Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL5637

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
02-03-2010
Zaaknummer
280774 - HA ZA 07-769
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geschil omtrent een bedrijfsovername

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 280774 / HA ZA 07-769

Uitspraak: 24 februari 2010

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[x] ADVOKATEN B.V.,

gevestigd te [adres],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. E.J. Eijsberg,

- tegen -

mr. [gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.R. Maas.

Partijen worden hierna aangeduid als: [x] en [gedaagde].

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft partijen gehoord en kennisgenomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding d.d. 19 maart 2007 en de door [x] overgelegde producties;

- de akte tot vermeerdering van eis, met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

- de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, met producties;

- de akte uitlating producties in conventie tevens conclusie van dupliek in reconventie, met producties;

- de akte uitlating producties in reconventies, van de zijde van [gedaagde];

- de akte vermeerdering van eis in reconventie, met productie;

- de bij gelegenheid van het pleidooi op 13 januari 2009 overgelegde pleitnotities;

- de stukken met betrekking tot het op 8 maart 2007 ten gunste van [x] en ten laste van [gedaagde] gelegde beslag op onroerend goed.

2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

algemeen

2.1 [x] is een advocatenkantoor. [gedaagde] was tot [datum] advocaat en procureur in Rotterdam.

2.2 Mr. [a ] (hierna: [a ]) en mr[b ] (hierna: [b ]) waren tot [datum] in loondienst van [gedaagde].

2.3 [a ] en [b ] hebben op 30 december 2005 aan [gedaagde] geschreven:

“(…) 3. Wij hebben jou medegedeeld dat wij de praktijk willen gaan uitoefenen onder de vlag van een ander bestaand kantoor in het arrondissement. (…)

6. (…) Jij hebt ons niettemin gevraagd om uiterlijk vandaag een concreet bedrag te noemen dat wij bereid zouden zijn om aan jou te betalen voor overname van de “praktijk”, waarbij deze wordt gedefinieerd als:

- Alle dossiers, inclusief de met cliënten gemaakte prijsafspraken

- De daarmee verband houdende electronische gegevensdragers

- De bibliotheek

- De lopende abonnementen voor literatuur

- De toevoegingsbescheiden en bevoorschotting

- Het telefoonnummer (…) en het faxnummer (…).

7. Wij gaven aan dat het voor ons niet valt te bepalen of enig en zo ja welk bedrag in dit verband redelijk is. Wij hebben immers nooit zicht gehad op de financiële afwikkeling van onze werkzaamheden. (…)

9. Het is daarom en uit praktische overwegingen dat wij bereid zijn Euro 100.000,-- aan jou te betalen voor het hiervoor onder punt 6 genoemde pakket, echter met inbegrip van de auto. (…)”

2.4 [a ] en [b ] enerzijds en [gedaagde] anderzijds zijn daarop overeengekomen dat [a ] en [b ] alle dossiers, (delen van) de bibliotheek, gearchiveerde dossiers, de elektronische gegevensdragers en de aan [a ] ter beschikking gestelde auto van [gedaagde] zouden overnemen (hierna: de koopovereenkomst). In een brief d.d. 2 januari 2006 [gedaagde] aan [a ] en [b ] zijn daarover de navolgende afspraken neergelegd:

“Hierbij bevestig ik jullie dat ik akkoord ga met jullie voorstel ter overname van de praktijk om die elders en onder een andere naam voort te zetten en waarbij wordt verstaan onder praktijk:

- alle dossiers

- inclusief gemaakte prijsafspraken

- de daarmee verband houdende elektronische gegevensdragers

- bibliotheek (de boeken vast en losbladig, tijdschriften ed. op jullie kamers en in beide bibliotheekkamers op 110 en dus niet de diverse boeken in het vitrinekastje op het secretariaat en WvhR (…))

- de lopende abonnementen voor literatuur

- het archief met ingang van 2000 (...)

- de toevoegingsbescheiden en bevoorschotting

- telefoonnummer (...) en faxnummer (...)

tegen een betaling van een bedrag ad Euro 100.000,00 (vzvvt ex BTW) (...) uiterlijk [datum] zonder opschorting, enige korting of verrekening, met inbegrip van de auto. Overdracht vindt plaats ultimo februari 2006 na bijschrijving van het overnamebedrag, waarbij ik er van uitga

- dat vanaf vandaag tot dat moment (...) op normale wijze wordt doorgewerkt (...) waarna dat werk waar tegenover ook alle doorlopende kantoorkosten met inbegrip van de salarissen blijven doorlopen, zoals gebruikelijk op de normale condities in overleg wordt gedeclareerd waaronder begrepen alle toevoegingszaken die in de periode tot en met [datum] gereed zijn

- dat de toevoegingsafrekening eerste kwartaal 2006 blijft gericht aan dit adres en de afrekening als voorheen zal geschieden op rekening Postbank 2412067

- dat na ontvangst van de afrekening het daarin opgenomen voorschot en/of ‘beginners’voorschot onverwijld aan jullie zal worden doorbetaald zonder korting, opschorting of verrekening

- Dat de toevoegingszaken die al wel gereed waren maar nog niet in de toevoegingsafrekening eerste kwartaal zijn opgenomen door jullie worden vergoed na de afrekening van het volgende kwartaal

- dat de toevoegingszaken die op 28 februari nog niet gereed zijn pro rata zullen worden verrekend nadat de betreffende zaken zijn beëindigd en de Raad tot vergoeding is overgegaan (...)”.

2.5 In een document d.d. 27 februari 2006, met de naam “overeenkomst tot contracts¬overneming (artikel 6:159 BW)”, zijn [b ] en [a ] enerzijds en [x] anderzijds het volgende overeengekomen:

“Overwegende:

(…)

-dat [[b ]] en [[a ]] krachtens aan deze gehechte overeenkomst d.d 2 januari 2006 van [[gedaagde]] (…) hebben gekocht, kort zakelijk weergegeven, alle dossiers, de complete bibliotheek, het archief per 1 januari 2000 en alle electronische gegevensdragers van [gedaagde] Advocaten inclusief (...) Renault Espace voor een bedrag ad € 100.000,-- (…)

Zijn overeengekomen als volgt:

1. [[x]] neemt de rechtsverhouding van [[b ]] en [[a ]] ten opzichte van [[gedaagde]], zoals die bestaat ingevolge eerdergenoemde en aan deze akte gehechte overeenkomst met uitzondering van (…) de Renault Espace, van [[b ]] en [[a ]] over.

2. Alle rechten met inbegrip van wilsrechten en verplichtingen uit hoofde van het contract met [[b ]] en [[a ]] (…) op respectievelijk jegens [[gedaagde]] gaan derhalve bij deze over op [[x]].”.

2.6 [a ], [b ] en [d ] zijn overeengekomen om per [datum] onder de naam [x] Advocaten gezamenlijk de advocatenpraktijk uit te oefenen. Op [datum] zijn [a ] en [b ] verhuisd naar het kantoorpand van [x].

2.7 Eveneens op 27 februari 2006 hebben [b ] en [a ] aan [gedaagde] om twee facturen gevraagd, een terzake de levering van de Renault Espace voor Civis Rotterdam B.V. (de holdingvennootschap van [a ], hierna: Civis) en een terzake de overname van de praktijk voor [x].

2.8 Bij brief d.d. 6 april 2006 heeft [x] [gedaagde] meegedeeld dat [a ] en [b ] hun rechten onder de koopovereenkomst hebben overgedragen aan [x]:

“(…) Volledigheidshalve: mijn kantoorgenoten mrs. [b ] en [a ] hebben hun vorderingsrechten uit hoofde van de met u gesloten overeenkomst, de koop door mr. [a ] van de personenauto (…) uitgezonderd, aan [[x]] geleverd. U wilt dit wel als de daartoe strekkende mededeling beschouwen. (…)”.

2.9 Op 26 juni 2006 heeft [x] [gedaagde] gesommeerd tot betaling van de door de Raad voor Rechtsbijstand aan [gedaagde] betaalde voorschot voor [a ] en [b ] over het tweede kwartaal van 2006 (€ 9.199,--) alsmede over de laatste maand van het eerste kwartaal van 2006 (€ 3.178,--).

2.10 Het door [gedaagde] door de Raad van Rechtsbijstand voor [a ] en [b ] ontvangen voorschot over het derde kwartaal 2006 is in juli 2006 door [gedaagde] aan [x] betaald.

2.11 De overname is niet probleemloos verlopen. De Deken van de Rotterdamse Orde van Advocaten heeft tussen partijen bemiddeld. Dit heeft enig effect gehad, maar heeft niet geleid tot een oplossing.

met betrekking tot de hierna te noemen post BTW

2.12 De koopovereenkomst (zie hiervoor onder 2.4) bepaalt dat de koopprijs zal worden vermeerderd met BTW, voorzover deze verschuldigd is. [gedaagde] heeft geëist dat de koopprijs vermeerderd met BTW werd betaald vooraf¬gaand aan de overdracht. [x] en Civis hebben op 27 februari 2006 de koopprijs van € 100.000,--, vermeerderd met BTW, betaald.

2.13 Bij brief d.d. 30 juni 2006 heeft [gedaagde] bevestigd dat hij de BTW zou terugbetalen, als er geen BTW verschuldigd was.

2.14 Nadat de belastingdienst had bevestigd dat er geen BTW verschuldigd was, heeft [gedaagde] op 12 juli 2006 de ontvangen BTW terugbetaald.

met betrekking tot de hierna te noemen post procuratendossiers

2.15 Op 27 februari 2006 hebben [a ] en [b ] in een notitie aan [gedaagde] geschreven:

“Ten aanzien van de procuratendossiers en het interpretatieverschil daarover. Wij zijn het er inmiddels over eens dat deze per [datum] door jou met de correspondenten afgerekend worden.”

2.16 Op of na [datum] is er door [gedaagde] tussentijds gedeclareerd in de procuraten¬dossiers.

2.17 Bij brief d.d. 26 juni 2006 heeft [x] de verklaring d.d. 27 februari 2006, voor zover deze zag op de tussentijdse afrekening van de procuratendossiers, vernietigd.

met betrekking tot het door [x] gelegde beslag

2.18 [x] heeft op 8 maart 2007 beslag gelegd op onroerend goed dat toebehoort aan [gedaagde]. Dit beslag is opgeheven nadat [gedaagde] op of omstreeks 1 juli 2008 een bankgarantie heeft doen stellen (hierna: de bankgarantie).

3 Het geschil in conventie

3.1 [x] vordert - na eiswijziging en verkort weergegeven - dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoer¬baar bij voorraad:

a. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van:

bedrag terzake van de hierna te bespreken posten

€ 698,26 BTW

€ 13.234,-- Procuratendossiers

€ 30.241,60 Raad voor de Rechtsbijstand

€ 11.250,66 Bibliotheek

€ 100.000,-- overige vorderingen

een en ander vermeerderd met wettelijke rente;

b. de koopovereenkomst partieel ontbindt voor zover het betreft een bij dagvaarding nader omschreven deel van de koop van de bibliotheek en voor zover het betreft de koop van de elektronische gegevensdragers en telefoon- en telefaxlijnen;

c. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, daaronder mede begrepen de beslagkosten.

3.2 Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering van [x], met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [x] in de kosten van het geding en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover.

3.3 Op de stellingen van partijen wordt hieronder - voor zover nodig - ingegaan bij de beoordeling.

4 Het geschil in reconventie

4.1 [gedaagde] vordert - na eiswijziging en verkort weergegeven - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [x] veroordeelt:

a. tot betaling van een voorschot van € 25.000,--, te vermeerderen met BTW;

b. tot vergoeding van de nader bij staat op te maken schade die [gedaagde] lijdt als gevolg van onrechtmatig handelen van [x];

c. primair: om binnen 14 dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis de bankgarantie af te geven aan ABN AMRO en schriftelijk aan ABN AMRO te bevestigen dat ABN AMRO uit haar verplichtingen onder de bankgarantie is ontslagen met veroordeling van [x] in de kosten die voor [gedaagde] uit het stellen van die bankgarantie zijn voort gevloeid;

subsidiair: om de bankgarantie aan ABN AMRO af te geven zoals hiervoor weer¬gegeven, onder de verplichting voor [gedaagde] om een bankgarantie voor een lager bedrag te stellen;

d. in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

4.2 De vordering van [gedaagde] zoals hiervoor weergegeven onder 4.1a en 4.1b zijn ingesteld onder de voorwaarde dat een door [gedaagde] in conventie gedane beroep op verrekening niet wordt toegewezen. De overige vorderingen zijn onvoorwaardelijk ingesteld.

4.3 Het verweer van [x] strekt tot afwijzing van de vordering van [gedaagde], met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

4.4 Op de stellingen van partijen wordt hieronder - voor zover nodig - ingegaan bij de beoordeling.

5 De beoordeling

in conventie

A Inleiding

5.1 De beoordeling in conventie is als volgt opgezet. In § B wordt ingegaan op de ontvan¬kelijkheid van [x]. Vervolgens wordt in § C - J ingegaan op de verschillende materiele geschilpunten.

B Ontvankelijkheid van [x]

5.2 Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is een niet-onvankelijkheidsverweer. [gedaagde] voert aan dat de koopovereenkomst is gesloten tussen hem enerzijds en [b ] en [a ] anderzijds en hij betoogt dat [x] geen vordering uit hoofde van die overeenkomst kan instellen. [x] bestrijdt dit. [x] stelt dat zij de rechten van [a ] en [b ] jegens [gedaagde] uit hoofde van de koopovereenkomst heeft overgenomen. [gedaagde] betwist dat [a ] en [b ] hun vorderingsrechten op hem (rechtsgeldig) hebben overgedragen aan [x]. Van contractsovername kan in ieder geval geen sprake zijn, aldus [gedaagde], omdat hij de daartoe vereiste medewerking niet heeft verleend. Verder voert hij aan dat de rechten van [a ] en [b ] uit hoofde van de koopovereenkomst zodanig aan hun persoon verbonden zijn dat overdracht niet mogelijk is.

5.3 Hierover wordt als volgt overwogen. Anders dan [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat de rechten van [b ] en [a ] overdraagbaar zijn. Het betreft immers rechten terzake van een zakelijke overeenkomst.

5.4 De rechtbank begrijpt de stellingen van [x] aldus dat [a ]s en [b ] door middel van cessie hun vorderingen op [gedaagde] uit de koopovereenkomst aan [x] hebben overgedragen. Voor de rechtsgeldige levering van dergelijke vorderingsrechten is een daartoe bestemde akte vereist en mededeling daarvan aan [gedaagde] door ofwel [x] ofwel [a ]s en [b ]. Vast staat dat [x] op 6 april 2006 aan [gedaagde] heeft medegedeeld dat [b ] en [a ] hun vorderingsrechten uit hoofde van de koopovereenkomst, de koop van de auto uitgezonderd, aan [x] geleverd hebben. [x] heeft daarbij expliciet vermeld: “U wilt dit wel als de daartoe strekkende mededeling beschouwen”. De door [x] in dit verband in het geding gebrachte, onder 2.5 hiervoor geciteerde akte van 27 februari 2006 heeft weliswaar de misleidende kop “overeenkomst van contractsoverneming”, maar kan gelet op haar inhoud en in het licht van de brief van 6 april 2006 worden begrepen als de akte die aan de cessie ten grondslag ligt. Overigens merkt de rechtbank op dat voor het geval een rechtsgeldige cessie niet aan de orde zou zijn, ook in lastgeving door [a ] en [b ] aan [x] een grond voor ontvankelijkheid had kunnen worden gevonden.

5.5 De conclusie is dan ook dat de vorderingen van [a ] en [b ] rechtsgeldig zijn overgedragen aan [x]. [x] kan dientengevolge in haar vorderingen worden ontvangen.

C De BTW kwestie

5.6 Het geschil over de BTW laat zich als volgt samenvatten. De koopovereenkomst bepaalt dat de koopprijs zal worden vermeerderd met BTW, voor zover deze van toepassing is. [gedaagde] heeft - naar niet in geschil is - geweigerd om de koopovereenkomst uit te voeren zolang de koopprijs, inclusief BTW, niet betaald was. Het is evenmin in geschil dat [x] en Civis vervolgens op 27 februari 2006 de koopprijs vermeerderd met BTW hebben betaald onder protest tot gehoudenheid daartoe. [gedaagde] heeft de BTW terugbetaald op 12 juli 2006. [x] vordert thans schadevergoeding en stelt daartoe dat [gedaagde] in de periode van 27 februari 2006 tot 12 juli 2006 het BTW bedrag (€ 19.000,--) zonder recht of titel onder zich heeft gehouden. De gevorderde schadevergoeding bestaat uit de wettelijke rente over het bedrag van € 19.000,-- (€ 276,62) en vergoeding van de rente die [x] aan haar bank heeft betaald om het bedrag van € 19.000,-- te lenen (€ 421,64). [gedaagde] betwist de vordering.

5.7 De rechtbank overweegt hierover als volgt. Vast staat dat er geen BTW verschuldigd was aan de belastingdienst. [x] en Civis hebben dan ook een bedrag van € 19.000,-- onverschuldigd betaald. Op [gedaagde] rustte daarom een terugbetalings¬verplichting vanaf het moment van betaling. In de nakoming daarvan was hij op grond van artikel 6:205 BW met onmiddellijke ingang in verzuim. Immers, [gedaagde] behoorde te weten dat er geen BTW verschuldigd was: hij erkent dat er op zijn minst twijfel mogelijk was over zijn standpunt dat er geen BTW verschuldigd was en hij heeft - voor zover gesteld of gebleken - geen stappen ondernomen om die onzekerheid op te heffen. [gedaagde] is daarom wettelijke rente verschuldigd over het bedrag van € 19.000,-- vanaf 27 februari 2006 tot 12 juli 2006. Nu de hoogte van de wettelijke rente als zodanig niet in geschil is, is het gevorderde bedrag van € 276,62 toewijsbaar.

5.8 Het gevorderde bedrag van € 421,64 wegens betaalde rente is niet toewijsbaar. Immers, artikel 6:119 BW fixeert de schadevergoeding terzake van een vertraging in een betaling van een geldsom op de wettelijke rente.

D De procuratendossiers

5.9 De koopovereenkomst bepaalt ten aanzien van de procuratendossiers niet expliciet wat er gebeurt met het onderhanden werk in deze dossiers. Tussen partijen is in geschil of dit onderhanden werk aan [gedaagde] toekomt - zoals [gedaagde] stelt - of dat dit is overgenomen door [b ] en [a ] - zoals [x] stelt.

5.10 De rechtbank oordeelt hierover als volgt. In een geval als het onderhavige - waarbij twee werknemers de advocatenpraktijk van hun werkgever overnemen - moet het zonder andersluidende afspraak in het algemeen er voor gehouden worden dat de kosten en baten van de praktijk tot aan de overdrachtsdatum voor rekening van de verkoper komen, terwijl de kosten en baten daarna voor rekening van de koper(s) komen. Dit is - voor zover thans relevant - slechts anders, indien overeengekomen wordt dat (een deel van) het onderhanden werk mee zal gaan naar de kopers. De overeenkomst bevat geen duidelijke aanwijzingen dat partijen dit beoogd hebben. Er is slechts bepaald dat [gedaagde] ervan uitging “dat [tot de overdrachtsdatum] op normale wijze wordt doorgewerkt (...) waarna dat werk waar tegenover ook alle doorlopende kantoorkosten met inbegrip van de salarissen blijven doorlopen, zoals gebruikelijk op de normale condities in overleg wordt gedeclareerd (...)”. Hoewel de procuraten normaal gesproken na afloop werden gedeclareerd, blijkt hieruit onvoldoende dat [gedaagde] het op zijn kosten gerealiseerde onderhanden werk meegaf aan [b ] en [a ] en dat dit niet op enig moment zou worden afgerekend. Integendeel, in deze afspraak ligt besloten dat [gedaagde] - die tot de overdrachtsdatum de kosten van de praktijk droeg, inclusief de salarissen van [b ] en [a ] - wilde bewerkstelligen dat er tot de overdrachtsdatum gewoon zou worden doorgewerkt en dat hij de opbrengsten daarvan zou kunnen realiseren. Het betoog van [x] dat de overeenkomst de toevoegingen wel expliciet regelt en dat de overeenkomst alle verplichtingen over en weer bevat en dat er dus niet afgerekend zou worden voor de procuratendossiers omdat dit niet is bepaald, slaagt gelet op het voorgaande niet. Er zijn onvoldoende concrete feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden, zodat aan bewijsvoering hierover niet wordt toegekomen. Tegen deze achtergrond kan in het midden blijven of [x] / [a ] en [b ] de nadere afspraak van 27 februari 2007 rechtsgeldig hebben vernietigd.

5.11 Het argument van [x] dat in de overeenkomst niet is bepaald dat er goodwill werd overgenomen en dat niet kan worden ingezien waarom er een koopprijs betaald zou zijn als het onderhanden procuratenwerk niet is inbegrepen, slaagt niet. Feitelijk beoogt de overeenkomst een overgang van de advocatenpraktijk van [gedaagde] naar [b ] en [a ], wat al blijkt uit het feit dat de gearchiveerde dossiers meegingen. Voor deze praktijk (en de mogelijkheid om de klanten over te nemen) is betaald. Het betaald zijn van een koopprijs is dan ook geen argument dat het onderhanden procuratenwerk is inbegrepen. Dat zou anders zijn als de koopprijs was afgestemd op de aanwezigheid van dergelijk onderhanden werk, maar dat is gesteld noch gebleken.

5.12 [gedaagde] heeft dan ook terecht aanspraak gemaakt op de opbrengsten van de procuratendossiers tot aan de overnamedatum, wat er dan ook mogelijk zij van de datum waarop hij dit voor het eerst kenbaar heeft gemaakt en de ongebruikelijke wijze van tussentijdse declaraties aan de correspondenten. De vordering van [x] dient op dit punt te worden afgewezen.

E Toevoegingen

5.13 Partijen twisten verder over de afwikkeling van de overgenomen toevoegingsdossiers. Het geschil hierover hangt samen met de wijze waarop de Raad voor Rechtsbijstand toevoegingen financiert: de Raad betaalt advocaten per kwartaal een voorschot voor toevoegingen en na afwikkeling van de werkzaamheden wordt er een definitieve afrekening opgesteld. [gedaagde] heeft van de Raad een aantal voorschotten ontvangen, waarvan niet in geschil is dat die aan [b ] en [a ] / [x] toekwamen. Verder is niet in geschil dat [gedaagde] en [b ] en [a ] overeengekomen zijn dat zij de door de Raad te betalen definitieve vergoedingen pro rata zouden verdelen naar rato van de werkzaamheden voor en na [datum].

5.14 Tegen deze achtergrond vordert [x] € 30.241,60, zijnde het bedrag van de voorschotten, verminderd met reeds betaalde bedragen en vermeerderd met twee afrekeningen die aan [x] toekomen. [gedaagde] betwist dit bedrag als zodanig niet, zodat dit vaststaat, maar beroept zich op verrekening met zijn aanspraak voor een pro rata afrekening. Nu [x] echter onbetwist stelt dat tussen partijen afgesproken dat is de voorschotten zonder opschorting of verrekening door [gedaagde] zouden worden doorbetaald, slaagt het beroep op verrekening niet. Het betoog van [gedaagde] dat [x] hiermee misbruik van recht maakt dan wel in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt, slaagt niet. Dit deel van het geschil zal verder in reconventie worden behandeld.

5.15 De vordering van [x] ten aanzien van de toevoegingen is dan ook toewijsbaar.

F Bibliotheek

5.16 De vordering van [x] ten aanzien van de bibliotheek berust in de kern op haar stelling dat de bibliotheek niet volledig is geleverd. [x] stelt dat de in haar productie 28 en 29 genoemde publicaties niet of niet geactualiseerd aan haar zijn geleverd, terwijl zij wel hoorden bij het gekochte. [x] vordert partieel ontbinding van de koopovereenkomst wat betreft de koop van de volgens productie 28 ontbrekende uitgaven c.q. afleveringen, met uitzondering van de Handelingen en preadviezen van de NJV, Ars Aequi en Delikt & Delinkwent. Ten aanzien van de uitgaven c.q. afleveringen waarvan [x] ontbinding vordert, vordert zij bij wijze van ongedaanmakingsverplichting de vervangingswaarde, groot € 4.967,08 en enkele PM posten, die [x] begroot op € 1.400,--. Daarnaast vordert [x] € 2.500,-- terzake van de Handelingen en preadviezen van de NJV, Ars Aequi en Delikt & Delinkwent, waarvan zij aangeeft dat dit niet toegewezen hoeft te worden indien levering van deze publicaties alsnog plaatsvindt. Verder vordert [x] € 2.383,58 omdat de in productie 29 genoemde publicaties waardeloos zijn geworden doordat zij niet compleet zijn. In het totaal vordert [x] € 11.250,66. [x] geeft aan dat er mogelijk nog bedragen in mindering moeten worden gebracht indien [gedaagde] aantoont dat hij heeft betaald voor abonnementen na [datum] (zie voor dit laatste § J.1).

5.17 [gedaagde] betwist de stellingen van [x]. Er zijn volgens hem enkele abonnementen in 2005 beëindigd op basis van een opgave van [b ] en [a ] (wat door [x] wordt betwist). De abonnementen die na eind februari 2006 zijn ontvangen, zijn doorgezonden. Verder voert [gedaagde] aan dat het gaat om de bibliotheek per 1 januari 2006 en niet om de hele bibliotheek maar alleen op het deel dat is omschreven in de brief van 2 januari 2006. Daarnaast betoogt [gedaagde] dat [x] de koopovereenkomst niet kan ontbinden, dit zouden alleen [b ] en [a ] kunnen doen. Verder betwist [gedaagde], overigens zonder nadere onderbouwing, de hoogte van de gevorderde schade.

5.18 De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Ten aanzien van de omvang van de bibliotheek geldt dat niet alle publicaties uit de praktijk van [gedaagde] onderdeel van de overeenkomst vormen: alleen de publicaties uit de kamers van [b ] en [a ] en in de beide bibliotheekkamers op nummer 110 zijn overgenomen. Nu [x] zelf stelt dat de Handelingen en preadviezen van de NJV, Ars Aequi en Delikt & Delinkwent zich in de voormalige kamer van mr. [c] op nummer [z] bevonden, vormen deze dus geen onderdeel van de overname. De daarvoor gevorderde vergoeding van € 2.500,-- is dus niet toewijsbaar. Ten aanzien van het overige deel van de vordering van [x] geldt dat [gedaagde] niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist dat de overige in productie 28 en 29 van [x] genoemde publicaties als zodanig onderdeel vormden van het gekochte, behoudens dat [gedaagde] stelt dat enkele abonnementen zijn opgezegd in overleg met [b ] en [a ]. Nog daargelaten dat productie 28 en 29 van [x] een aanzienlijk aantal abonnementen bevatten, laat [gedaagde] na om aan te geven welke abonnementen op deze manier zouden zijn opgezegd. Ook gaat [gedaagde] niet inhoudelijk in op de door [x] overgelegde producties, terwijl aangenomen moet worden dat [gedaagde] bekend was met de bibliotheek zodat het op zijn weg had gelegen om op deze producties nader in te gaan. Welke consequenties er concreet verbonden zouden moeten worden aan zijn stelling dat het gaat om de bibliotheek per 1 januari 2006 - wat de rechtbank in de overeenkomst overigens niet kan terugvinden - stelt [gedaagde] evenmin. Ook de hoogte van de vordering is door [gedaagde] niet gemotiveerd betwist.

5.19 Als onvoldoende gemotiveerd betwist staat daarom vast dat de in productie 28 en 29 genoemde publicaties door [gedaagde] niet of niet volledig zijn geleverd en dat [b ] en [a ] / [x] hierdoor een schade van € (11.250,66 - 2.500=) 8.750,60 hebben geleden. De vordering is dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 8.750,60.

5.20 De rechtbank gaat voorbij aan het processuele debat over de vraag of [x] de koopovereenkomst kan ontbinden dan wel of [b ] en [a ] de overeenkomst buitengerechtelijk hebben ontbonden. De door [x] beoogde schadevergoeding is immers toewijsbaar zonder ontbinding.

G Overige vorderingen

5.21 [x] vordert onder de noemer “overige vorderingen” een bedrag van € 100.000,--. Deze post bestaat uit een aantal subposten, die hierna separaat worden besproken.

G.1 Achterhouden van lopende en gearchiveerde dossiers, derdengelden en elektronische gegevensdragers

5.22 [x] stelt dat [gedaagde] per saldo (76 + 2 - 13 =) 63 dossiers niet heeft geleverd. [x] begroot haar schade op (63 * € 2.500,-- =) € 157.500,--. Daarnaast stelt [x] dat [gedaagde] de ordners met ingeschreven zaken, de financiële dossiers met de betalingsafspraken met klanten en de indexen en ordners met vermelding van de gearchiveerde dossiers heeft achtergehouden. Gearchiveerde dossiers zijn zonder dossiermappen (maar met interieurslagen) los gestort in verhuisdossiers aangeleverd. In augustus 2006 heeft [gedaagde] alsnog de indexen van de gearchiveerde dossiers aangeleverd, maar dit was mosterd na de maaltijd omdat [x] toen alle dossiers al had geïndexeerd. Verder heeft [gedaagde] in ieder geval twee dossiers gelden van cliënten onder zich gehouden via zijn stichting derdengelden. Verder stelt [x] dat [gedaagde] de elektronische gegevensdragers niet heeft verstrekt aan [x]: het betrof hier oude computers met enkel floppydisks, die ongeschikt waren om de harddisk informatie te verwerken. [gedaagde] had die computers ter beschikking moeten stellen van de automatiseringsconsultant van [x] zodat die de gegevens van de harde schijven kon halen, dan wel [gedaagde] had zelf kopieën moeten maken.

5.23 [gedaagde] betwist de stellingen van [x]. Hij voert daartoe aan dat een aantal adviesdossiers met instemming van [a ] en [b ] zijn achtergebleven bij [gedaagde], deels omdat de betreffende cliënten daarom hadden gevraagd. Hij stelt verder dat er in deze dossiers niet meer is gedeclareerd omdat [gedaagde] zijn werkzaamheden had gestaakt. Ten aanzien van het verwijt dat de electronische gegevensdragers niet overgedragen zijn, stelt [gedaagde] dat [b ] de automatiseringsman van kantoor was, zodat [a ] en [b ] zelf er voor hadden kunnen zorgen dat dit meegenomen werd.

5.24 De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Achtergehouden dossiers

5.25 [gedaagde] heeft erkend dat hij een aantal dossiers heeft behouden. Nu hij niet gemotiveerd betwist dat het 63 dossiers betreft, zal de rechtbank van dat aantal uitgaan. Nu [gedaagde] stelt dat hij deze dossiers heeft behouden met instemming van [b ] en [a ], zal hem het bewijs van deze stelling worden opgedragen. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van [gedaagde] dat sommige cliënten hem hadden gevraagd om de dossiers niet door te zenden. [gedaagde] heeft dit verweer onvoldoende geconcretiseerd en hij laat na concreet aan te geven welke dossiers dit zou betreffen. Bovendien zouden dergelijke verzoeken van voormalige cliënten [gedaagde] niet zonder meer hebben ontslagen van zijn contractuele verplichtingen jegens [a ] en [b ].

Meenemen van elektronische gegevensdragers.

5.26 Op grond van de koopovereenkomst was [gedaagde] gehouden om de elektronische gegevensdragers ter beschikking te stellen. Het is in geschil of dit is gebeurd: [x] stelt dat deze niet meegenomen konden worden, [gedaagde] stelt dat [b ] en [a ] de gegevens zelf hebben meegenomen. Wat daar ook van zij, nu [x] niet concreet heeft onderbouwd (i) welke schade heeft geleden en (ii) welk deel van de koopprijs kan worden toegerekend aan deze gegevensdragers, al was het maar bij benadering, gaat de rechtbank aan dit geschilpunt voorbij.

De overige onder 5.22 genoemde verwijten

5.27 [gedaagde] heeft niet betwist dat hij de ordners met ingeschreven zaken, de financiële dossiers met de betalingsafspraken met klanten en de indexen en ordners met vermelding van de gearchiveerde dossiers heeft achtergehouden. Evenmin heeft [gedaagde] betwist dat gearchiveerde dossiers zonder dossiermappen (maar met interieurslagen) los gestort in verhuisdossiers zijn aangeleverd en dat eerst in augustus 2006 hij alsnog de indexen van de gearchiveerde dossiers heeft aangeleverd. Verder heeft [gedaagde] niet betwist dat hij gelden van cliënten onder zich heeft gehouden terwijl deze naar (de stichting derdengelden van) [x] overgemaakt hadden moeten worden. Op deze punten is [gedaagde] tekortgeschoten in zijn verplichtingen onder de koopovereenkomst.

G.2 Informeren cliënten

5.28 Het is niet in geschil dat afgesproken is dat [gedaagde] zou zorgen voor het verzenden van met [b ] en [a ] afgestemde brieven aan de cliënten om hen te informeren over de overname. Indien hij dit heeft nagelaten - zoals [x] stelt en [gedaagde] betwist - dan is hij tekort geschoten in zijn verplichtingen. Dit geldt ook indien [gedaagde] en zijn medewerkers zouden hebben nagelaten om cliënten die na [datum] belden, door te verwijzen naar [b ] en [a ], zoals [x] stelt en [gedaagde] betwist. Nu [gedaagde] betwist dat hij de afgesproken brieven niet zou hebben verzonden en dat hij klanten niet heeft doorverwezen, zal [x] het bewijs hiervan worden opgedragen.

G.3 Overzetten telefoon- en faxnummers

5.29 Naar niet in geschil is, is [gedaagde] onder de koopovereenkomst gehouden om mee te werken aan het overzetten van de in gebruik zijnde telefoon- en faxnummers. Het is evenmin in geschil dat de telefoonnummers niet zijn overgezet. [gedaagde] stelt dat dit het komt omdat [x] niet meewerkte, maar hij laat na om dit feitelijk te onderbouwen. Zo geeft hij niet aan dat hij op zijn beurt heeft gedaan wat redelijkerwijs nodig was, noch geeft hij aan wat [x] heeft nagelaten om te doen. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het verweer van [gedaagde] op dit punt. Daarmee staat vast dat [gedaagde] zijn verplichtingen ten aanzien van de telefoon- en faxnummers niet is nagekomen.

5.30 Dit betekent dat [b ] en [a ] gerechtigd waren om de koopovereenkomst partieel te ontbinden ten aanzien van het overzetten van de nummers ([x] kan dat niet omdat zij geen contractspartij is). [b ] en [a ] hebben [gedaagde] bij brief d.d. 20 juli 2006 bevestigd dat zij de overeenkomst op dit punt partieel hadden ontbonden (productie 36 van [x]). Nu [gedaagde] de ontvangst van deze brief niet betwist, gaat de rechtbank voorbij aan het overigens niet nader onderbouwde verweer van [gedaagde] dat [b ] en [a ] de overeenkomst niet buitengerechtelijk hebben ontbonden.

G.4 Beredderingskosten en overige schade en integrale schadebegroting

5.31 [x] stelt dat zij veel tijd heeft moeten steken in het oplossen van de hiervoor geschetste, door [gedaagde] gecreëerde, problemen, tijd die zij niet declarabel heeft kunnen benutten. Ter voorkoming van een langdurige schadestaatprocedure vordert [x] ten aanzien van deze beredderingskosten en voor onder G.1 - G.3 genoemde schade een totaalbedrag van € 100.000,--, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag.

5.32 [gedaagde] betwist dat hij tekortgeschoten is. Hij betwist verder dat er schade door [x] is geleden, terwijl het bedrag van € 100.000,-- volgens hem iedere onderbouwing mist.

5.33 De beoordeling van de gevorderde schadevergoeding wordt aangehouden in afwachting van de uitkomst van de hiervoor aangekondigde bewijsopdrachten. Wel wordt thans reeds overwogen dat de rechtbank met [x] van oordeel is dat de hoogte van de schade zal moeten worden geschat omdat het gaat om schade die zich niet leent voor een gedetailleerde begroting.

H Wettelijke rente

5.34 Wat betreft de wettelijke rente stelt [x] dat deze voor alle hiervoor genoemde schadeposten in ieder geval ingaat op 7 april 2006 als gevolg van een ingebrekestelling bij brief d.d. 6 april 2006. [gedaagde] betwist dat hij tekortgeschoten is, maar hij betwist de ingangsdatum van 7 april 2006 niet als zodanig. Voor zover de vorderingen van [x] worden toegewezen, zal daarom als ingangsdatum voor de verschuldigdheid van de wettelijke rente 7 april 2006 worden gehanteerd.

I Buitengerechtelijke incassokosten

5.35 [x] stelt buitengerechtelijke incassowerkzaamheden te hebben verricht en vordert daarom € 2.842,-- op grond van het rapport Voorwerk II. [gedaagde] betwist niet dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, maar betwist dat hij enig bedrag verschuldigd is omdat hij (per saldo) niets verschuldigd stelt te zijn aan [x].

5.36 De beslissing hierover wordt aangehouden in afwachting van de nadere beoordeling van de overige geschilpunten. Wel wordt reeds thans overwogen dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de hiervoor in § G beoordeelde kosten deels samenval¬len.

J Beroep van [gedaagde] op verrekening

5.37 [gedaagde] stelt dat hij een aantal tegenvorderingen heeft op [x] en beroept zich in conventie op verrekening. Een van die tegenvorderingen betreft de afwikkeling van de toevoegingen, waarvan hiervoor in § E al is bepaald dat verrekening hiervoor niet is toegestaan. Voor de overige tegenvorderingen geldt dat gesteld noch gebleken is dat hiervoor een verrekeningsverbod geldt, zodat deze hierna zullen worden besproken.

J.1 Betaling van abonnementen

5.38 [gedaagde] stelt dat hij een bedrag van € 11.843,69 heeft betaald voor abonnementen die zijn geleverd aan [x], zoals gespecificeerd in zijn productie 10. Nadat [x] had betwist dat dit zag op leveringen na [datum], heeft [gedaagde] gesteld dat alle leveringen na 1 januari 2006 voor rekening van [b ] en [a ] / [x] komen. Hij verwijst hiervoor naar de onder 2.4 hiervoor genoemde brief, zonder dat hij uitlegt hoe dit uit deze brief kan worden afgeleid. De rechtbank kan echter in de brief niet lezen dat de bibliotheek vanaf 1 januari 2006 voor rekening van [b ] en [a ] / [x] zou komen. De brief bepaalt immers dat overdracht plaats zal vinden ultimo februari 2006 en er wordt niet bepaald dat de bibliotheek overgedragen werd in de stand van 1 januari 2006. Het verweer van [gedaagde] dat hij dit bedrag nog te vorderen heeft, wordt dan ook als onvoldoende onderbouwd gehandhaafd gepasseerd.

J.2 Declaraties van [gedaagde]

5.39 [gedaagde] stelt dat er dossiers zijn meegenomen door [b ] en [a ] waarin nog moet worden gedeclareerd voor onderhanden werk, dat een aantal debiteuren door [b ] en [a ] zijn aangemoedigd om hun facturen van [gedaagde] niet te betalen en dat [b ] en [a ] in strijd met de afspraken een aantal facturen van [gedaagde] niet voor hem hebben geïncasseerd. [gedaagde] verwijt [a ] en [b ] dat zij op deze punten tekortgeschoten zijn in hun verplichtingen onder de koopovereenkomst en betoogt dat [x] op onrechtmatige wijze profiteert van deze tekortkoming. [x] betwist dit.

5.40 Hierover wordt als volgt geoordeeld. De stellingen van [gedaagde] omtrent de gestelde tekortkomingen van [b ] en [a ] zijn onvoldoende onderbouwd en worden daarom gepasseerd. Zo heeft [gedaagde] niet concreet aangegeven op welke wijze [b ] en [a ] cliënten zouden hebben aangezet om niet te betalen. Het had wel op de weg van [gedaagde] gelegen om hier concreter over te zijn, nu [x] stelt dat er alleen aan een aantal cliënten is geadviseerd om een specificatie op te vragen. Ten aanzien van de gestelde afgesproken incasso geldt dat [gedaagde] nalaat om concreet aan te geven wat er hierover is afgesproken. Ook ten aanzien van het in productie 13 bij conclusie van dupliek genoemde onderhanden werk geldt dat [gedaagde] nalaat om aan te geven wat hierover concreet is afgesproken en waarom het aan [b ] en [a ] / [x] te wijten is dat dat werk niet is uitgedeclareerd.

in reconventie

K Inleiding

5.41 [gedaagde] vordert schadevergoeding nader op te maken bij staat en een voorschot van € 25.000,--. Hij beroept zich hierbij op zijn aanspraak tot afwikkeling van de toevoegingen en daarnaast op zijn hiervoor onder J.1 en J.2 bedoelde vorderingen op [x]. Daarnaast vordert hij teruggave van de bankgarantie die hij heeft doen stellen ter opheffing van de gelegde beslagen. Deze vorderingen zullen hierna afzonderlijk worden besproken.

L Schadevergoeding terzake van de afwikkelingen van de afrekeningen

Zoals hiervoor in § E is overwogen, heeft [gedaagde] aanspraak op zijn pro rata deel van de definitieve betalingen van de Raad voor Rechtsbijstand terzake van de overgedragen toevoegingsdossiers. In conventie kon dit niet beoordeeld worden als gevolg van het afgesproken verrekeningsverbod, zodat dit thans in reconventie dient te worden beoordeeld. Met partijen gaat de rechtbank ervan uit dat de vordering van [gedaagde] terzake van deze afrekening zich dient te richten tegen [x].

5.42 In de kern komt het geschil over de afrekening hierop neer. Producties 7 en 9 van [gedaagde] bevatten overzichten van toevoegingsdossiers. [x] betwist productie 7 niet en productie 9 wel. Ten aanzien van de dossiers genoemd in productie 7 heeft [x] bij conclusie van repliek in conventie uiteengezet dat ten tijde van het nemen van die conclusie (november 2007) er tien dossiers waren die nog niet waren afgewikkeld. Van de overige dossiers uit productie 7 van [gedaagde] heeft [x] in dezelfde conclusie een uiteenzetting gegeven, waarvan de conclusie is dat [gedaagde] voor die toevoegingen een bedrag van € 2.997,43 toekomt. Deze berekening is door [gedaagde] niet gemotiveerd betwist.

5.43 Wat dus resteert, is dat de tien toevoegingen die in november 2007 nog openstonden worden afgerekend (redelijkerwijs kan aangenomen worden dat deze inmiddels zijn gedeclareerd aan de Raad voor Rechtsbijstand) en dat vastgesteld dient te worden of de toevoegingen genoemd in productie 9 van [gedaagde] inderdaad onderdeel vormden van de overgedragen dossiers. Partijen wordt in overweging gegeven om dit alsnog gezamenlijk ter hand te nemen dan wel om in overleg een deskundige te benoemen om dit voor hen te doen. Indien partijen hier niet binnen redelijke termijn kunnen uitkomen, is de rechtbank vooralsnog voornemens een deskundige te benoemen om zich hierover te laten voorlichten.

5.44 De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van akten na tussenvonnis. In deze akten dienen [x] en [gedaagde] aan te geven of zij dit punt alsdan inmiddels hebben opgelost, dan wel dienen zij - bij voorkeur eenparig - aan te geven wie er als deskundige(n) benoemd zou(den) moeten worden, welke eisen er aan de kennis van de te benoemen deskundige(n) gesteld moeten worden, welke vragen er aan de deskundige(n) gesteld moeten worden en wat in hun visie de maximale hoogte van het voorschot en het uurtarief zou moeten zijn. Het voorschot voor de deskundige zal door partijen gezamenlijk gedragen moeten worden.

M Schadevergoeding terzake van de vorderingen terzake van openstaande declaraties van [gedaagde] en uit te declareren onderhanden werk

5.45 Zoals hiervoor onder J.2 al is overwogen, stelt [gedaagde] dat er dossiers zijn meegenomen door [b ] en [a ] waarin nog moet worden gedeclareerd voor onderhanden werk, dat een aantal debiteuren door [b ] en [a ] zijn aangemoedigd om hun facturen van [gedaagde] niet te betalen en dat [b ] en [a ] in strijd met de afspraken een aantal facturen van [gedaagde] niet voor hem hebben geïncasseerd. Om de redenen als uiteengezet in § J.2 kan dit niet leiden tot toewijzing van de vordering van [gedaagde].

in conventie en reconventie

N Het verdere procesverloop

5.46 De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van de akte als bedoeld in overweging 5.44 door [x]. [gedaagde] zal vervolgens een antwoordakte kunnen nemen. Nadat daarover zal zijn beslist, zullen in een nader tussenvonnis de hiervoor bedoelde bewijsopdrachten worden gegeven.

5.47 Het komt de rechtbank voorshands voor dat het maximum van de omstreeks 1 juli 2008 ten behoeve van [x] afgegeven garantie (€ 200,000,--) vergaand ingeperkt kan worden. Gelet op het feit dat deze procedure nog een aanzienlijke looptijd kan hebben indien partijen niet alsnog een minnelijke regeling overeenkomen, geeft de rechtbank partijen in overweging dat maximum in onderling overleg op een substantieel lager bedrag te stellen.

5.48 Alle overige beslissingen worden aangehouden.

6 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

- verwijst de zaak naar de rol van woensdag 24 maart 2010 voor het nemen van een akte zoals hiervoor onder 5.44 bedoeld, (eerst) aan de zijde van [x];

in conventie en in reconventie

- houdt alle beslissingen aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. C. Bouwman, N. Doorduijn en H.W. Vogels.

Uitgesproken in het openbaar.

1876/1954/1729