Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL4417

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
295043 / HA ZA 07-2757
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Woningcorporatie heeft bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering afgesloten. Zij claimt onder de verzekering schade die het gevolg is van het verzakken van woonwagenstandplaatsen. Verzekeraar doet een beroep op het vervalbeding in de polisvoorwaarden dat bepaalt dat verzekerde binnen één jaar na afwijzing van de claim in verzet dient te komen. De rechtbank acht dit beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar nu verzekeraar bij de afwijzing van de claim er niet op heeft gewezen dat zij te zijner tijd een beroep zou doen op dit beding. Voorts is tussen partijen in geschil of het exploiteren van woonwagenstandplaatsen onder de verzekerde hoedanigheid van de woningcorporatie valt, zoals omschreven in de in de polisvoorwaarden opgenomen activiteitenclausule. Rechtbank komt tot het oordeel dat de woningcorporatie er niet op heeft mogen vertrouwen dat dit het geval was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010, 141
RAV 2010, 59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 295043 / HA ZA 07-2757

Uitspraak: 6 januari 2010

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

de stichting WONINGSTICHTING HAAG WONEN,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

eiseres,

advocaat mr. W.A.M. Rupert,

- tegen -

de naamloze vennootschap AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V. (rechtsopvolgster van Fortis Corporate Insurance N.V.),

gevestigd te Amstelveen,

gedaagde,

advocaat mr. W.L. Stolk.

Partijen worden hierna aangeduid als “Haag Wonen” respectievelijk “Fortis”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 16 oktober 2007 en de door Haag Wonen overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek tevens houdende akte vermeerdering eis, met producties;

- conclusie van dupliek, met producties;

- de bij gelegenheid van de pleidooien overgelegde pleitnotities.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1 Bij akte van 29 december 1998 heeft de gemeente ’s-Gravenhage aan de woningstichting VZOS, de rechtsvoorgangster van Haag Wonen, (hierna eveneens aangeduid als Haag Wonen) de woonwagenlocatie Isabellaland (hierna: de locatie) in erfpacht uitgegeven.

2.2 Deze erfpachtuitgifte strekte ter uitvoering van de op 27 november 1998 tussen de gemeente ’s-Gravenhage en de Vereniging van Haagse Woningcorporaties gesloten “raamovereenkomst overdracht van het beheer en eigendom van de woonwagenlocaties in Den Haag”. Deze raamovereenkomst is aangevuld en er is een bijbehorende takenverdeling opgesteld.

2.3 Uit deze raamovereenkomst vloeit voor Haag Wonen onder meer de verplichting voort om de 18 op de locatie aanwezige standplaatsen te verhuren aan door de gemeente ’s-Gravenhage aangewezen bewoners. Deze standplaatsen waren ten tijde van uitgifte in erfpacht reeds verhuurd door de gemeente ’s-Gravenhage.

2.4 Haag Wonen heeft, als verzekeringnemer, per 1 juli 1999 door bemiddeling van de assurantietussenpersoon AON Risico Management (hierna: AON) een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering met polisnummer V0100031455 gesloten (hierna: de verzekeringsovereenkomst). Haag Wonen is één van de verzekerden; daarnaast zijn als verzekerden ook genoemd Haagsche Woningstichting “Braamstraat”, Beheerpanden van de Gemeente ’s-Gravenhage en Stichting Exploitatie Kantoor Zoutkeetsingel. Het betreft een beurspolis en Fortis is voor 100% risicodrager op de polis. De verzekeringsovereenkomst is steeds per 1 januari van het nieuwe jaar met een periode van twaalf maanden verlengd en uiteindelijk op 31 december 2003 beëindigd.

2.5 Op de verzekeringsovereenkomst zijn van toepassing de verzekeringsvoorwaarden VA930-01 Aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven, alsmede aanvullende clausules (hierna: de polisvoorwaarden), waaronder de clausule VA 0921-008 Activiteiten (hierna: de activiteitenclausule). De polisvoorwaarden zijn opgesteld door Aon.

2.6 De activiteitenclausule luidt als volgt:

“De activiteiten van verzekerde zijn:

eigenaresse/exploitante van onroerend goed, met een eigen onderhoudsdienst, alsmede directie of aannemer van nieuwbouw of woningen of bedrijfsruimten en/of renovatieprojecten met alle daarbij en daartoe behorende werkzaamheden en activiteiten, geen uitgezonderd.”

2.7 De verzekeringsvoorwaarden VA930-01 luiden – voor zover thans van belang – als volgt:

“(…)

12 De verzekering dekt de aansprakelijkheid van verzekerden voor door derden geleden schade (…) als gevolg van:

(…)

12.2 beschadiging, vernietiging, verontreiniging, verlies of het vuil worden van zaken of het zich daarop of daarin bevinden van vreemde stoffen (hierna te noemen zaakschade); mits de (…) zaakschade (…) is ontstaan tijdens de looptijd van de verzekering.

(…)

25 Schade-aanmelding

25.1 Zodra een gebeurtenis heeft plaatsgevonden op grond waarvan verzekerde tot schadevergoeding, verhaalbaar krachtens deze verzekering, gehouden zou kunnen zijn, of zodra een vordering daartoe bij hem is ingediend, is verzekerde verplicht het schadegeval door tussenkomst van de verzekeringnemer met bekwame spoed aan te melden bij Aon.

(…)

25.4 Indien een schadegeval niet is aangemeld binnen 3 maanden nadat verzekerde ermee bekend is geworden (…) is verzekerde tegenover verzekeraars aansprakelijk voor de schade die zij ten gevolge daarvan lijden; het recht van verzekerde op uitkering wordt hierdoor niet aangetast. (…)

25.5 Indien een schadegeval niet is aangemeld binnen 3 jaar nadat verzekerde ermee bekend is geworden, vervalt het recht van verzekerde op uitkering.

(…)

27 Schadevergoeding

(…)

27.5 Wanneer vergoeding van een schade (of een deel ervan) schriftelijk door of namens verzekeraars wordt afgewezen, kan verzekerde daartegen binnen 1 jaar, te rekenen vanaf de datum van de afwijzing, schriftelijk in verzet komen. Maakt verzekerde van de mogelijkheid tot verzet geen gebruik, dan komen zijn rechten ter zake van het betrokken schadegeval te vervallen.

(…)

29 Wijziging van activiteiten

De premie en voorwaarden gelden voor de activiteiten van verzekerde(n), zoals in de polis vermeld.

Indien deze activiteiten in belangrijke mate worden gewijzigd, zijn partijen bevoegd een verandering van premie of voorwaarden aan de orde te stellen. Verzekeringnemer zal verzekeraars binnen redelijke termijn van deze wijziging op de hoogte stellen; de dekking blijft echter onverminderd van kracht.”

2.8 De bewoners van de woonwagens op de locatie hebben Haag Wonen in maart 2002 aansprakelijk gesteld voor schade die was ontstaan aan de woonwagens door verzakking van het terrein en zij hebben vergoeding van deze schade gevorderd, aangezien deze schade volgens hen was ontstaan als gevolg van onvoldoende draagkracht van de ondergrond.

2.9 Op 24 januari 2003 heeft AON namens Haag Wonen een schadekennisgeving gericht aan Fortis.

2.10 Fortis heeft vervolgens expertisebureau GAB Robins Takkenberg B.V. (hierna: GAB Robins) ingeschakeld om onderzoek te doen. GAB Robins heeft op 25 maart 2003 gerapporteerd. Op 12 maart 2009 heeft zij een aanvullend rapport uitgebracht.

2.11 Haag Wonen heeft voor het herstel van de woonwagens aan de bewoners in totaal een bedrag van € 747.628,15 vergoed. Verder heeft Haag Wonen een totaalbedrag van € 1.395.754,- aan de bewoners vergoed in verband met toekomstige schade aan de wagens als gevolg van verdere verzakkingen en als onkostenvergoeding voor de periode dat de standplaats en de woonwagen als gevolg van de herstelwerkzaamheden niet (volledig) gebruikt konden worden.

2.12 Fortis is niet bereid tot uitkering onder de verzekeringsovereenkomst over te gaan.

3 Het geschil

3.1 De gewijzigde vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Fortis te veroordelen tot betaling aan Haag Wonen van een bedrag van € 747.628,15, alsmede tot betaling van een bedrag van € 1.395.754,-, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van Fortis in de proceskosten, inclusief de nakosten.

3.2 Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Haag Wonen aan de vordering ten grondslag gelegd dat de schade die Haag Wonen aan de woonwagenbewoners heeft vergoed (hiervoor vermeld onder 2.11) is gedekt onder de verzekeringsovereenkomst, zodat Fortis gehouden is deze bedragen aan Haag Wonen te vergoeden.

3.3 Het verweer van Fortis strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Haag Wonen in de kosten van het geding, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten. Op het door Fortis gevoerde verweer zal in het kader van de beoordeling – voor zover nodig – worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1 Ter gelegenheid van de pleidooien is namens Fortis en Amlin Corporate Insurance N.V. aangegeven dat Amlin Corporate Insurance N.V. de rechtsopvolgster van Fortis is en is namens hen verzocht de procedure op naam van Amlin Corporate Insurance N.V. voort te mogen zetten. Haag Wonen heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt, zodat de rechtbank in deze procedure Amlin Corporate Insurance N.V. als gedaagde aanmerkt. De rechtbank blijft hieronder gedaagde wel aanduiden als Fortis.

4.2 Haag Wonen heeft haar eis vermeerderd. Fortis heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt en de rechtbank acht de eiswijziging ook niet in strijd met de eisen van een goede procesorde, zodat zij recht zal doen op de gewijzigde eis.

4.3 Fortis heeft aangevoerd dat de dagvaarding nietig is, nu hierin niet duidelijk de grondslag van de eis wordt vermeld en daarbij bovendien niet alle relevante bescheiden zijn overgelegd. De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij. De rechtbank is van oordeel dat in de dagvaarding de eis en de gronden daarvan voldoende duidelijk worden weergegeven. Gezien het door Fortis gevoerde verweer was de grondslag van de vordering haar kennelijk ook voldoende duidelijk.

Beroep op vervalbeding in artikel 25.5 van de polisvoorwaarden

4.4 Fortis heeft voorts als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de vordering van Haag Wonen is vervallen. Gezien artikel 25.5 van de polisvoorwaarden had de schade gemeld moeten worden binnen drie jaar nadat Haag Wonen met de schade bekend is geworden. Nu de verzakkingen in de periode 1998-2001 plaats hebben gevonden en Haag Wonen in ieder geval begin januari 2000 bekend is geworden met de schade, is het recht van Haag Wonen op uitkering vervallen, aldus Fortis. Haag Wonen heeft dit gemotiveerd betwist, daartoe stellende dat zij pas eind 2000/begin 2001 bekend is geworden met de schade.

4.5 De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat Haag Wonen de schade op 24 januari 2003 (via Aon) aan Fortis heeft gemeld (zie hiervoor onder 2.9). Artikel 25.5 van de polisvoorwaarden bepaalt dat het recht op uitkering vervalt indien een schadegeval niet is aangemeld binnen drie jaar nadat verzekerde ermee bekend is geworden. Bepalend is derhalve niet het moment waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden, doch het moment waarop de verzekerde bekend is geworden met de schade. Dit betekent dat het recht van Fortis op uitkering onder de polis slechts is komen te vervallen, indien vast zou komen te staan dat Haag Wonen vóór 24 januari 2000 bekend is geworden met de schade. De rechtbank merkt hierbij ten overvloede op dat het op 1 januari 2006 in werking getreden nieuwe verzekeringsrecht (titel 17 van boek 7 van het BW) in casu niet van toepassing is nu de vervaltermijn reeds vóór de inwerkingtreding van dit nieuwe verzekeringsrecht is verstreken.

4.6 Ter onderbouwing van haar stelling dat Haag Wonen begin januari 2000 bekend is geworden met de schade heeft Fortis verwezen naar de rapporten van GAB Robins. In het rapport van 25 maart 2003 staat hieromtrent op pagina 12 vermeld: “In dit verband is nog van belang dat wij begrepen dat onderhavige problematiek al vóór 2000 door bewoners ter sprake was gebracht.” Daarnaast heeft Fortis verwezen naar een brief van een belangenbehartiger van de woonwagenbewoners aan Haag Wonen d.d. 19 maart 2002 (bijlage 4 bij het rapport van GAB Robins d.d. 25 maart 2003), waarin staat vermeld: “Cliënten huren van u achttien standplaatsen op voornoemde locatie. Al vanaf het eerste moment treden er verzakkingen van deze standplaatsen op. (…) cliënten hebben daarom – nadat zij de verzakkingen en schade hebben gemeld aan [de beheerder] – betaling van de huur voor de standplaatsen opgeschort.” Voorts heeft zij verwezen naar een brief van de belangenbehartiger van Haag Wonen aan Fortis d.d. 1 juni 2006 (productie 12 bij conclusie van antwoord), waarin staat vermeld: “De schade is ontstaan in de periode van medio 1998 tot medio 2003 en is veroorzaakt door verzakking van de bodem van de standplaatsen”.

4.7 Ter onderbouwing van haar stelling dat zij pas eind 2000/begin 2001 bekend is geworden met de schade heeft Haag Wonen verwezen naar een verslag van een overleg tussen de woonwagenbewoners en de gemeente Den Haag d.d. 13 oktober 2000 (productie 9 bij conclusie van repliek), waar onder punt 5 wordt vermeld: “[persoon 1] zal contact opnemen met [persoon 2] inzake het verzakken van schuurtjes. [persoon 1] zal dit met de bewoners regelen”. Zij stelt voorts dat dit punt pas later een zelfstandig agendapunt is geworden, hetgeen onder meer blijkt uit het verslag van een overleg tussen de woonwagenbewoners en de gemeente Den Haag d.d. 19 januari 2001 (productie 10 bij conclusie van repliek), waar als agendapunt 6 staat vermeld: “Problemen met schuren”.

4.8 De rechtbank is van oordeel dat Fortis, in het licht van de betwisting door Haag Wonen, haar stelling dat Haag Wonen begin januari 2000 bekend is geworden met de schade onvoldoende met feiten en omstandigheden heeft onderbouwd. De opmerking in het rapport van GAB waarnaar Fortis verwijst, is hiervoor te weinig concreet. Hieruit blijkt niet bij wie de bewoners de onderhavige problematiek ter sprake hebben gebracht. Evenmin blijkt hieruit welke concrete klachten er destijds zijn geuit. Ook de brieven waarnaar Fortis verwijst zijn te weinig concreet. Hieruit kan niet worden afgeleid wanneer de schade is gemeld aan [de beheerder] en wanneer Haag Wonen op de hoogte is gebracht van deze schade. Daar staat tegenover dat uit het verslag van 19 januari 2001 waarnaar Haag Wonen verwijst, kan worden afgeleid dat de klachten op dat moment kennelijk slechts betrekking hadden op schade aan schuurtjes. Het is niet aannemelijk dat deze klachten begin januari 2000, derhalve een jaar eerder, al dermate concreet waren dat als Haag Wonen daarvan destijds al op de hoogte is gesteld (hetgeen zij betwist), zij zich op basis daarvan had moeten realiseren dat zij mogelijk aansprakelijk gehouden zou kunnen worden voor deze schade en dat zij deze klachten mitsdien aan haar aansprakelijkheidsverzekeraar moest melden. Het behoeft van een verzekerde in beginsel ook niet verwacht te worden dat hij bij een eerste weinig concrete melding van schade direct zijn verzekeraar op de hoogte stelt. Een verzekerde dient enige tijd gegund te worden om onderzoek te doen naar de aard, omvang en oorzaak van de schade en tevens naar de aansprakelijkheidsvraag.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van Fortis op het vervalbeding opgenomen in artikel 25.5 van de polisvoorwaarden wordt verworpen.

Beroep op vervalbeding in artikel 27.5 van de polisvoorwaarden

4.9 Fortis heeft vervolgens aangevoerd dat de vordering van Haag Wonen ingevolge artikel 27.5 van de polisvoorwaarden is vervallen, nu Haag Wonen niet binnen één jaar nadat haar claim door Fortis is afgewezen hiertegen in verzet is gekomen. Bij brief van 26 mei 2003 heeft Fortis schriftelijk aan Haag Wonen medegedeeld dat uit hoofde van het schadevoorval geen uitkering zou worden gedaan, zodat de periode van één jaar op die datum een aanvang nam. Bij brieven van 1 december 2003, 16 april 2004 en 3 januari 2005 heeft Fortis Haag Wonen nogmaals medegedeeld dat de schade niet in behandeling wordt genomen. Aon is pas bij brief van 1 juni 2006 namens Haag Wonen in verzet gekomen, derhalve meer dan één jaar na de afwijzing, aldus Fortis. Haag Wonen heeft hiertegen aangevoerd dat het beroep van Fortis op het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, nu Fortis bij haar afwijzing niet heeft gewezen op dit vervalbeding.

4.10 De rechtbank overweegt als volgt. Met de brief van 26 mei 2003 (productie 5 bij conclusie van antwoord) heeft Fortis Haag Wonen laten weten dat zij van mening is dat de door Haag Wonen geclaimde schade niet onder de polisdekking valt. Hierop is een briefwisseling ontstaan tussen Fortis en Aon (als vertegenwoordigster van Haag Wonen). Deze briefwisseling is aan de zijde van Fortis afgesloten met haar brief aan Aon van 3 januari 2005 (productie 10 bij conclusie van antwoord), waarin Fortis laat weten haar eerder ingenomen standpunt te handhaven. Aon heeft hierop gereageerd bij brief van 11 januari 2005 (productie 11 bij conclusie van antwoord) aan Fortis. In deze brief staat – voor zover thans van belang – het volgende vermeld: “Met referte aan uw schrijven van 3 januari 2005 berichten wij u hierbij dat de toezending van de schaderekening van 7 december 2004 niet op een misverstand berust. Na uw schrijven van 26 mei 2003 zijn wij met (u) in discussie gegaan over de dekking. Nog steeds zijn wij van mening dat u in casu dekking dient te verlenen, doch het is thans aan verzekerde om al dan niet actie te ondernemen tegen uw definitieve afwijzing.” Namens Haag Wonen is vervolgens niet eerder dan bij brief van 1 juni 2006 (productie 12 bij conclusie van antwoord) nogmaals aanspraak gemaakt op betaling van de schade onder de polis.

4.11 Uit het voorgaande volgt dat tot de brief van Fortis van 3 januari 2005 tussen partijen is gediscussieerd over de vraag of er dekking bestond onder de verzekeringsovereenkomst. Voormelde brief van 3 januari 2005 bevatte een definitieve afwijzing en uit de brief van Aon d.d. 11 januari 2005 blijkt dat zij deze brief ook als zodanig heeft opgevat. Nu Aon Haag Wonen vertegenwoordigde dient dit bewustzijn van Aon aan Haag Wonen te worden toegerekend. Ingevolge artikel 27.5 van de polisvoorwaarden had Haag Wonen hiertegen binnen één jaar in verzet moeten komen. Vast staat dat zij dit pas bij brief van 1 juni 2006 heeft gedaan op welk moment meer dan één jaar was verstreken. Artikel 27.5 van de polisvoorwaarden bepaalt vervolgens dat de rechten van Haag Wonen in dat geval zijn vervallen. Na de invoering van het nieuwe verzekeringsrecht (titel 17 van boek 7 BW) op 1 januari 2006 is een dergelijk beding ex artikel 3:40 lid 2 BW vernietigbaar, echter krachtens artikel 79 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek kan een voor 1 januari 2006 overeengekomen vervalbeding niet krachtens het nieuwe verzekeringsrecht vernietigd worden. Het vervalbeding heeft dus na 1 januari 2006 zijn gelding behouden.

Uit het voorgaande volgt dat de rechten van Haag Wonen ter zake onderhavige schade in beginsel zijn vervallen.

4.12 Zoals hiervoor vermeld heeft Haag Wonen echter aangevoerd dat het beroep van Fortis op het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, nu Fortis bij haar afwijzing niet heeft gewezen op dit vervalbeding. Zij heeft in dit verband verwezen naar de arresten van de Hoge Raad d.d. 12 januari 1996, NJ 1996, 683 en d.d. 15 mei 2004, NJ 2006, 188. In deze arresten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een beroep op een in de verzekeringsvoorwaarden voorkomend beding waarin de termijn waarbinnen de begunstigde zijn recht geldend moet maken, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien de verzekeraar niet bij de afwijzing van de claim op niet mis te verstane wijze heeft medegedeeld dat hij een beroep op het vervallen van de aanspraak van de begunstigde zal doen indien de vordering niet binnen de genoemde termijn voor de bevoegde rechter aanhangig is gemaakt (onderstrepingen rb). Dit geldt volgens de Hoge Raad ook indien de verzekerde is bijgestaan door een advocaat of een rechtsbijstandsverzekeraar.

4.13 Tussen partijen is niet in geschil dat Fortis in geen van haar brieven aan Aon een mededeling met voormelde strekking heeft gedaan.

Fortis heeft echter aangevoerd dat onderhavige casus afwijkt van de casus in voormelde arresten, nu het in casu niet gaat om polisvoorwaarden die door de verzekeraar (Fortis) zijn opgesteld, doch om voorwaarden die zijn opgesteld door Aon (ten behoeve van Haag Wonen). Aon was mitsdien bekend met dit vervalbeding, welke wetenschap aan Haag Wonen dient te worden toegerekend. Bovendien werd Haag Wonen bij de indiening van de claim en de daarna ontstane dekkingsdiscussie bijgestaan door Aon. Fortis is van mening dat haar onder deze omstandigheden wel een beroep op het vervalbeding toekomt.

4.14 De rechtbank overweegt als volgt. Uit voornoemde arresten van de Hoge Raad lijkt te kunnen worden afgeleid dat onbekendheid van de verzekerde met het vervalbeding door de Hoge Raad niet van doorslaggevend belang wordt geacht voor het antwoord op de vraag of een beroep op dit beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In het tweede arrest ging het om een verzekerde die werd bijgestaan door een rechtsbijstandsverzekeraar en had de verzekeraar aangevoerd dat een professionele rechtsbijstandsverzekeraar geacht moet worden bekend te zijn met het voorkomen van vervalbedingen in standaardpolisvoorwaarden. Desondanks heeft de Hoge Raad het beroep op het vervalbeding in die zaak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geacht. Hierbij heeft de Hoge Raad kennelijk wel van doorslaggevend belang geacht dat de verzekeraar de verzekerde er niet op had gewezen dat te zijner tijd een beroep gedaan zal worden op dit vervalbeding. Voor het onderhavige geval betekent dit dat ook als aangenomen wordt dat Haag Wonen op de hoogte was van het vervalbeding, het beroep van Fortis op dit beding toch naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, aangezien Fortis Haag Wonen er bij de afwijzing van de claim niet op heeft gewezen dat zij te zijner tijd een beroep zou doen op dit beding.

Gezien het voorgaande verwerpt de rechtbank ook het beroep van Fortis op het vervalbeding opgenomen in artikel 27.5 van de polisvoorwaarden.

De verzekerde hoedanigheid

4.15 Fortis heeft voorts het verweer gevoerd dat het exploiteren van standplaatsen waarop zich roerende zaken bevinden, niet valt onder de verzekerde hoedanigheid van Haag Wonen, zoals omschreven in de activiteitenclausule. Slechts de exploitatie van onroerend goed, dat wil zeggen woningen en bedrijfspanden is gedekt. Het verhuren van standplaatsen voor woonwagens valt óók naar verkeersopvattingen niet onder de in de clausule omschreven verzekerde hoedanigheid. Het verhuren van woonwagenstandplaatsen is een geheel andere activiteit dan het exploiteren van onroerend goed, aldus Fortis. Ten tijde van het sluiten van de verzekeringsovereenkomst was Fortis er niet mee bekend en behoefde zij er redelijkerwijs ook niet mee bekend te zijn dat Haag Wonen het verhuren van woonwagenstandplaatsen tot haar activiteiten rekende. Met deze activiteiten zijn ook grotere en meer onvoorzienbare risico’s gemoeid dan met het exploiteren/in eigendom hebben van woningen, aldus nog steeds Fortis.

4.16 Haag Wonen heeft hiertegen aangevoerd dat haar activiteiten op de locatie, te weten het verhuren van standplaatsen (“grond”), vallen onder het begrip “exploiteren van onroerend goed” in de zin van de activiteitenclausule. Dit geldt temeer nu de activiteiten van Haag Wonen ruim zijn omschreven en niet meer dan een globale aanduiding van het karakter en de soort van het verzekerde bedrijf vormen. Inherent aan een dergelijke globale omschrijving is een ruime uitleg. Haag Wonen mocht er derhalve op vertrouwen dat al haar activiteiten als woningstichting onder de verzekeringsovereenkomst waren gedekt.

4.17 De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat enkel de aansprakelijkheid die voortvloeit uit activiteiten die vallen onder de verzekerde hoedanigheid van Haag Wonen, zoals omschreven in de activiteitenclausule, is gedekt onder de verzekeringsovereenkomst. Partijen twisten echter over de uitleg van de activiteitenclausule.

Bij de vaststelling van de wederzijdse rechten en plichten die voortvloeien uit een beding in een schriftelijke overeenkomst komt het aan op hetgeen partijen met dat beding hebben beoogd en, indien niet van een gemeenschappelijke bedoeling blijkt, wat een redelijke uitleg van het beding meebrengt. Daarbij moet worden gelet op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In dat kader kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Ook de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin het beding is gesteld in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, is bij de uitleg van dat beding van belang.

4.18 Haag Wonen heeft aangevoerd dat de bewoordingen van de activiteitenclausule duidelijk zijn. Zij heeft daartoe gesteld dat krachtens artikel 3:3 BW grond een onroerende zaak is, zodat het exploiteren van onroerend goed tevens inhoudt het exploiteren van grond. Deze stelling van Haag Wonen is op zichzelf juist. Zoals echter uit hetgeen hiervoor onder 4.17 is overwogen volgt, kan de vraag wat de wederzijdse rechten en plichten inhouden niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van het ter discussie staande beding in de schriftelijke overeenkomst. Nu onderhavige verzekeringsovereenkomst (een zogenaamde beurspolis) tot stand is gekomen tussen professionele, of althans professioneel vertegenwoordigde, partijen, komt het bij de uitleg tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden in beider professionele kring over en weer redelijkerwijs aan deze polis en voorwaarden mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De volgende omstandigheden en overwegingen acht de rechtbank in dit verband van belang.

a) De activiteitenclausule omvat een globale omschrijving van de activiteiten van Haag Wonen. Dit brengt in beginsel een ruime uitleg met zich. De verzekerde mag redelijkerwijs verwachten dat zijn aansprakelijkheid tegenover derden is gedekt, indien deze voortvloeit uit de verwezenlijking van gevaren verbonden aan alle activiteiten waarvan naar verkeersopvattingen kan worden gezegd dat de uitoefening respectievelijk het bezit daarvan past binnen de exploitatie van een bedrijf als omschreven in de polis. Gesteld noch gebleken is dat partijen over de bewuste clausule hebben onderhandeld, zodat aan de verkeersopvattingen bij de uitleg nog meer gewicht toekomt.

b) Haag Wonen is een woningcorporatie en het is een feit van algemene bekendheid dat een woningcorporatie zich richt op het bouwen, beheren en verhuren van (betaalbare) woningen. Een woonwagenstandplaats valt niet onder het begrip woning. Voor Haag Wonen was het verhuren, althans exploiteren van deze standplaatsen ook een nieuwe activiteit die zij pas sinds begin 1999 is gaan uitoefenen.

c) Tot 1 maart 1999, de datum waarop de Woonwagenwet is ingetrokken, was de verhuur van woonwagenstandplaatsen exclusief voorbehouden aan gemeentes. Na die datum werd het mogelijk dat deze activiteit door gemeentes werd overgedragen aan woningcorporaties. Dit betekende echter niet dat ook alle woningcorporaties zich daadwerkelijk met deze activiteit gingen bezig houden. Fortis heeft onbetwist gesteld dat het verhuren van standplaatsen ook na het intrekken van de Woonwagenwet op 1 maart 1999 slechts op beperkte schaal plaatsvindt door andere organisaties dan gemeentes.

d) Nu de verzekeringsovereenkomst op 1 juli 1999 is aangegaan, zijn beslissend de verkeersopvattingen die kort voor dat moment golden. Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist staat vast dat Fortis er op dat moment niet mee bekend was dat Haag Wonen het verhuren van woonwagenstandplaatsen tot haar activiteiten rekende. Gezien de hiervoor onder b) en c) vermelde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het ook niet van haar verwacht had behoeven te worden dat zij hiermee bekend was.

e) Fortis heeft voorts onbetwist gesteld dat naar de verkeersopvattingen die gelden in de assurantiebranche en naar de gebruiken en opvattingen op de verzekeringsbeurs het verhuren van standplaatsen voor woonwagens niet onder de in de activiteitenclausule beschreven activiteiten valt en dat dit bij Aon als zeer grote assurantietussenpersoon én beursmakelaar op de Nederlandse verzekeringsmarkt bekend was en is.

f) Tot slot heeft Fortis onbetwist gesteld dat met het verhuren van woonwagenstandplaatsen grotere en meer onvoorzienbare risico’s zijn gemoeid dan met het exploiteren/in eigendom hebben van woningen. Haag Wonen heeft evenmin betwist dat Fortis om die reden niet bereid was en is om dergelijke aansprakelijkheidsrisico’s in dekking te nemen.

4.19 Voorgaande omstandigheden en overwegingen in onderling verband bezien, brengen de rechtbank tot de conclusie dat Haag Wonen er niet op heeft mogen vertrouwen dat het exploiteren van standplaatsen waarop zich roerende zaken bevinden onder de verzekerde hoedanigheid, zoals omschreven in de activiteitenclausule, zou vallen. Indien zij mede de aansprakelijkheid die kan voortvloeien uit deze activiteit had willen meeverzekeren, had van haar verwacht mogen worden dat zij dit expliciet bij Fortis onder de aandacht had gebracht. Nu zij dit niet heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat deze activiteit niet onder de verzekerde hoedanigheid valt, waardoor de aansprakelijkheid die hieruit voortvloeit niet gedekt is onder de verzekeringsovereenkomst.

Slotsom

4.20 Gezien het voorgaande ligt de vordering van Haag Wonen voor afwijzing gereed en behoeven de overige stellingen van partijen geen bespreking meer. Haag Wonen zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De wettelijke rente over deze kosten zal worden toegewezen als gevorderd. De nakosten zullen voorwaardelijk worden toegewezen als hierna vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vorderingen van Haag Wonen;

veroordeelt Haag Wonen in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Fortis bepaald op € 4.735,- aan vast recht en op € 12.844,- aan salaris voor de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Haag Wonen, indien zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordeling voldoet, tot betaling van € 131,- aan nakosten, verhoogd met € 68,- aan betekeningskosten in het geval betekening van de executoriale titel plaatsvindt;

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is – bij vervroeging – gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans, mr. M. Fiege en mr. J.A. Dullaart.

Uitgesproken in het openbaar.

204/1694/1727