Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL5469

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
10/661103-09 en 10/631081-06 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Schietpartij Café Laurenshof. Veroordeling wegens doodslag, viermaal poging tot doodslag, een poging tot moord, bedreigingen en vuurwapenbezit. Gevangenisstraf van 15 jaar en terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Verdachte werd naar eigen zeggen door een man in het café bespuugd. Hij is al schietend het café weer ingelopen. Bij de ingang schoot hij een man dood, in het café raakte hij vier personen. Hij richtte vervolgens zijn pistool op de man die hem bespuugd zou hebben, waarna een omstander de verdachte overmeesterde. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het initiële doel van de verdachte anders is geweest dan hij daarover zelf aangeeft: het met een pistool bedreigen van de man die hem had bespuugd. Tegen de achtergrond van de gebeurtenissen kan het niet anders dan dat dit initiële doel op enig moment is gewijzigd. Voorbedachte rade bewezen ten aanzien van de man die gespuugd zou hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/661103-09

Parketnummer van de vordering TUL: 10/631081-06

Datum uitspraak: 24 februari 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Curaçao,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres verdachte],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting De IJssel te Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. Silvis, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting d.d. 5 oktober 2009 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Klip heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde moord, de onder 2 tot en met 6 ten laste gelegde pogingen tot moord, de onder 7 ten laste gelegde bedreigingen en het onder 8 ten laste gelegde voorhanden hebben van een vuurwapen;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) jaar met aftrek van voorarrest, alsmede ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege.

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van het gedeelte van de gevangenisstraf groot een (1) jaar dat aan de verdachte voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis d.d. 30 augustus 2006 van de meervoudige kamer van deze rechtbank.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Algemeen

In de nacht van 10 op 11 april 2009 heeft de verdachte café Laurenshof in Rotterdam bezocht. In het café heeft de verdachte een paar biertjes gedronken en zich in het gezelschap gemengd. Op een gegeven moment is er tussen de verdachte en een aantal anderen, waaronder [slachtoffer 5], onenigheid ontstaan. De verdachte is daarop het café uitgelopen. Toen hij op enig moment het café weer in wilde gaan, is de verdachte bij de ingang tegengehouden door [dodelijk slachtoffer] (hierna: [dodelijk slachtoffer]). De verdachte heeft toen geschoten waarbij de verdachte [dodelijk slachtoffer] onder meer in de borst heeft geraakt. Dit inschot in de borst heeft letsel teweeggebracht dat gepaard is gegaan met perforatie van de aorta, massaal bloedverlies en weefselschade van onder andere de rechterlong. [dodelijk slachtoffer] is als gevolg daarvan ter plekke overleden.

De verdachte heeft zijn weg in het kleine café vervolgd waar, gelet op het aantal personen dat een verklaring omtrent deze gebeurtenissen heeft afgelegd, het nog behoorlijk druk was. Verdachte heeft in het café 9 kogels in de rondte geschoten hetgeen -onder meer- volgt uit de inslagen van projectielen op diverse plaatsen achterin het café. Door deze rondvliegende kogels werd [slachtoffer 2] geraakt in zijn onderbuik, [slachtoffer 3] werd geraakt in beide benen, [slachtoffer 4] werd geraakt in zijn been en [slachtoffer 6] werd geraakt op zijn knie.

Op zijn weg kris kras door het café is de verdachte op zoek gegaan naar [slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 5]), degene die de verdachte in het gezicht gespuugd zou hebben toen tussen hen onenigheid ontstond. In die zoektocht heeft de verdachte zijn wapen gericht op [slachtoffer 7], [slachtoffer 8], slachtoffer 9] en op diverse andere personen die op de grond waren gaan liggen en het toilet en de keuken in waren gevlucht. Verdachte heeft daarbij gezegd: “Waar is ie? Waar is ie?”. De verdachte heeft uiteindelijk [slachtoffer 5] gevonden die op de grond lag en heeft zijn wapen gericht op het gezicht van die [slachtoffer 5]. Daarop is hem het wapen afhandig gemaakt en is hij door een aantal personen overmeesterd.

Standpunt officier van justitie voorbedachte rade

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en er derhalve sprake is van moord en meerdere pogingen daartoe. De verdachte heeft immers op meerdere momenten de gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daden en heeft zich daarvan rekenschap kunnen geven. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat sprake is van een voornemen van de verdachte om ‘de enigste’ ([slachtoffer 5]) - de man die hem vermoedelijk in het café in zijn gezicht spuugde- , te pakken.

Dat besluit hield in dat hij ‘de enigste’ uit het café moest halen en daarbij indien nodig meerdere slachtoffers zou maken. De verdachte is thuis zijn wapen gaan halen. Hij heeft [dodelijk slachtoffer] doodgeschoten omdat hij hem de toegang tot het café belemmerde. Hij schoot vervolgens kogels in het rond in het volle café, zodat de aanwezigen op de grond zouden gaan liggen, teneinde ‘de enigste’ te vinden. Hierbij aanvaarde de verdachte bewust het risico dat hij nog meer mensen zou doodschieten. Slechts omdat een getuige de verdachte het wapen tijdig afhandig maakte, is zijn voorgenomen besluit ‘de enigste’ te vermoorden niet uitgevoerd.

Standpunt verdediging voorbedachte rade

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. De ten laste gelegde moord en de pogingen daartoe kunnen derhalve niet bewezen worden. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte tijd heeft gehad zich te beraden op zijn te nemen of genomen besluit, of gelegenheid heeft gehad na te denken over de gevolgen van zijn handelen en zich daarvan rekenschap te geven. Gezien de psychische toestand van de verdachte ontbreekt het hem simpelweg aan mogelijkheden hiertoe. De raadsman heeft hiertoe verwezen naar het hierna te noemen psychologisch rapport van het NIFP.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het handelen van de verdachte niet het gevolg is geweest van een enige tijd tevoren door hem genomen besluit. Dat de verdachte naar huis zou zijn gegaan om zijn vuurwapen aldaar op te halen valt niet af te leiden uit het dossier. Bovendien droeg de verdachte te allen tijde zijn vuurwapen bij zich en valt niet in te zien waarom dit op de dag van de schietpartij anders zou zijn geweest.

Beoordeling

Vast staat dat de verdachte na de onenigheid in het café zeker éénmaal het café heeft verlaten en naar huis is gegaan. Hieruit volgt dat de verdachte na de onenigheid in het café de nodige bedenktijd heeft gehad alvorens bij en in het café te schieten. Aldus heeft de verdachte de gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daden en heeft zich daar ook rekenschap van kunnen geven. In zoverre wordt het betoog van de officier van justitie gevolgd.

Het is echter niet vast te stellen dat de verdachte, voordat hij gelegenheid had zijn handelen te overdenken, reeds voornemens was in een vol café te schieten. Evenmin is vast te stellen dat de verdachte op dat moment er in aanmerkelijke zin rekening mee heeft moeten houden dat het hierop uit zou draaien. Anders gezegd, tegenover de verklaring van de verdachte dat het zijn voornemen was om [slachtoffer 5] te bedreigen door hem zijn vuurwapen te tonen, bevat het dossier onvoldoende bewijs dat dat voornemen op enig moment voorafgaand aan het schieten anders is geweest. Daar komt bij dat het meermalen afvuren van zijn wapen, dat niet alleen in tijd direct volgt op het moment dat de verdachte door [dodelijk slachtoffer] bij de deur van het café wordt tegengehouden, veel meer wijst op handelen dat voortkomt uit de ogenblikkelijke gemoedsopwelling van dat moment.

Aanvankelijk geldt dit eveneens met betrekking tot de ten laste gelegde poging tot moord op [slachtoffer 5]. De verklaring van de verdachte echter, dat hij ook nog nadat hij negen patronen in de rondte had geschoten en op zoek naar [slachtoffer 5] blééf gaan nog steeds voornemens was om [slachtoffer 5] alleen te bedreigen is volstrekt onaannemelijk.

Onder die omstandigheden kan het niet anders dan dat het initiële voornemen van de verdachte om [slachtoffer 5] alleen te bedreigen is hervormd tot een nieuw ‘besluit’. Dat besluit heeft er uit bestaan dat hij als hij [slachtoffer 5] zou vinden op hem zou schieten. Hoewel de tijd tussen het schieten op [dodelijk slachtoffer] en de anderen en het vinden van [slachtoffer 5] kort is geweest heeft de verdachte de gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen (hervormde) besluit en heeft zich daarvan ook rekenschap kunnen geven.

Eén en ander leidt tot de conclusie dat voorbedachte raad slechts ten aanzien van feit 6 kan worden bewezen.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 11 april 2009 te Rotterdam opzettelijk [dodelijk slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een pistool kogels afgevuurd in/op het lichaam van die [dodelijk slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [dodelijk slachtoffer] is overleden;

2.

hij op 11 april 2009 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool één of meer kogel(s) heeft afgevuurd in/op/naar het lichaam van die [slachtoffer 2], zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

3.

hij op 11 april 2009 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven met dat opzet met een pistool één of meer kogel(s) heeft afgevuurd in/op/naar het lichaam van die [slachtoffer 3], zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

4.

hij op 11 april 2009 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 4] van het leven te beroven met dat opzet met een pistool één of meer kogel(s) heeft afgevuurd in/op/naar het lichaam van die [slachtoffer 4], zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

5.

hij op 11 april 2009 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 5] van het leven te beroven, met dat

opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- een (geladen) pistool voorhanden heeft gehad en

- in café Laurenshof op zoek is gegaan naar [slachtoffer 5], althans

naar de persoon (met lang haar) die naar/op verdachte zou hebben gespuugd

en- het geladen pistool (daartoe) op verschillende personen heeft gericht en kogel(s) in het café heeft afgevuurd en- het geladen pistool op het gezicht van [slachtoffer 5] heeft gericht,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid alleen tengevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid dat door een omstander het pistool van verdachte is afgepakt

6.

hij op 11 april 2009 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 6] van het leven te beroven, met een pistool één of meer kogel(s) heeft afgevuurd in/op/naar een knie, althans het lichaam van die [slachtoffer 6], zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

7.

hij op 11 april 2009 te Rotterdam [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] en de andere in café Laurenshof aanwezige personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een geladen pistool één of meer kogel(s) afgevuurd in de richting van de in het café aanwezige personen en een geladen pistool gericht op/naar die [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] en de andere in het café aanwezige personen;

8.

hij op 11 april 2009 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk Hrvatski

Samokres, model: 2000, kaliber 9x19, en munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te

weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten, zestien, althans één of meer kogelpatronen, kaliber 9 mm x 19 en/of 9 mm Luger en/of 9 mm Parabellum voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1. Doodslag

2. Poging tot doodslag

3. Poging tot doodslag

4. Poging tot doodslag

5. Poging tot moord

6. Poging tot doodslag

7. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

8. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING EN MOTIVERING MAATREGEL

De straf en de maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op een feestelijke en drukke avond in café Laurenshof - er werd een talentenjacht gehouden - stapte de verdachte naar binnen om een biertje te drinken. Toen er onenigheid ontstond tussen hem en onder andere [slachtoffer 5] is de verdachte diep gekrenkt omdat [slachtoffer 5] hem in het gezicht zou hebben gespuugd. Hij is vervolgens naar buiten gegaan en wilde weer naar binnen om [slachtoffer 5] te vinden. Hij schoot op zijn weg naar binnen [dodelijk slachtoffer] dood. In het café aangekomen schoot hij in het rond en richtte zijn wapen op de daar aanwezige personen, die zich voor hem probeerden te verbergen. De verdachte heeft hierbij meerdere mensen geraakt. Slechts omdat een van de aanwezigen de verdachte het wapen op een gegeven moment afhandig maakte, zijn er niet meer (dodelijke) slachtoffers gevallen.

Dit zijn buitengewoon ernstige feiten.

De verdachte heeft door zijn handelen het slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk dat op leven, ontnomen. Bovendien heeft de verdachte hierdoor veel leed en welhaast ontroostbaar verdriet bij de familie en nabestaanden van het slachtoffer veroorzaakt. Het ligt in de lijn der verwachting dat zij dit verlies niet snel te boven zullen komen.

Voor de slachtoffers en de andere aanwezige personen in het café, moeten deze feiten een schokkende en beangstigende ervaring zijn geweest, waarvan zij nog lange tijd de fysieke, maar ook psychische nadelige gevolgen zullen ondervinden. De vier slachtoffer die door de rondvliegende kogels zijn geraakt hebben zeer veel last gehad van de door hen opgelopen verwondingen. Het is nog maar de vraag of zij allen (volledig) zullen herstellen.

Daarnaast heeft de verdachte door zijn handelen veel maatschappelijke onrust veroorzaakt. Het gegeven dat dodelijk gevaar kan dreigen tijdens een talentenjacht in een buurtcafé versterkt in grote mate de gevoelens van onveiligheid die in de samenleving leven.

Ook heeft de verdachte een vuurwapen voorhanden gehad. Dat vuurwapenbezit niet getolereerd kan worden behoeft na het voorgaande geen betoog.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 april 2009 reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van het Pieter Baan Centrum, opgemaakt door A.E. Grochowska, psychiater, en B.H. Boer, psycholoog, d.d. 17 december 2009. Zij rapporteren dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, een posttraumatische stresstoornis (PTSS) met een chronisch beloop. Hij wordt hierdoor ernstig belemmerd in zijn psychosociaal functioneren. Er zijn aanwijzingen voor beperkte intellectuele vermogens en langdurig gebruik van verdovende middelen. De PTSS was voorafgaand aan en ten tijde van het tenlastegelegde reeds aanwezig, er zijn aanwijzingen dat hij vanuit de PTSS op externe prikkels in extreme mate angstig reageerde.

Door het vermoedelijke spugen voelde hij zich gekrenkt waardoor hij eerder geneigd was om terug te gaan naar het café met een wapen, om degene die hem beledigd zou hebben op te zoeken en een confrontatie met hem aan te gaan. In de toestand waarin hij verkeerde ervoer hij allerlei interacties met mensen uit het café als een aanval waartegen hij zich moest verdedigen. De drang van de verdachte om zich met een wapen tegen vermeende overvallers te beschermen vloeit grotendeels voort uit zijn angst en paranoïdie, voortkomend uit zijn PTSS. De verdachte wordt als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd. De kans op herhaling van geweldsdelicten met een escalatierisico wordt, tenzij de verdachte behandeld wordt voor zijn PTSS, groot geacht. Geadviseerd wordt de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Voor de behandeling in een minder gedwongen kader ontbreekt bij de verdachte voldoende inzicht in zijn problematiek.

De bevindingen en conclusies van de deskundigen worden overgenomen. De bewezen verklaarde feiten zullen de verdachte verminderd worden toegerekend.

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en op de inhoud van bovengenoemde rapportage, alsmede in aanmerking genomen dat de verdachte zich ook al eerder gewelddadig jegens anderen heeft gedragen, zal de terbeschikkingstelling van de verdachte worden gelast, met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. De wet biedt daartoe de mogelijkheid nu de bewezen verklaarde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eisen.

De rechtbank stelt vast dat de bewezen verklaarde delicten, ter zake waarvan de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd, misdrijven zijn die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Nu de bewezen verklaarde feiten de verdachte voor een deel niet kunnen worden toegerekend zal de gevangenisstraf die, naast de terbeschikkingstelling met dwangverpleging, aan de verdachte zal worden opgelegd worden gematigd, zonder daarbij de aard en ernst van de gepleegde delicten uit het oog te verliezen. Dit betekent enerzijds dat de door het openbaar ministerie gevorderde strafduur - mede gelet ook op de kwalificatie - te hoog voorkomt, doch aan de andere kant dat een gevangenisstraf van zeer lange duur onontkoombaar blijft. Vanuit het oogpunt van vergelding en generaal en speciaal preventieve werking wordt een dergelijke straf, ondanks het andersluidende betoog van de raadsman, noodzakelijk geacht.

Alles afwegend worden na te noemen straf en maatregel passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ EN SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

[slachtoffer 3]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 3], wonende te Rotterdam, terzake van feit 3. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 463,00 en een voorschot op immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,00.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de verdachte de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet heeft betwist, zal de vordering terzake van materiële schade worden toegewezen.

Tevens is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid worden vastgesteld op € 1.500,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige zal de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk worden verklaard.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

[slachtoffer 4]

Voorts heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd: [slachtoffer 4], wonende te Rotterdam, terzake van feit 4. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 2906,00 en een voorschot op immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,00. Daarnaast vordert de benadeelde partij vergoeding van de gemaakte kosten rechtsbijstand ad € 98,00.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht bestaande uit beschadigde kleding en een ziekenhuisopname zal dit deel van de vordering worden toegewezen tot een bedrag van € 400,00. De schade ter zake van extra telefoon- en portokosten zal naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid worden vastgesteld op € 50,00, zodat dit deel van de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

De vordering van de benadeelde partij voor zover betrekking hebbende op de kosten voor fysio- en psychotherapie en mantelzorg door ouders is niet van zo eenvoudige aard, dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Voor het overige - de gevorderde schadevergoeding terzake van begrafenis- en reiskosten, zal de vordering tot materiële schade worden afgewezen.

Tevens is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid worden vastgesteld op € 1.500,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige zal de benadeelde partij in de vordering tot immateriële schadevergoeding niet ontvankelijk worden verklaard.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 98,00 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij op tegenspraak gewezen vonnis d.d. 30 augustus 2006 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte terzake van poging doodslag en het voorhanden hebben van een wapen veroordeeld (voor zover van belang) tot een gevangenisstraf van drie (3) jaar, waarvan een gedeelte groot een (1) jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

De proeftijd is op grond van artikel 14b, derde lid van het Wetboek van Strafrecht ingegaan op 30 juli 2007. De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd.

Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 37a, 37b, 38e, 45, 57, 285, 287, 289 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair (impliciet subsidiair), 3 primair (impliciet subsidiair), 4 primair (impliciet subsidiair), 5 primair (impliciet primair), 6 primair (impliciet subsidiair), 7 en 8 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van vijftien (15) jaar;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] terzake van materiële schade toe tot een bedrag van € 463,00 en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [slachtoffer 3], wonende te [adres], te betalen € 463,00 (zegge: vierhonderddrieënzestig euro);

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] terzake van immateriële schade toe tot een bedrag van € 1.500,00 en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [slachtoffer 3], wonende te [adres], te betalen € 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro);

bepaalt dat deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2009 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in het overigens gevorderde en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 3] gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 1.963,00 (zegge: negentienhonderddrieënzestig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 29 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] terzake van materiële schade toe tot een bedrag van € 450,00 en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [slachtoffer 4], wonende te [adres], te betalen € 450,00 (zegge: vierhonderdvijftig euro);

verklaart dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk is in de vordering wat betreft de kosten voor fysio- en psychotherapie en kosten mantelzorg door ouders ad € 2000,00 en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

wijst af het door de benadeelde partij [slachtoffer 4] aan materiële schade meer of anders gevorderde;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] terzake van immateriële schade toe tot een bedrag van € 1.500,00 en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [slachtoffer 4], wonende te [adres], te betalen € 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro);

verklaart dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in de overigens gevorderde immateriële schade en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

bepaalt dat de aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2009 tot aan de dag van de algehele voldoening;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 1.950,00 (zegge: eenduizendnegenhonderdvijftig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 29 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 4] gemaakt, tot op heden begroot op € 98,00 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot een (1) jaar, van de bij vonnis d.d. 30 augustus 2006 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Janssen, voorzitter,

en mrs. Van Nijen en Kronenberg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. McGivern, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 februari 2010.

De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van: 24 februari 2010

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 11 april 2009

te Rotterdam

opzettelijk en /of met voorbedachten rade een persoon genaamd [dodelijk slachtoffer] van

het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en/of na kalm

beraad en rustig overleg, met een pistool één of meer kogel(s) afgevuurd in/op

het lichaam van die [dodelijk slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [dodelijk slachtoffer] is overleden;

[art. 289/287 Wetboek van Strafrecht]

2.

hij

op of omstreeks 11 april 2009

te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en/of met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 2]

van het leven te beroven, met dat opzet en/of na kalm beraad en rustig

overleg, met een pistool één of meer kogel(s) heeft afgevuurd in/op/naar het

lichaam van die [slachtoffer 2],

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

[art. 289/287 jo 45 Wetboek van Strafrecht]

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 11 april 2009

te Rotterdam

aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

(letsel aan blaas en/of endeldarm), heeft toegebracht, door opzettelijk met

een pistool één of meer kogel(s) af te vuren in/naar/in de richting van het

onderlichaam, althans het lichaam van die [slachtoffer 2];

[art. 302 Wetboek van Strafrecht]

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 11 april 2009

te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

toe te brengen, met dat opzet met een pistool één of meer kogel(s) heeft

afgevuurd in/naar/in de richting van het onderlichaam, althans het lichaam van

die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

[art. 302 jo 45 Wetboek van Strafrecht]

3.

hij

op of omstreeks 11 april 2009

te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en/of met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 3] van

het leven te beroven met dat opzet en/of na kalm beraad en rustig overleg, met

een pistool één of meer kogel(s) heeft afgevuurd in/op/naar het lichaam van

die [slachtoffer 3],

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

[art. 289/287 jo 45 Wetboek van Strafrecht]

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 april 2009 te Rotterdam aan een persoon genaamd

[slachtoffer 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (één of meer schotwond(en) in

de bil en/of be(e)n(en)), heeft toegebracht, door opzettelijk met een pistool

één of meer kogel(s) af te vuren in/naar/in de richting van het onderlichaam,

althans het lichaam van die [slachtoffer 3];

(302 WvSr)

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 april 2009 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een

pistool één of meer kogel(s) heeft afgevuurd in/op/naar het onderlichaam,

althans het lichaam van die [slachtoffer 3],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(302 jo 45 WvSr)

4.

hij

op of omstreeks 11 april 2009

te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en/of met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 4] van

het leven te beroven met dat opzet en/of na kalm beraad en rustig overleg, met

een pistool één of meer kogel(s) heeft afgevuurd in/op/naar het lichaam van

die [slachtoffer 4],

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

[art. 289/287 jo 45 Wetboek van Strafrecht]

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 april 2009 te Rotterdam aan een persoon genaamd

[slachtoffer 4], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schotwond in de linkerknie),

heeft toegebracht, door opzettelijk met een pistool één of meer kogel(s) af

te vuren in/naar/in de richting van een been, althans het lichaam van die

[slachtoffer 4];

(art 302 Sr)

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 april 2009 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 4],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een

pistool één of meer kogel(s) heeft afgevuurd in/naar/in de richting van een

been, althans het onderlichaam van die [slachtoffer 4],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(302 jo 45 WvSr)

5.

hij

op of omstreeks 11 april 2009

te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en/of met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 5] van het

leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat

opzet en/of na kalm beraad en rustig overleg,

- een (geladen) pistool is gaan halen, althans voorhanden heeft gehad en/of

- (teruggekomen) in café Laurenshof op zoek is gegaan naar [slachtoffer 5], althans

naar de persoon (met lang haar) die naar/op verdachte zou hebben gespuugd

en/of

- het (geladen) pistool (daartoe) op verschillende personen heeft gericht en/of

- één of meer kogel(s) in het café heeft afgevuurd en/of

- het (geladen) pistool op het gezicht/hoofd van [slachtoffer 5] heeft gericht,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid alleen

tengevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid dat door een

omstander het pistool van verdachte is afgepakt, in elk geval alleen

tengevolge van een van zijn/haar wil onafhankelijke omstandigheid;

[art. 289/287 jo 45 Wetboek van Strafrecht]

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 11 april 2009

te Rotterdam

[slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met

zware mishandeling, immers is/heeft verdachte opzettelijk dreigend

- (teruggekomen) in café Laurenshof op zoek gegaan naar [slachtoffer 5], althans

naar de persoon (met lang haar) die naar/op verdachte zou hebben gespuugd

en/of

- het (geladen) pistool (daartoe) op verschillende personen gericht en/of

- één of meer kogel(s) in het café afgevuurd en/of

- het (geladen) pistool op het gezicht/hoofd van [slachtoffer 5] gericht;

[art. 285 Wetboek van Strafrecht]

6.

hij

op of omstreeks 11 april 2009

te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en/of met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 6] van het

leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat

opzet en/of na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool één of meer

kogel(s) heeft afgevuurd in/op/naar een knie, althans het lichaam van die

[slachtoffer 6],

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

[art. 289/287 jo 45 Wetboek van Strafrecht]

7.

hij

op of omstreeks 11 april 2009

te Rotterdam

[slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of de andere in café

Laurenshof aanwezige personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

dreigend met een (geladen) pistool één of meer kogel(s) afgevuurd in de

richting van de in het café aanwezige personen en/of een (geladen) pistool

heeft gericht op/naar die [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of de andere

in het café aanwezige personen;

[art. 285 jo 57 Wetboek van Strafrecht]

8.

hij

op of omstreeks 11 april 2009

te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III, onder 1° van de Wet

wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3°

van die wet in de vorm van een pistool van het merk Hrvatski Samokres, model:

2000, kaliber 9x19,

en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te

weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III

te weten, zestien, althans één of meer kogelpatronen, kaliber 9 mm x 19 en/of

9 mm Luger en/of 9 mm Parabellum

voorhanden heeft gehad

[art. 26 jo 55 Wet wapens en munitie]