Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL4418

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-02-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
AWB 09/2685 GEMWT - T1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

sprake van herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank overweegt dat de bouwvergunning voor de dakopbouw is verleend op 18 juni 2001 en - zoals ook reeds is overwogen in haar uitspraak van 24 juli 2007 - onherroepelijk is. Bij het verlenen van die vergunning is door verweerder geoordeeld dat het bouwplan voldoet aan de eisen van het bestemmingsplan. Eisers hadden het argument dat de dakopbouw in strijd is met het bestemmingsplan op dat moment kunnen opwerpen. Het feit dat zij destijds vanwege termijnoverschrijding niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun bezwaar tegen die vergunningverlening maakt niet dat dit argument nu alsnog als nieuw feit en/of omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb aan de orde kan worden gesteld teneinde een andere beslissing te verkrijgen. (Herhaalde) beroep op de uitspraak van de rechtbank van 17 april 2003 (procedurenummer GEMWT 02/1765) kan niet baten, nu de ontwikkelingen daarna niet buiten beschouwing kunnen blijven en die ontwikkelingen leiden tot de conclusie dat verweerder terecht op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek tot handhaving heeft afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/2685 GEMWT - T1

Uitspraak in het geding tussen

X en Y, wonende te Z, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westvoorne, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 14 april 2009 heeft verweerder het verzoek van eisers van 9 maart 2009 om handhavend op te treden tegen de plaatsing van een dakopbouw op het perceel […] te […] afgewezen.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 11 mei 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 30 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) hebben eisers bij brief van 28 juli 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 1 september 2009 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2009. Eisers waren aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.J. de Winter.

2 Overwegingen

2.1 Feiten en omstandigheden

A. heeft op 11 april 2001 bij verweerder een bouwaanvraag ingediend voor het plaatsen van een dakkapel op zijn woning gelegen op het perceel […] te […]. Aangezien het bouwplan voldeed aan de voorschriften van het bestemmingsplan heeft verweerder op 18 juni 2001 aan A. bouwvergunning verleend. Het door eisers hiertegen ingediende bezwaarschrift is door verweerder wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

A. heeft in augustus 2001 de dakkapel op zijn woning laten plaatsen. Eisers hebben bij die gelegenheid bij A., bij de aannemer, alsmede bij verweerder geprotesteerd tegen een overschrijding van de erfgrens bij de bouw van de dakkapel.

Bij brief van 3 december 2001 hebben eisers verweerder verzocht A. te gelasten de gebouwde dakkapel in overeenstemming te brengen met de aan A. verleende bouwvergunning en zonodig handhavend op te treden. Bij besluit van 24 januari 2002 heeft verweerder zijn beslissing tot weigering van toepassing van bestuursdwang aan eisers bekend gemaakt. Verweerder heeft het door eisers tegen dit besluit ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 april 2003 (procedurenummer GEMWT 02/1765) heeft de rechtbank eisers beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar vernietigd. Bij besluit van 5 augustus 2003 heeft verweerder eisers bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 24 januari 2002 vernietigd. Tevens is besloten om A. een termijn van vier maanden te gunnen om de dakopbouw (dakkapel) in overeenstemming met de verleende vergunning te brengen dan wel geheel te verwijderen.

Op 23 oktober 2003 heeft verweerder een tekening van A. ontvangen, waarop staat aangegeven op welke wijze hij de dakkapel wil aanpassen. Bij brief van 9 december 2003 heeft verweerder A. meegedeeld dat deze wijze van uitvoering in overeenstemming is met de verleende bouwvergunning en voldoet aan de voorschriften van het bestemmingsplan. Bij brief van 8 januari 2004 heeft verweerder eisers verzocht kenbaar te maken of zij akkoord gaan met de wijze waarop A. de dakopbouw wil aanpassen.

Bij brief van 10 januari 2004 hebben eisers verweerder wederom verzocht om handhavend op te treden ten aanzien van de gebouwde dakkapel. Bij besluit van 28 april 2004 heeft verweerder het verzoek om handhaving afgewezen, omdat eisers niet instemden met de voorgestelde wijze van uitvoering en ook de daadwerkelijke uitvoering belemmerden door geen toegang tot hun dak te verschaffen. Verweerder heeft het door eisers bij de rechtbank ingediende - en vervolgens door de rechtbank aan verweerder ter behandeling doorgestuurde - bezwaar tegen dit besluit (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit niet tijdig was ingediend. Het door eisers bij de rechtbank ingediende beroep (procedurenummer BESLU 04/2750) tegen dit besluit is bij uitspraak van 6 januari 2005 door de rechtbank ongegrond verklaard. Het door eisers tegen deze uitspraak ingediende verzet is bij uitspraak van 22 juni 2005 (procedurenummer BESLU 04/2750) door de rechtbank ongegrond verklaard.

Bij brief van 14 december 2005 hebben eisers verweerder meegedeeld alsnog in te stemmen met het door A. gedane aanbod tot verandering/aanpassing van de dakopbouw conform tekening 575/12, gedateerd 7 januari 2004 en bereid te zijn om geen belemmeringen op te werpen ter zake van de daadwerkelijke uitvoering. In deze brief hebben eisers (opnieuw) verzocht om handhavend optreden. Bij besluit van 3 april 2006 heeft verweerder eisers verzoek om handhaving op grond van artikel 4:6, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) afgewezen, onder verwijzing naar het besluit van 28 april 2004. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij het besluit op bezwaar van 6 november 2006 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het besluit van 28 april 2004 rechtens onaantastbaar is geworden en het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 14 december 2005 hebben eisers een nieuw verzoek om handhaving ingediend. Bij het besluit van 3 april 2006 heeft verweerder dit verzoek onder verwijzing naar het besluit van 28 april 2004 dat inmiddels rechtens onaantastbaar is geworden, afgewezen. Verweerder heeft gesteld dat de omstandigheid dat A. nu wel het dak mag betreden geen nieuw feit is, omdat dit reeds in het inmiddels onaantastbare besluit van 28 april 2004 een overweging is geweest om het verzoek tot handhaving af te wijzen hetgeen in een eventueel beroepschrift door eisers opgeworpen had kunnen worden.

Tegen het hierna genomen besluit op bezwaar van 6 november 2006 hebben eisers beroep ingesteld. Dit beroep is bij uitspraak van 24 juli 2007 (procedurenummer GEMWT 06/4963) door de rechtbank ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 juni 2008 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) - naar aanleiding van het door eisers ingestelde hoger beroep - de aangevallen uitspraak bevestigd. De ABRS heeft geoordeeld dat het besluit van 24 (lees 28) april 2004 moet worden aangemerkt als een besluit op het verzoek van 3 december 2001 en dat de rechtbank derhalve terecht heeft geoordeeld dat het verzoek van 14 december 2005 een herhaalde aanvraag is in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het aspect dat eisers alsnog toestemming hebben gegeven aan A. om het dak te betreden teneinde de dakopbouw in overeenstemming te brengen met de bouwvergunning, reeds in het inmiddels onaantastbare besluit van 24 (lees 28) april 2004 een overweging is geweest om het verzoek om handhaving af te wijzen, zodat dit argument eerder door eisers had kunnen worden opgeworpen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek van eisers van 9 maart 2009 om handhavend op te treden wederom afgewezen op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, omdat eisers evenmin bij dit verzoek nieuwe feiten of veranderde omstandigheden hebben gemeld. Verweerder heeft gesteld dat onder nieuwe feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet voor dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd.

2.2 Beoordeling

Artikel 4:6 van de Awb luidt als volgt:

1.Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden;

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

De rechtbank is van oordeel dat eisers met de brief van 9 maart 2009 een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb hebben ingediend en dat in een zodanig geval sprake moet zijn van nieuwe feiten en/of omstandigheden van een zodanige aard dat zij tot een ander besluit aanleiding kunnen geven. Eisers hebben aangevoerd dat er sprake is van een nieuw feit, namelijk dat de dakopbouw niet voldoet aan de bepalingen van het bestemmingsplan.

De rechtbank overweegt dat de bouwvergunning voor de dakopbouw is verleend op 18 juni 2001 en - zoals ook reeds is overwogen in haar uitspraak van 24 juli 2007 - onherroepelijk is. Bij het verlenen van die vergunning is door verweerder geoordeeld dat het bouwplan voldoet aan de eisen van het bestemmingsplan. Eisers hadden het argument dat de dakopbouw in strijd is met het bestemmingsplan op dat moment kunnen opwerpen. Het feit dat zij destijds vanwege termijnoverschrijding niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun bezwaar tegen die vergunningverlening maakt niet dat dit argument nu alsnog als nieuw feit en/of omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb aan de orde kan worden gesteld teneinde een andere beslissing te verkrijgen. Ook eisers (herhaalde) beroep op de uitspraak van de rechtbank van 17 april 2003 (procedurenummer GEMWT 02/1765) kan hen niet baten, nu de ontwikkelingen daarna niet buiten beschouwing kunnen blijven en die ontwikkelingen leiden tot de conclusie dat verweerder terecht op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek tot handhaving heeft afgewezen.

Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.I. van Strien, voorzitter, en mr. A. Verweij en mr. J. A F. Peters, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Traousis - van Wingaarden, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 15 februari 2010.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eisers worden begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op