509s, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering kunnen opleveren, hadden de rechters hier eerst kritisch onderzoek naar moeten doen. De rechters zijn echter volledig afgegaan op een e-mailbericht dat een psychiater van de Van Mesdagkliniek aan de officier van justitie heeft gezonden, waarin stond dat vervoer, zitting en terugkeer naar zijn inschatting te riskant was. Aan de argumenten van de raadsvrouw, per fax d.d. 20 januari 2010 verzonden naar de voorzitter, zijn de rechters echter zonder enige bespreking voorbij gegaan. De beslissing van de rechters dat de verzoeker niet in staat was ter zitting te verschijnen, getuigt van vooringenomenheid ten aanzien van de persoon van verzoeker. Daarmee hebben de rechters vooringenomenheid getoond, althans grond gegeven voor een gerechtvaardigde vrees daarvoor.

2.2

De rechters hebben niet in de wraking berust. De rechters hebben te kennen gegeven dat geen sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechters kan opleveren.

3. De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechters - subjectief - niet onpartijdig waren. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de - beweerdelijk - bij verzoeker bestaande vrees dat de rechters jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren - objectief - gerechtvaardigd is. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

3.4

Het is niet ongebruikelijk dat een getuige-deskundige onmiddellijk bij aanvang van het onderzoek ter zitting wordt beëdigd, nog voordat een aanvang is gemaakt met de inhoudelijke behandeling van de zaak. De omstandigheid dat de getuige-deskundige aan het begin van de zitting in de onderhavige zaak werd beëdigd is derhalve geen omstandigheid waaruit de (schijn van) vooringenomenheid kan worden afgeleid.

3.5

Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de beslissing van de rechters ter zitting van 21 januari 2010, waarbij het verzoek van de raadsvrouw om de verzoeker aanwezig te laten zijn bij de behandeling van de vordering tot verlenging van zijn terbeschikkingstelling werd afgewezen.

Voorop staat dat een dergelijke processuele beslissing in beginsel geen grond vormt voor een wraking van de rechters die de beslissing hebben gegeven. Alleen indien die beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechters jegens verzoeker vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden.

3.6

Aannemelijk is geworden dat tijdens de behandeling van de zaak op 21 januari 2010 direct na de beëdiging van de getuige-deskundige naar aanleiding van een opmerking van de raadsvrouw van verzoeker de afwezigheid van de verzoeker is besproken. Er heeft vervolgens een inhoudelijk debat plaatsgevonden over de vraag of de behandeling van het verzoek tot verlenging van de terbeschikkingstelling wel of niet in aanwezigheid van de verzoeker diende plaats te vinden. Na die discussie is de zitting onderbroken voor beraad. Na hervatting deelde de voorzitter mede dat de rechtbank van oordeel was dat de verzoeker, gelet op de veiligheidsrisico's, niet in staat was ter zitting te verschijnen. In de onderbouwing van dit oordeel heeft de rechtbank zowel het standpunt van de officier van justitie als het standpunt van de raadsvrouw betrokken.

Deze beslissing is noch gelet op de inhoud daarvan, noch gelet op de wijze van totstandkoming daarvan dermate onbegrijpelijk dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechters jegens verzoeker vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is.

3.7

Op grond van het vorenstaande is de rechtank van oordeel dat het verzoek tot wraking ongegrond is. Het verzoek moet worden afgewezen.

4. De beslissing

Wijst af het verzoek tot wraking van [namen gewraakte rechters].

Deze beslissing is gegeven op 24 februari 2010 door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. W.J.J. Wetzels en mr. P.H. Veling, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. P.W.E. Wijsman, griffier.