Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL4333

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
244632 / HA ZA 05-2368
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verzekeringsovereenkomsten; dekking; schade in verband met aansprakelijkheid wegens het omkopen van een werknemer van een contractuele wederpartij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 244632 / HA ZA 05-2368

Uitspraak: 13 januari 2010

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

1. de naamloze vennootschap SEATRADE GROUP N.V., gevestigd te Curaçao (Nederlandse Antillen),

2. de naamloze vennootschap SEATRADE REEFER CHARTERING N.V., gevestigd te Curaçao (Nederlandse Antillen),

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SEATRADE HOLDING B.V., gevestigd te Groningen,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SEATRADE GRONINGEN B.V., gevestigd te Groningen,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. A.J. van Steenderen,

- tegen -

1. de naamloze vennootschap FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V. (voorheen Interloyd Schadeverzekering Maatschappij N.V.),

gevestigd te Amstelveen,

2. de naamloze vennootschap SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ ERASMUS N.V. (voorheen A.C. Fraser & Co. Tulleners Van Buren/Moes & Caviet),

gevestigd te Rotterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AMSTERDAM HOLLAND ASSURADEUREN B.V., (als de gevolmachtigde van de private limited company EAGLE STAR REINSURANCE COMPANY LIMITED, een rechtspersoon naar Engels recht),

gevestigd te Amsterdam,

4. de naamloze vennootschap AVERO SCHADEVERZEKERING BENELUX N.V. (voorheen Sun Alliance Verzekering N.V.),

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

5. de naamloze vennootschap ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V., (h.o.d.n. Allianz Nederland Schadeverzekering) (voorheen de naamloze vennootschap Royal Nederland Schadeverzekering N.V.),

gevestigd te Rotterdam,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid O.W.J. SCHLENCKER ASSURADEUREN B.V., (volgens de verdeelbrief van 1 januari 1997 als de gevolmachtigde van de risicodragers: (i) Guardian Royal Exchange Assurance PLC (nr. 002); (ii) Royal Nederland Verzekering Maatschappij N.V. (nr. 004); (iii) Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Mij. N.V. (iv); Delta Lloyd Schadeverzekering N.V. (nr. 006); (v) Aegon Schadeverzekering N.V (nr. 009); (vi) Nieuwe Hollandse Lloyd Schadeverzekeringmij. N.V. (nr. 014); (vii) Eagle Star Reinsurance Company Ltd. (nr. 015); (viii) AGF Marine Aviation Transport (nr. 213); (ix) Stad Rotterdam Anno 1720 N.V. (nr. 231); (x) UAP-Nieuw Rotterdam Schade N.V. (nr. 242); Generali Schadeverzekeringsmaatschappij N.V. (nr. 243); (xi) AGF/de Schelde N.V. (nr. 245); Neuchatel Swiss General Insurance Company Limited (nr. 246); SIAT Sociata Italiana Assicurazione e Riassicurazioni SpA (nr. 247)),

gevestigd te Amsterdam,

7. de rechtspersoon naar Zwitsers recht ZURICH VERSICHERUNGS-GESELLSCHAFT, (h.o.d.n. Zurich Schade),

gevestigd te Zürich (Zwitserland),

8. de naamloze vennootschap GERLING SERVICE NEDERLAND N.V. (voor Gerling-Konzern Allgemeine VAG),

gevestigd te Amsterdam,

9. de naamloze vennootschap AIG EUROPE (NETHERLANDS) N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. B.S. Janssen.

Hierna worden eiseressen in conventie, verweersters in reconventie afzonderlijk ook aangeduid als respectievelijk Seatrade Group, Seatrade Reefer, Seatrade Holding en Seatrade Groningen; gezamenlijk worden zij - in enkelvoud - ook aangeduid als Seatrade. Ook het Seatrade-concern, waarvan Seatrade deel uitmaakt, zal in het kader van de hierna op te sommen vaststaande feiten eenvoudigheidshalve als Seatrade worden aangeduid. In een eventueel later stadium van de procedure zal zo nodig worden gedifferentieerd tussen de diverse rechtspersonen.

Gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie worden hierna gezamenlijk ook aangeduid als verzekeraars.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaardingen van 23 juni 2005, met producties;

- conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

- conclusie van repliek in conventie tevens akte houdende wijziging van eis ex artikel 130 Rv, alsmede conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

- conclusie van dupliek in conventie tevens houdende antwoordakte wijziging van eis ex artikel 130 Rv, tevens conclusie van repliek in reconventie, met producties;

- brieven van mr. A. Stendahl van 20 en 21 augustus 2009, met bijgevoegde stukken, aan de zijde van Seatrade;

- akte houdende uitlating dupliek in reconventie aan de zijde van Seatrade;

- akte houdende overlegging van producties van 3 september 2009, aan de zijde van Seatrade;

- de bij gelegenheid van de pleidooien overgelegde pleitnotities en akte wijziging van eis van mr. Stendahl aan de zijde van Seatrade en pleitnotities van mr. R. de Haan aan de zijde van verzekeraars.

2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast:

2.1 Seatrade Group, Seatrade Reefer, Seatrade Holding en Seatrade Groningen maken deel

uit van het Seatrade-concern. Seatrade is een logistieke dienstverlener. Zij verzorgt wereldwijd de verscheping met koelschepen van gekoelde of bevroren goederen, zoals groente en fruit. Seatrade heeft een aantal van de door haar in te zetten schepen in eigendom; de overige schepen behoren toe aan derden. Deze derden zijn verenigd in de zogenaamde Seatrade Pool.

2.2 Seatrade Groningen was (tot en met eind 1991) de pool manager en de technisch manager van Seatrade. Seatrade Groningen was een dochtervennootschap van Seatrade Holding. De bestuurders van Seatrade Groningen waren de heer [X] (hierna: [X]) en de heer [Y] (hierna: [Y]). Bij Seatrade Groningen was de heer [Z] (hierna: [Z]) in dienst als chartering manager.

2.3 Eind 1989 werd Seatrade benaderd door Fyffes Group Ltd (hierna: Fyffes). Fyffes was

op dat moment één van de grote wereldwijd opererende ondernemingen die activiteiten op het gebied van de bananenhandel ontplooide. Seatrade Groningen en Fyffes sloten een vervoers¬overeenkomst voor het verschepen van bananen vanuit landen in Midden-Amerika naar Europa voor het jaar 1990.

Met betrekking tot het jaar 1991 sloot Fyffes een vervoersovereenkomst met Reefer Express Lines (hierna: REL), een concurrent van Seatrade.

2.4 a. Begin oktober 1991 werd Seatrade opnieuw door Fyffes benaderd. Contactpersoon aan de zijde van Fyffes was de heer S. [shipping manager] (hierna: [shipping manager]), in dienst bij Fyffes als general manager marine operations. Hij nam op 1 oktober 1991 telefonisch contact op met [Z]. [shipping manager] informeerde bij [Z] of Seatrade belangstelling had voor het sluiten van een vervoersovereenkomst met Fyffes voor het verschepen van bananen vanuit Midden-Amerika voor het jaar 1992.

b. [Z] ontving op 2 oktober 1991 een faxbericht van [shipping manager] met daarin gegevens met betrekking tot de eventueel te sluiten vervoersovereenkomst.

c. Later die dag deelde [shipping manager] [Z] telefonisch mede dat door Seatrade een bedrag ter hoogte van 1,25% over de nog overeen te komen vrachtprijs (hierna ook: de commissie van 1,25%) diende te worden betaald op een nader op te geven bankrekening op Cyprus.

d. Op 3 oktober 1991 vond in het Edwardian International Hotel op Heathrow Airport in Londen een ontmoeting plaats tussen enerzijds [Z] en [X] namens Seatrade en anderzijds [shipping manager] namens Fyffes. Onderwerpen van gesprek waren de vrachtprijs en operationele aspecten van de te sluiten vervoersovereenkomst.

e. [Z] is op 2 of 3 oktober 1991 namens Seatrade akkoord gegaan met betaling van de commissie van 1,25%.

2.5 a. In het kader van de onderhandelingen tussen Seatrade en Fyffes heeft vervolgens op 8 oktober 1991 een bespreking plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren namens Fyffes [shipping manager] en de heer Hayward (in house accountant van Fyffes) en namens Seatrade [X] en [Z].

b. Op 4 november 1991 vond aan de hand van een daartoe opgestelde concept vervoersovereenkomst een bespreking plaats op het hoofdkantoor van Fyffes in Londen. Daarbij waren aanwezig [X] en [Z] namens Seatrade en onder meer twee bestuurders (de heer D. McCann en de heer Martin) van Fyffes.

2.6 Een handgeschreven notitie gedateerd 6 november 1991 van [Z] gericht aan [X] naar aanleiding van de bijeenkomst op 4 november 1991 bevat de volgende tekst:

"Je realiseert je toch dat er op het Fyffes contract 1.25% confi commissions zit.

(via Cyprus-"slush" fund)

Dit is in calculaties meegenomen.

Komt nergens schriftelijk naar voren.

Is mij op 2 oktober door SRT telefonisch medegedeeld"

2.7 Op 19 december 1991 sloten Seatrade en Fyffes een overeenkomst voor het vervoer van

bananen, genaamd "ECCA/Caribbean UK/Continent Service Agreement", door partijen aangeduid als: Contract of Affreightment (COA) (hierna: de vervoersovereenkomst).

De vervoersovereenkomst trad in werking per 1 januari 1992 en werd gesloten voor de duur van één jaar.

2.8 De vervoersovereenkomst is vanaf 1 januari 1993 telkens verlengd voor een periode van één jaar, tot en met 1996.

2.9 a. Gedurende de uitvoering van de vervoersovereenkomst over de jaren 1992 tot en met 1995 heeft Seatrade ingevolge de met [shipping manager] gemaakte afspraak en op telefonische instructie van [shipping manager] de commissie van 1,25% betaald op een bankrekening te Cyprus op naam van Daphne Business Corporation (hierna: Daphne). Seatrade ontving in dit verband op naam van Daphne gestelde facturen.

b. De afspraken met betrekking tot de te betalen commissie van 1,25% zijn tussen Fyffes en Seatrade niet schriftelijk vastgelegd en zijn in correspondentie tussen partijen nimmer genoemd, noch zijn zij ter sprake gekomen in enig overleg tussen partijen waarbij van de zijde van Fyffes één of meer anderen dan [shipping manager] aanwezig waren.

2.10 a. In januari 1996 vond te Southampton, Engeland een ontmoeting plaats tussen [shipping manager] en [X]. Kort nadien vond op het kantoor van Seatrade in Antwerpen een bespreking plaats tussen [shipping manager] enerzijds en [Y] en [X] anderzijds. Bij deze bespreking heeft [shipping manager] verzocht om de betaling door Seatrade van de commissie van 1,25% over de vracht niet langer te verrichten op de bankrekening van Daphne, maar op een bankrekening ten name van een eveneens op Cyprus gevestigde vennootschap, genaamd Paru Container Services Ltd (hierna: Paru).

b. In dezelfde periode verzocht [shipping manager] [X] om hem een lening te verstrekken van US$ 400.000,- in het kader van de afwikkeling van huwelijks/echtscheidings¬problematiek.

c. [X] heeft het verzoek van [shipping manager] met betrekking tot de lening van US$ 400.000,-- besproken met [Y]. [X] en [Y] waren bereid om de door [shipping manager] verzochte lening te verstrekken.

2.11 In totaal is door Seatrade in de periode 1992 tot en met 1996 ter zake van de commissie van 1,25% meer dan US$ 1.400.000,- betaald op de bankrekeningen van Daphne en Paru.

2.12 Op 17 maart 1997 heeft Seatrade een aantal verzekeringsovereenkomsten onder verschillende polisnummers afgesloten met één of meer van verzekeraars (hierna: de verzekeringsovereenkomsten):

- Polisnummer [Polisnummer 2]

Het polisblad vermeldt - onder meer - het volgende:

"(…)

Liability insurance

lst LAYER

(…)

Undersigned, hereafter called the insurers, insure through AON Hudig Insurance Brokers and Risk Consultants, as follows:

Policy holder

Seatrade Group NV

Insured

Seatrade Group N.V. and/or Scaldis Reefer Chartering N.V., Curacao and/or Associated and/or Subsidiary Companies and/of Affiliated Companies.

Amount insured

NLG 5.000.000,00 per occurrence.

(…)

Period of insurance

Inception date: 1 January 1997 at 00.00 hours

Expiry date: 1 January 1998 at 00.00 hours

with tacit renewal for periods of 12 months

(…)

Insurers

15% Interlloyd Schadeverzekering Maatschappij N.V.

15% A.C. Fraser & Co. / Tulleners Van Buren / Moest & Caviet

15% Eagle Star Reinsurance Company Limited

15% Sun Alliance Verzekering N.V.

10% Royal Nederland Schadeverzekering N.V.

10% Schlencker Assuradeuren B.V.

10% Zurich Verzekeringen

10% Gerling Service Nederland N.V. voor Gerling-Konzern Allgemeine VAG"

- Polisnummer [Polisnummer 1]

Het polisblad vermeldt - onder meer - het volgende:

"(…)

Liability insurance

2nd LAYER

(…)

Undersigned, hereafter called the insurers, insure through AON Hudig Insurance Brokers and Risk Consultants, as follows:

Policy holder

Seatrade Group NV

Insured

Seatrade Group N.V. and/or Scaldis Reefer Chartering N.V., Curacao and/or Associated and/or Subsidiary Companies and/of Affiliated Companies.

Amount insured

NLG 25.000.000,00 per occurrence as excess of NLG 5,000,000,00 insured under policy no. [Polisnummer 2].

(…)

Period of insurance

Inception date: 1 January 1997 at 00.00 hours

Expiry date: 1 January 1998 at 00.00 hours

with tacit renewal for periods of 12 months

(…)

Insurers

100% AIG Europe (Netherlands) N.V."

- Polisnummer [Polisnummer 3]

Het polisblad vermeldt - onder meer - het volgende:

"(…)

Liability insurance

1st LAYER

(…)

Undersigned, hereafter called the insurers, insure through AON Hudig Insurance Brokers and Risk Consultants, as follows:

Policy holder

Seatrade Holding NV

Insured

Seatrade Holding BV and/or Seatrade Groningen BV and/or Associated and/or Subsidiary Companies and/or Affiliated Companies.

Amount insured

NLG 5.000.000,00 per occurrence.

(…)

Period of insurance

Inception date: 1 January 1997 at 00.00 hours

Expiry date: 1 January 1998 at 00.00 hours

with tacit renewal for periods of 12 months

(…)

Insurers

15% Interlloyd Schadeverzekering Maatschappij N.V.

15% A.C. Fraser & Co. / Tulleners Van Buren / Moest & Caviet

15% Eagle Star Reinsurance Company Limited

15% Sun Alliance Verzekering N.V.

10% Royal Nederland Schadeverzekering N.V.

10% Schlencker Assuradeuren B.V.

10% Zurich Verzekeringen

10% Gerling Service Nederland N.V. voor Gerling-Konzern Allgemeine VAG"

- Polisnummer [Polisnummer 4]

Het polisblad vermeldt - onder meer - het volgende:

"(…)

Liability insurance

2nd LAYER

(…)

Undersigned, hereafter called the insurers, insure through AON Hudig Insurance Brokers and Risk Consultants, as follows:

Policy holder

Seatrade Holding NV

Insured

Seatrade Holding BV and/or Seatrade Groningen BV and/or Associated and/or Subsidiary Companies and/or Affiliated Companies.

Amount insured

NLG 25,000,000.00 per occurrence as excess of NLG 5,000,000.00 insured under policy no. [Polisnummer 3].

(…)

Period of insurance

Inception date: 1 January 1997 at 00.00 hours

Expiry date: 1 January 1998 at 00.00 hours

with tacit renewal for periods of 12 months

(…)

Insurers

100% AIG Europe (Netherlands) N.V.”

2.13 De verzekeringsovereenkomsten zijn afgesloten op de Rotterdamse Assurantiebeurs. Seatrade werd hierbij vertegenwoordigd door beursmakelaar AON Hudig Nederland Insurance Brokers Risk Consultants (hierna: AON). De verzekeringsovereenkomsten zijn opgesteld door AON.

2.14 Op de verzekeringsovereenkomsten zijn onder meer van toepassing de beurspolis¬voorwaarden, genaamd TA950-02 Professional Liability Transport Sector (hierna: de TA950-02). De TA950-02 bepalen - onder meer - het volgende:

"(…)

1.4 Gebeurtenis

Een gebeurtenis is een voorval of een reeks met elkaar verband houdende voorvallen ten gevolge waarvan schade (als door de verzekering gedekt) is ontstaan.

(…)

10 Toepasselijk recht

Deze verzekeringsovereenkomst wordt beheerst door Nederlands recht en de in de Nederlandse verzekeringspraktijk geldende usances.

(…)

12 Geschillen

Behoudens de wettelijke regels inzake de relatieve bevoegdheid van de kantonrechter en die terzake van hogere voorziening, zullen alle geschillen betreffende deze overeenkomst onderworpen zijn aan de uitspraak van de bevoegde rechter in de plaats van afgifte van de polis.

BIJZONDERE VOORWAARDEN

13 Verzekerden

13.1 Verzekerden zijn:

13.1.1 De verzekeringnemer en eventueel andere als verzekerde opgenomen rechtspersonen;

13.1.2 ondergeschikten van de verzekerden genoemd onder art. 13.1.1, alsmede andere niet

zelfstandig een bedrijf uitoefenende personen voor wie die verzekerden aansprakelijk zijn,

indien en voor zover het werkzaamheden betreft die zij voor die verzekerden hebben

verricht;

13.1.3 onder de verzekerden genoemd onder art. 13.1.1 zijn tevens te verstaan de vennoten,

firmanten en commissarissen.

13.2 De verzekerden worden onderling en ten opzichte van elkaar als derden beschouwd.

14 Dekking

14.1 Omvang dekking

Deze verzekering dekt het financieel nadeel van verzekerde, dat bestaat uit aan derden te

verlenen vergoeding van vermogensschade of ander nadeel, waarvoor hij wordt

aangesproken op grond van bepalingen van burgerlijk recht of op grond van

overeenkomsten, welke verband houden met zijn in de polis omschreven activiteiten.

14.2 Wijziging van activiteiten

De premie en voorwaarden gelden voor de activiteiten van verzekerde(n), zoals in de polis

vermeld. Indien deze activiteiten in belangrijke mate worden gewijzigd, zijn partijen

bevoegd een verandering van premie of voorwaarden aan de orde te stellen.

Verzekeringnemer zal verzekeraars binnen redelijke termijn van deze wijziging op de

hoogte stellen; de dekking blijft echter onverminderd van kracht.

14.3 Inloop/uitloop

De dekking strekt zich uit tot aanspraken tot vergoeding van schade die

- zich voordoet tijdens de looptijd van de verzekering;

- zich voordoet na de looptijd van de verzekering, mits deze schade is veroorzaakt

tijdens de looptijd van de verzekering.

14.4 Schade door materieel, errors & omissions en zaken van derden

Wellicht ten overvloede wordt hiermede vastgelegd dat onder deze verzekering

door verzekeraars tevens zal worden vergoed het financieel nadeel dat voor verzekerde

ontstaat als gevolg van: (...)

14.4.2 handelingen, beslissingen of nalatigheden van verzekerde of van personen (werkzaam

op kantoor of anderszins) voor wie verzekerde (wettelijk of contractueel) aansprakelijk is;(…)

15 Uitsluitingen

15.1 Opzet

Niet gedekt is het financieel nadeel van verzekerde dat bestaat uit aan derden te betalen

vergoeding van schade die voor de aangesproken verzekerde het beoogde of zekere gevolg

is van zijn handelen of nalaten, of die is veroorzaakt met zijn uitdrukkelijk goedvinden

(hierna te noemen opzet). Verzekeraars zullen overigens geen beroep doen op eigen schuld

van verzekerde in de zin van art. 276 WvK.

Bij rechtspersonen wordt slechts de opzet van de bestuurder in de zin van boek 2,

Burgerlijk Wetboek (BW), uitgesloten. (…)

16 Schade

16.1 Schademelding

16.1.1 Zodra een gebeurtenis heeft plaatsgevonden op grond waarvan verzekerde tot

schadevergoeding, verhaalbaar krachtens deze verzekering, gehouden zou kunnen zijn, of

zodra een vordering daartoe bij hem is ingediend, is verzekerde verplicht het schadegeval

door tussenkomst van de verzekeringnemer met bekwame spoed te melden bij Aon.

Deze verplichting vervalt wanneer het bedrag van de schadevergoeding beneden het in de

polis vermelde eigen risico blijft, alsook wanneer verzekerde besluit de schade voor eigen

rekening te nemen.

16.1.2 Verzekerde is verplicht alle op het schadegeval betrekking hebbende bescheiden terstond

aan Aon te zenden en zich te onthouden van iedere toezegging, verklaring of handeling

waaruit erkenning van een verplichting tot schadevergoeding afgeleid zou kunnen worden.

16.1.3 Verzekerde is verplicht, gevraagd of ongevraagd, alle inlichtingen te geven die van belang

kunnen zijn voor de beoordeling van zijn aansprakelijkheid.

16.1.4 Indien een schadegeval niet is aangemeld binnen drie maanden nadat verzekerde ermee

bekend is geworden dan wel indien verzekerde de hem in art. 16.1.2 en 16.1.3 opgelegde

verplichtingen niet nakomt, is verzekerde tegenover verzekeraars aansprakelijk

voor de schade die zij tengevolge daarvan lijden; het recht van verzekerde op uitkering

wordt hierdoor niet aangetast (…)

16.2 Schadebehandeling

16.2.1 Door verzekeraars zal worden beslist omtrent de vaststelling van de schade, het al dan niet onderhandelen over respectievelijk treffen van een minnelijke regeling, de eventuele verdediging van verzekerde in verband met een tegen hem ingestelde strafvervolging, het voeren van verweer tegen of het voldoen aan een aanspraak tot schadevergoeding, het berusten in een uitspraak van een rechtbank of andere bevoegde instantie.

16.2.2 Indien een aanspraak tot schadevergoeding het verzekerd bedrag overtreft zullen de beslissingen bedoeld in artikel 16.2.1 alsmede die terzake van de kosten van verweer en proceskosten in onderling overleg tussen verzekeraars en verzekerde worden genomen.

16.3 Schadevergoeding

16.3.1 Het bedrag van de schadevergoeding die verzekerde gehouden is aan derden te geven

krachtens rechterlijke uitspraak, arbitrale beslissing of minnelijke regeling tot stand

gekomen overeenkomstig art. 16.2 wordt, na aftrek van het eventueel geldend eigen risico,

tot ten hoogste het verzekerd bedrag voor alle verzekerden tezamen door verzekeraars

vergoed; één en ander ongeacht of het bedrag van de schadevergoeding hoger of lager is

dan het aanvankelijk van verzekerde gevorderde bedrag.

16.3.2 Verzekeraars zullen, ook indien de hierna te noemen rente en kosten tezamen met het

bedrag van de schadevergoeding het verzekerd mochten overtreffen, tevens

vergoeden:

16.3.2.1 de wettelijke rente, voor zover deze loopt over het ten laste van verzekeraars komende

gedeelte van de hoofdsom;

16.3.2.2 de overeenkomstig art. 16.2 gemaakte kosten van verweer tegen aanspraken van

derden, ook al blijken deze ongegrond, met inbegrip van de proceskosten, tot betaling

waarvan verzekerde mocht worden veroordeeld;

16.3.2.3 de overeenkomstig art. 16.2 gemaakte kosten van rechtsbijstand in verband met

een tegen verzekerde ingestelde strafvervolging.

16.3.3 Het eventueel geldende eigen risico is niet van toepassing op de kosten als bedoeld

in art. 16.3.2.2 en 16.3.2.3.

16.3.4 Wanneer vergoeding van een schade (of een deel ervan) schriftelijk door of namens

verzekeraars wordt afgewezen, kan verzekerde daartegen binnen één jaar,

te rekenen vanaf de datum van de afwijzing, schriftelijk in verzet komen. Maakt

verzekerde van de mogelijkheid tot verzet geen of geen tijdig gebruik, dan komen

zijn rechten terzake van het betrokken schadegeval te vervallen."

2.15 Op de verzekeringsovereenkomsten zijn voorts van toepassing "Supplementary insurance conditions".

Artikel 2 van de Supplementary Insurance Conditions, waarin de inloop/uitloop is opgenomen, luidt als volgt:

"(…)

2 Liability after expiration insurance

In contrary to what is mentioned on art. 14.3. of the Special Conditions cover is given in respect

of:

- claims made against the insured during the period of insurance;

- claims made against the insured after the period of insurance in so far as these claims arise

from circumstances of which the insured first becomes aware during the period of insurance and which can reasonably cause him to expect a claim.

(…)"

2.16 In elk van de verzekeringsovereenkomsten is, voor het geval er discrepantie bestaat in de tekst van de daarop van toepassing verklaarde voorwaarden, de volgende bepaling opgenomen:

"In case of contradictions in the text of conditions that have been declared applicable to this policy, the following rules of priority prevail:

- clauses take precedence over insurance conditions;

- supplementary insurance conditions take precedence over the insurance conditions and clauses."

2.17 De verzekeringsovereenkomsten zijn steeds jaarlijks geprolongeerd tot 1 januari 2001.

2.18 Op 15 november 1996 is [shipping manager] in Amerika verhoord door de 'United States Internal Revenue Service' (hierna: IRS), aangaande de verdenking dat hij over inkomsten in aanvulling op zijn salaris van Fyffes geen belastingaangifte zou hebben gedaan.

2.19 Op 26 maart 1997 ontving Seatrade een schriftelijk verzoek van de IRS tot het verstrekken van informatie over de betalingen van de commissie van 1,25% op de bankrekening ten name van Daphne in Cyprus.

Het verzoek van de IRS bevatte - onder meer - de volgende inhoud:

"As you indicated during our conversation, it is common practice for shipping companies such als Scaldis to pay rebates or commissions to clients such as FYFFES. (…) It is our understanding that SIMON TEMPLEMAN was the recipient of these rebates or commissions. Furthermore, the DAPHNE BUSINESS CORPORATION of Cypress appears to have been a conduit for many of these payments (…)

Therefore, in furtherance of this official investigation, it is requested that you provide detailed records of the following:(…)

5. Details of how, to whom and by what means the rebates and commissions generated by doing business with FYFFES were made; and the identity of the FYFFES employee(s) who took part in providing these instructions.

(…)"

Ook Fyffes werd in maart 1997 door de IRS verzocht om informatie te verstrekken over de betalingen aan Daphne.

2.20 Op 18 april 1997 hebben [X] en [Z] op verzoek van Fyffes het

hoofdkantoor van Fyffes in Dublin bezocht. Bij die gelegenheid heeft Fyffes Seatrade aansprakelijk gesteld ter zake van het betalen van steekpenningen aan [shipping manager] in het kader van de contractuele verhouding tussen Seatrade en Fyffes.

2.21 Seatrade bericht bij faxbericht van 28 april 1997 van haar medewerker [A] (General Manager, Scaldis Reefer Chartering, Antwerp Branch office) aan de IRS het volgende:

“(…) Referring to your letter 26th of March, ref.no db 911 (…) hereby sending you information’s as available. (...)

(…) should you require additional information may I suggest that you contact our Managing Director Mr. [Managing Director] at our head office in Curacao (…)

To clarify the background the contract between Seatrade Group N.V. Willemstad, Curacao and Fyffes Group Limited, London England was concluded 19" December 1991.

At that time the organization of Seatrade Groningen, Holland represented Seatrade Group N.V. and the Fyffes was represented by their shipping manager Mr. [shipping[shipping manager]. (…)

During the negotiation of the contract it was made clear by Mr. [shipping[shipping manager] that Fyffes demanded an address commission (…)

This commission was to be paid to Daphne Business Corporation and has as such been properly invoiced for each vessel under the aforementioned contract.

The business has been conducted during the years 1992-1995 under this agreement and during this period with Mr. [shipping manager] as the sole commercial contact within Fyffes.

Please find enclosed a summary of the commission review covering 1992, 1993, 1994 and 1995.

Trust this will assist you in your investigation.

Sincerely (…)”

2.22 Op 28 april 1997 schrijft de IRS in een brief aan (medewerker [Managing Director] van) Seatrade:

"It is our understanding that, starting 1992, rebates were issued by your company as a result of doing business with FYFFES. The rebates were intended for FYFFES and were sent to Daphne Business Corporation, Cyprus, per Mr [shipping manager] instructions. Mr [A] of your organization has provided basic information regarding rebates/commissions paid for the years 1992-1995 totaling "1.294,704". It is not clear whether the payments are U.S. dollars or another currency."

2.23 Op 14 mei 1997 schrijft de IRS in een brief aan Seatrade:

“Dear Mr. Larsson,

I am in receipt of the information you FAXED to my attention on April 28, 1997. In that

correspondence you suggested that I contact Mr. [Managing Director] at your head office in

Curacao, The Netherlands Antilles, if I were in need of additional information.

Attached is a copy of correspondence I FAXED to Mr. Nederlof on April 28, 1997.

However, I have received neither a reply nor an acknowledgement from Mr Nederlof.

I trust that you can assist me in obtaining the specific information I seek for this official

investigation of Mr. [shipping manager] by this Department.(…)”

2.24 Seatrade bericht bij brief van 26 mei 1997 van haar medewerker [A] aan de IRS het volgende bericht:

“Reference is made to yours dd 14 th May.

(…) we consider that we already have supplied you with the information relevant to your investigation of mr. [shipping manager], on 28th April.

You will however also realise that our company is operating in a highly competitive market and as such we are somewhat hesitant to supply information without knowing your entitlement to that information.”

2.25 Op 26 maart 1998 heeft Fyffes (samen met twee andere eisers) bij de Queen's Bench Division (Commercial Court) in the High Court of Justice in Londen een procedure aanhangig gemaakt tegen [shipping manager], Seatrade Holding, Seatrade Groningen, Seatrade Group, [X], [Y] en [Z]. (De betrokkenen aan de zijde van) Seatrade werd(en) in de procedure bijgestaan door de Engelse solicitor Reina May.

Fyffes heeft haar vordering in die procedure gegrond op de stelling dat [shipping manager] in de periode van 1992 tot 1996 voor een bedrag van meer dan US$ 1.400.000,- aan steekpenningen heeft ontvangen van of met medeweten van de gedaagde vennootschappen van Seatrade, [X], [Y] en [Z]. Laatstgenoemden hebben in de procedure gezamenlijk verweer gevoerd. Daarbij hebben zij het standpunt ingenomen dat geen onderscheid diende te worden gemaakt tussen 'the defendant companies'. Om die reden zijn zij in het Engelse vonnis gezamenlijk aangeduid als 'Seatrade'.

Fyffes heeft gevorderd dat de gedaagden hoofdelijk tot betaling van schadevergoeding zouden worden veroordeeld.

2.26 De verzekeringsadviseur/makelaar van Seatrade, PandiMar Insurance Services Rotterdam, heeft aan Seatrade een memo gedateerd 22 juni 1998 toegezonden, met - onder meer - de volgende inhoud:

"(…)

Onderwerp: Fyffes vs. Seatrade

De belangrijkste punten van onze bespreking met Reina May vat ik als volgt samen:

Inzake de defence dekking zijn er twee voorbehouden: Ten eerste betreft het een claim uit

1991. In dat jaar was u via Dutch P. & I. verzekerd. Ten tweede wordt door Fyffes fraude ten laste gelegd. Indien Fyffes in het gelijk wordt gesteld, ontstaat er onmiddellijk een dekkingsprobleem.

(…)"

2.27 Bij faxbericht d.d. 18 december 1998 heeft AON namens Seatrade aan verzekeraars (AIG Europe) - onder meer - bericht:

"(…),

Per 1 januari a.s. komen er drie excess polissen voor.

De klant heeft ons om een kleine premiekorting verzocht.

Er zijn geen betaalde of hangende schaden.

(…)"

2.28 AON heeft in april 2000 namens Seatrade door middel van een aantal schadekennisgevingen / 'notifications of claim' aan verzekeraar(s) melding gedaan van de claim van Fyffes.

De schadekennisgevingen / notifications of claim vermelden - onder meer - het volgende:

- "(…) SCHADEKENNISGEVING NR. [1]

(…)

Polisnr [Polisnummer 3]/0

(…) Dutch P&I wil deze zaak graag z.s.m. met de bovenstaande bespreken (…)”

- "(…) SCHADEKENNISGEVING NR. [2]

(…)Polisnr [Polisnummer 2]/0

(…) Dutch P&I wil deze zaak graag z.s.m. met de bovenstaande bespreken (…)"

- "(…) NOTIFICATION OF CLAIM NO. [3]

(…)

Policy no [Polisnummer 1]/0

(…) Claim will be discussed between Leaders 1st Layer and Dutch P&I (…)”

- "(…) NOTIFICATION OF CLAIM NO. [4]

(…) Policy no [Polisnummer 4]/0

(…) Claim will be discussed between leaders 1st Layer (…)’

2.29 Op 22 mei 2000 heeft de High Court of Justice vonnis gewezen. De aansprakelijk¬heidsvraag werd in het voordeel van Fyffes beantwoord.

In het vonnis heeft de Engelse rechter onder meer het volgende overwogen:

"(…)

The commission payments

Mr [shipping manager] and Mr [Z] agreed that in a telephone conversation in late 1991 or early 1992 Mr [shipping manager] told Mr [Z] that the 1.25% commission was to be paid to Daphne Business Corporation's bank account in Cyprus. Invoices from Daphne to Seatrade were in standard form, showing a PO box, telephone, fax and bank account numbers, all in Limassol. They identified a voyage, the lump sum freight and the commission due at 1.25%. They were undated and there was no covering letter.

(…)

The Seatrade defendants' understanding of the payments

The central issue on liability is stark. Fyffes say that Mr [Z], Mr [X] and Mr [Y] knew all along that the payments were for Mr [shipping manager] personally. The defendants say that they believed at all times that the payments were not for him personally but were for the furtherance of Fyffes’ business in the Caribbean.

The allegation made by Fyffes is grave and requires correspondingly cogent proof.

(…)

In considering where the truth lies, I take as a starting point the question of the apparent normality or abnormality of Mr [shipping manager]'s request to Seatrade for the payment of commission.

The position taken by the Seatrade defendants in their points of defence was that Mr [shipping manager]'s request on behalf of Fyffes for payment of commission was not unusual.

There is certainly nothing unusual about a shipowner and ship charterer agreeing that the charterer should receive whats leadingly termed "address commission", but is in reality a discount or rebate on the hire. It is also not uncommon for such "commission" to be paid to a nominee of the charterer. However the practice may have arisen, its existence was acknowledged by the experts on both sides and is recognised by textbook writers, including Harvey Williams, who comments in his

book on Documents, 4th ed. 1999, at p. 94:

Address commission is not really commission at all, but rather a discount on the hire, usually made payable to a nominee of charterer for primary fiscal reasons.

The effectiveness of such arrangements if contrived purely for the avoidance of tax may be doubtful, but I am not concerned with that question. I am concerned only with what the Seatrade defendants understood the position to be.

Mr [shipping manager]'s request presented some unusual features. These were highlighted in a request for further information, made by Fyffes pursuant to CPR Pt 18, in which they asked:

Have the second to seventh defendants or any of them, at any time, paid address commissions to charterers or to third parties in circumstances where:

(a) no reference was made to that address commission in the contractual documentation relating to the particular transaction; and

(b) the address commission was paid to offshore account/s with no apparent connection to the contracting party/parties?

In reply, Seatrade stated through an affidavit sworn by their solicitor on 30 November 1999:

The answer to the question posed in the claimants' request under CPR 18 is to the affirmative. However, the defendants object to wholesale disclosure of these documents on two grounds. First, most are irrelevant, for the reasons stated in the defendants' expert report: they are contracts negotiated against a background of far ranging variations in market rates, product destination, risk and flexibility. The Service Agreement was for the same reasons, unique. Second, the documents requested here refer to commercially sensitive material of which disclosure would automatically breach client confidentiality on the part of Seatrade.

On 1 December 1999 Colman J ordered that Seatrade disclose all documentation evidencing each and every payment, during the period from 1991 to October 1995, of address commission to charterers or to third parties in circumstances where no reference was made to that address commission in the contractual documentation relating to the particular transaction and the address commission was paid to an offshore account with no apparent connection with the contracting party or parties.

No such documents were produced and the defendants were unable to cite any incidents of payment to any other party in the circumstances identified in Fyffes' request. The evidence for the defendants at the trial was that they had been mistaken in thinking that there were other examples.

An agreement to pay address commission would ordinarily be documented in some way between the parties. An arrangement, intended not to be documented or subsequently mentioned, by which commission was to be paid to an off shore company lacking apparent connection to the charterer, was not an ordinary arrangement. As the trial progressed, this was acknowledged by Seatrade. For example, when Mr [Z] was asked (day 6, page 135) why in October 1991, in response to a fax from Mr [shipping manager] proposing a reduction in freight rate to $2.75, he did not make the point that Seatrade had agreed to pay address commission, he said:

If it would have been a true address commission, I would have certainly made that statement.

In Seatrade's closing written submissions it was accepted that "On Seatrade's case, it was no ordinary address commission because of its special features". (This was in answer to Fyffes’ point that the napkin note made by Mr [Z] at the Edwardian International Hotel meeting referred to "special rebate", rather than address commission, Seatrade's submission being that "special rebate" was an adequate way of describing the arrangement.)

Given that Mr [shipping manager]'s proposal to Mr [Z] had such unusual features, as Mr [Z] must have appreciated, I have to consider the plausibility of Mr [Z]'s evidence that he was taken in by the explanation which it is common ground that Mr [shipping manager] put forward when introducing his request, the effect of which (whatever the precise words used) was that the commissions were to go to a slush fund for the promotion of Fyffes’ interests in Central America.

In considering that question I am conscious of the need to guard against the risk of being influenced by the knowledge that the commissions in fact went to Mr [shipping manager] personally. However, I find it extremely difficult to believe that the thought never entered Mr [Z]'s mind that the money might be intended for Mr [shipping manager]. Mr [Z] came across in his evidence as shrewd, quick, worldly and intelligent. Was he gullible on this occasion? It seems to me overwhelmingly probable that Mr [Z] would have had immediate suspicions and would have asked Mr [shipping manager] if the money was really for him, as Mr [shipping manager] says happened. I also consider it natural and highly probable that Mr [Z] would have asked if Mr [shipping manager] was receiving commission from REL, as Mr [shipping manager] claimed and Mr [Z] denied.

Mr [Z] accepted (day 6, page 89) that Mr [shipping manager]'s request was something which he would have needed to discuss with Mr [X] and Mr [Y] and that he probably did so, but went on to say (page 91) that so far as he recollected he agreed to Mr [shipping manager]'s request as soon as he mentioned it. He later said (day 7, page 17) that his recollection was that he discussed it with Mr [X], but he could not remember when, where or how.

Mr [X]'s evidence was that he had no recollection of the subject being mentioned either before or at the meeting on 3 October 1991 at the Edwardian International Hotel. I believe that he must have been aware of it for two reasons. First, it is overwhelmingly probable that Mr [Z] would have mentioned it to him, for I do not believe that Mr [Z] would have agreed to pay a confidential offshore commission without telling Mr [X] what was going on. Secondly, if the words on the napkin "special rebate" are a reference to commission, the matter must have been mentioned during the meeting at the Edwardian Hotel when Mr [shipping manager] was negotiating with Mr [Z] and Mr [X] over the freight rate. "Special rebate" was not a natural way to describe address commission, as was accepted by Mr [Z] (day 6, page 109) and Mr [X] (day 8, page 62). They suggested the possibility that the words might have some other meaning altogether, but they were not able to suggest a credible alternative, and I conclude that "special rebate" must have been intended to refer to the commission arrangement.

Mr [X] has played a major part in building up a successful business and, like Mr [Z], came across as mentally agile and worldly wise. I do not find credible the idea that both he and Mr [Z] accepted without suspicion that the unusual commission requested by Mr [shipping manager] was to be to the benefit of Fyffes, as is Seatrade's case - and necessarily so, for, if they had in any way suspected otherwise, honesty would have compelled them to make further enquiries.

I do not regard Mr [shipping manager]'s remark that his heart would have been in his mouth, or out of it, if he had heard mention of the subject of commission at the meeting on 4 November 1991, as an unguarded admission that he had deceived Seatrade, for it would have been natural human reaction for his guilt alone to make him feel nervous. I regard as much more significant Mr [Z]'s note to Mr [X] after that meeting referring to confidential commission, the absence of any reference to the arrangement in the negotiations after 3 October 1991 and the secrecy about the

arrangement in Seatrade's internal documentation.

The events of 1996 make sense, and make sense only, if Seatrade already knew the true nature of the payments. Mr [shipping manager]'s disclosure of his marital difficulties, his request for the commission payments to be changed from Daphne to Paru, his request for a loan of up to $400,000 to buy a divorce settlement and Seatrade's agreement to make such a loan are readily explicable on that basis. If Suzanne blew the whistle on him, the potential consequences not only for Mr [shipping manager] but also for Seatrade were serious. If, however, Mr [shipping manager] had been deceiving Seatrade, he would hardly have told Mr [X] in the same conversation about his matrimonial difficulties, about his being blackmailed by Suzanne and about his wish to change the commission payments from Daphne to Paru. The suggestion that this was all a deliberate ploy by Mr [shipping manager] somehow falsely to implicate Seatrade seems to me far-fetched and does not in any event account for Mr [X]'s and Mr [Y]' s agreement to the proposed loan. Mr [X] said in his evidence (day 8, page 139) that he never suspected in 1996 that there might be any connection between the change of commission instructions, the breakdown of Mr [shipping manager]'s marriage and the request for a loan. He added:

It was later on, when the IRS had called and explained what they were after, that we thought maybe we have been very naïve by not putting things together at the time.

I did not find that evidence credible. Nor do I believe that Mr Overklift and Mr [Y] were willing to lend Mr [shipping manager] $400,000 because he was a nice man down on his luck for the sake of his past friendship with Mr [Y] and Mr [Z]. Mr. [X] and Mr [Y] did not come across as either soft headed or soft hearted, and their evidence on this subject was unconvincing and implausible.

When questions began to be asked by the IRS and Fyffes in 1997, I am satisfied that a decision was made by Seatrade to keep silent about the Paru payments, a decision which must have been taken at the highest level. Seatrade's internal documents show that they calculated the amount of the payments made to Daphne and to Paru, but their answers to the IRS's questions were misleading because they chose to confine the information they gave to the Daphne payments about which the IRS already knew. I accept that at the meeting in Dublin on 18 April 1997 Mr [X] referred to commission payments of around $1.2 million (as recorded in Mr Carl McCann's note), which similarly did not include the Paru payments, and I think that it is improbable that this was accidental or that Mr [X] did not know the amount involved. I conclude that Mr [X] recognised that the Paru payments and the circumstances of the change from Daphne to Paru were incriminating and hoped that neither Fyffes nor IRS would learn about them.

In his closing submissions Mr Jones referred to Mr [X]'s evidence about realising in 1997 that he had possibly been naïve in 1996, and he suggested that this might have been the reason for Seatrade's decision not to come out into the open about Paru in 1997. But that was not an explanation advanced by Mr [X] himself. Rather, he tried to distance himself from the correspondence with the IRS by saying that it was handled by Seatrade's claims department and he denied any intention to withhold information from Fyffes.

Mr Jones argued that quantum was highly relevant to liability, because if the terms of the service agreement were reasonable, that made it less likely that Seatrade would be prepared to pay a bribe. I do not regard that argument as compelling for this reason. On any showing, Seatrade agreed to pay 1.25% commission before they knew what the final terms of any agreement with Fyffes would be. If they knew that Mr [shipping manager] was receiving personal commission from REL and they believed that he was in a position to influence Fyffes' choice of contracting partner, they had a motive to offer the same as REL.

Various other arguments were advanced on both sides about liability which I have considered but to which I have not referred. For the reasons which I have set out, I am convinced that Mr [Z] and Mr [X] must have known and did know the true nature of the payments from the outset.

(…)"

2.30 In de visie van de Engelse rechter waren Seatrade Holding, Seatrade Groningen, Seatrade Group, [X], [Y] en [Z] (hoofdelijk) aansprakelijk jegens Fyffes ter zake van - kort weergegeven - nadeel dat Fyffes geacht kon worden te hebben ondervonden als gevolg van de omkoping van [shipping manager] door Seatrade.

2.31 Naar aanleiding van het Engelse vonnis zijn Seatrade en Fyffes ten aanzien van de

vast te stellen hoogte van de in aanmerking te nemen schade en de betalingsverplichting van Seatrade met elkaar in overleg getreden. Zij kwamen overeen om de zaak te schikken voor een door Seatrade te betalen bedrag van US$ 10.700.000,-, tegen finale kwijting over en weer.

2.32 Op 23 juni 2000 is door Seatrade Reefer US$ 10.700.000,- aan Fyffes betaald. Seatrade Reefer was op dat moment de General Agent voor de Pool.

2.33 Seatrade heeft tegen het Engelse vonnis, hoewel de wettelijke mogelijkheid daartoe bestond, geen hoger beroep ingesteld. Het Engelse vonnis is thans onherroepelijk.

2.34 Op 4 juli 2000 heeft AON namens Seatrade door middel van 'notifications of claim' aan Verzekeraar(s) melding gedaan van de door Seatrade gestelde schade voortvloeiend uit haar in het Engelse vonnis vastgestelde aansprakelijkheid jegens Fyffes.

De 'notifications of claim' vermelden - onder meer - het volgende:

- "(…) NOTIFICATION OF CLAIM NO. [1] (…)

Policy no. [Polisnummer 3]/0 (…)

For your information enclosed a copy of the Judgement of the Commercial Court. The insured has requested to clarify things to leading underwriters. Request is considered by FCI. A settlement has been made between Fyffes and Seatrade for USD 10.700.000 excluding costs Seatrade (…)”

- "(…) NOTIFICATION OF CLAIM NO. [2] (…)

Policy no. [Polisnummer 2]/0 (…)

For your information enclosed a copy of the Judgement of the Commercial Court. The insured has requested to clarify things to leading underwriters. Request is considered by FCI. A settlement has been made between Fyffes and Seatrade for USD 10.700.000 excluding costs Seatrade (…)”

2.35 Bij brief van 3 oktober 2000 hebben verzekeraars de vordering van Seatrade onder de

verzekeringsovereenkomsten afgewezen.

2.36 Verzekeraars hebben de verzekeringsovereenkomsten per 1 januari 2001 beëindigd.

2.37 Bij faxbericht en brief van 1 oktober 2001 heeft (de advocaat van) Seatrade bezwaar

aangetekend tegen de afwijzing van verzekeraars.

2.38 Ten tijde van het sluiten van en uitvoering geven aan de vervoersovereenkomst was het, al dan niet middellijk, betalen van steekpenningen in Engeland strafbaar.

3 De vordering in conventie en in reconventie

De (bij conclusie van repliek) gewijzigde vordering in conventie luidt - vrijwel letterlijk weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagden sub 1, 2, 4, 5, 6, 7 en 8 naar rato van hun aandeel op de polis met polisnummer[Polisnummer 2] ter zake schadevergoeding onder deze polis te veroordelen aan eiseres sub 1 tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag ad NLG 5.000.000, oftewel EUR 2.268.901;

II. gedaagde sub 9 onder de polis met polisnummer [polisnummer 5] ter zake schadevergoeding onder deze polis te veroordelen aan eiseres sub 1 tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag ad (EUR 11.026.240,30 : 3 (eiseressen sub 1, 3 en 4) = EUR 3.675.413,43, te verminderen met het bedrag ad EUR 2.268.901 dat onder de polis met polisnummer [Polisnummer 2] wordt geclaimd) EUR 1.406.512,43, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag ad EUR 3.675.413,43 vanaf 4 juli 2000 althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag der algehele voldoening;

III. gedaagde sub 9 onder de polis met polisnummer [polisnummer 5] te veroordelen aan eiseres sub 1 tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de rechtsbijstandskosten ad (EUR 1.128.705,18 : 3 (eiseressen sub 1, 3 en 4)) EUR 376.235;

IV. gedaagde sub 9 onder de polis met polisnummer [polisnummer 5] te veroordelen aan eiseres sub 1 tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de buitengerechtelijke kosten ad (EUR 192.495 : 3 (eiseressen sub 1, 3 en 4)) EUR 64.165;

V. gedaagden sub 1, 2, 4, 5, 6, 7 en 8 naar rato van hun aandeel op de polis met polisnummer[Polisnummer 3] ter zake schadevergoeding onder deze polis te veroordelen aan eiseressen sub 3 en 4 tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag ad NLG 5.000.000, oftewel EUR 2.268.901;

VI. gedaagde sub 9 onder de polis met polisnummer [Polisnummer 4] ter zake schadevergoeding onder deze polis te veroordelen aan eiseressen sub 3 en 4 (gezamenlijk) tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag ad (EUR 11.026.240,30 : 3 (eiseressen sub 1, 3 en 4) = EUR3.675.413,43 x 2, te verminderen met het bedrag ad EUR 2.268.901 dat onder de polis met polisnummer [Polisnummer 2] wordt geclaimd) EUR 5.081.926, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag ad EUR 7.350.826,86 vanaf 4 juli 2000 althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag der algehele voldoening;

VII. gedaagde sub 9 onder de polis met polisnummer [Polisnummer 4] te veroordelen aan eiseressen sub 3 en 4 (gezamenlijk) tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de rechtsbijstandskosten ad (EUR 1.128.705,18 : 3 (eiseressen sub 1, 3 en 4) = EUR 376.235 x 2) EUR 752.470;

VIII. gedaagde sub 9 onder de polis met polisnummer [Polisnummer 4] te veroordelen aan eiseressen sub 3 en 4 (gezamenlijk) tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de buitengerechtelijke kosten ad (EUR 192.495 : 3 (eiseressen sub 1, 3 en 4) = EUR 64.165 x 2) EUR 128.330;

IX. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding.

Bij gelegenheid van pleidooi heeft Seatrade wederom een akte wijziging van eis ingediend. De (in de pleitnotities gegeven) toelichting hierop houdt in dat ten aanzien van de in de dagvaarding en conclusie van repliek vermelde gedaagden sub 6 en sub 8 de vorderingen worden gewijzigd in dier voege dat deze zijn gericht tegen de achterliggende meesters. Aldus wordt thans van de achterliggende meesters van gedaagden sub 6 en sub 8 gevorderd (i) betaling naar rato van hun aandeel op de polis met polisnummer [Polisnummer 2] ter zake schadevergoeding onder deze polis te vergoeden aan eiseres sub 1 tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van EUR 2.268.901, de tegenwaarde van NLG 5.000.000, alsmede en althans (ii) betaling naar rato van hun aandeel op de polis met polisnummer [Polisnummer 3] ter zake schadevergoeding onder deze polis te vergoeden aan eiseressen sub 3 en 4 tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 2.268.901, de tegenwaarde van NLG 5.000.000, rente en kosten rechtens, een en ander met inachtneming van de conclusie van repliek.

In reconventie vorderen verzekeraars om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. eiseressen in conventie, verweersters in reconventie hoofdelijk te veroordelen aan eiseres sub 1 in reconventie, gedaagde sub 1 in conventie, des dat de een betalende de anderen zullen zijn gekweten te betalen het bedrag van € 44.187,96, te vermeerderen met wettelijke rente hierover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; en

2. te verklaren voor recht dat eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, aansprakelijk zijn voor alle schade die gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie, althans degene van hen die dit zal blijken aan te gaan, hebben geleden en zullen lijden vanwege de toerekenbare tekortkoming onder de verzekeringsovereenkomst en eiseressen in conventie, verweersters in reconventie te veroordelen tot vergoeding van die schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. eiseressen in conventie, verweersters in reconventie hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding.

Partijen hebben elkaars vorderingen gemotiveerd weersproken en concluderen tot afwijzing daarvan met veroordeling van de wederpartij, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1 Nu verzekeraars zich niet hebben verzet tegen de wijzigingen van eis welke bij conclusie van repliek en bij gelegenheid van de pleidooien zijn gedaan, zal recht worden gedaan op de gewijzigde eis.

4.2 Seatrade grondt haar vorderingen op verzekeringsovereenkomsten die in haar visie tot stand zijn gekomen tussen enkele van de rechtspersonen aan haar zijde en verzekeraars; onder deze verzekeringsovereenkomsten zijn in haar visie alle vennootschappen die thans optreden als eiseressen in conventie aan te merken als verzekerden. Seatrade stelt in dit verband dat de verzekerden zich in rechte hebben moeten verweren tegen aanspraken van Fyffes en dat zij zich onder druk van de voor hen negatieve uitspraak van de Engelse rechter als vermeld onder 2.29 uiteindelijk gedwongen hebben gezien een minnelijke regeling met Fyffes aan te gaan. De door de Engelse rechter vastgestelde aansprakelijkheid van verzekerden was in de visie van Seatrade gerelateerd aan hun activiteiten als omschreven in de verzekeringspolissen. Seatrade stelt dat de schade onder het dekkingsbereik van de verzekeringsovereenkomsten valt.

4.3 Partijen zijn het erover eens dat op de rechtsverhouding tussen de verzekerde partijen en de verzekeraars waarmee is gecontracteerd het oude Nederlandse verzekeringsrecht van toepassing is.

4.4 Verzekeraars hebben een groot aantal formele en materiële verweren opgeworpen. Zoals ter zitting van donderdag 3 september 2009 met partijen besproken, acht de rechtbank het zinvol de behandeling vooralsnog te beperken tot een materieel geschilpunt dat naar het voorshands oordeel van de rechtbank in de verhouding tussen de verzekerden en verzekeraars van doorslaggevende betekenis kan zijn. De rechtbank wijst erop dat zij daarmee geen oordeel geeft omtrent de nog niet in dit vonnis te behandelen geschilpunten. De behandeling en beoordeling daarvan zal zo nodig in een later stadium van de procedure alsnog plaatsvinden.

4.5 Verzekeraars hebben aangevoerd, en Seatrade heeft ontkend, dat hooggeplaatste functionarissen van verzekerden, tot en met het niveau van de directie, zich schuldig hebben gemaakt aan, althans wetenschap hadden van, omkoping van [shipping manager]. Tussen partijen is terecht niet in geschil dat indien dergelijke wetenschap van omkoping, dat wil zeggen: van het betalen van steekpenningen aan [shipping manager], in rechte komt vast te staan, aan verzekerden geen beroep toekomt op de verzekeringsovereenkomsten ten aanzien van de negatieve financiële gevolgen die voor verzekerden uiteindelijk uit die omkoping zijn voortgevloeid, nog los van de precieze omvang van de dekking onder deze polissen. Immers, een dergelijk risico, dat wil zeggen het risico op schade die zou kunnen voortvloeien uit de omkoping van een functionaris van een bedrijf waarmee de verzekerde een contractuele relatie heeft of tot stand wil brengen, kan naar Nederlands recht niet verzekerd worden. Eventuele rechtshandelingen in dat kader zouden door inhoud of strekking in strijd zijn met de goede zeden en de openbare orde, en zouden derhalve nietig zijn (artikel 3:40 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Tussen partijen is dan ook niet in geschil dat door hen nimmer is beoogd een dergelijk risico onder de dekking van enigerlei tussen hen tot stand te komen verzekeringsovereenkomst te brengen. Als bedoelde wetenschap van omkoping komt vast te staan is de schade waarvan thans vergoeding wordt gevraagd, naar tussen partijen - terecht - eveneens in confesso is, in haar geheel daaruit voortgevloeid.

4.6 Zoals in conventie hun verweer, gronden verzekeraars in reconventie hun vordering in belangrijke mate op hun, door Seatrade betwiste, stelling dat Seatrade [shipping manager] heeft omgekocht. Verzekeraars stellen in reconventie immers - kort weergegeven en voor zover hier van belang - dat Seatrade toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen onder de verzekeringsovereenkomst(en) doordat zij aanspraak maakt op een verzekerings¬uitkering, terwijl zij jegens verzekeraars heeft verzwegen dat zij [shipping manager] heeft omgekocht. Verzekeraars stellen dat zij buitengerechtelijke kosten voor rechtsbijstand hebben moeten maken teneinde zich te verweren tegen de door Seatrade - in de visie van verzekeraars ten onrechte - gepretendeerde vordering. Verzekeraars maken jegens Seatrade aanspraak op vergoeding van die door hen gemaakte buitengerechtelijke kosten. Zij beroepen zich in dit verband op HR 18 februari 2005, NJ 2005, 216, LJN: AR6164, r.o. 5.3.2:

"(…) Ten aanzien van buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand geldt dat zij op de voet van art. 6:96 BW voor vergoeding in aanmerking komen, onder meer als het gaat om redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, behoudens ingeval krachtens art. 241 Rv de regels omtrent proceskosten van toepassing zijn. Deze laatste uitzondering doelt op verrichtingen waarvoor de proceskosten een vergoeding plegen in te sluiten; daarbij gaat het om de situatie dat een procedure volgt nadat eerst met het oog op het in die procedure te beslechten geschil kosten van rechtsbijstand zijn gemaakt. Gedacht kan dan worden aan bijvoorbeeld een aan die procedure voorafgaande aanmaning of een andere eenvoudige brief. Dit een en ander is niet alleen van toepassing op degene die voldoening van een vordering verlangt, maar moet van overeenkomstige toepassing worden geacht op degene op wie een ander pretendeert een vordering te hebben en die buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand maakt teneinde zich tegen die vordering te verweren."

4.7 Seatrade heeft terecht aangevoerd dat, gelet op de door verzekeraars ingeroepen rechtsgevolgen van die gestelde feiten, op verzekeraars de bewijslast rust van hun door Seatrade betwiste stelling dat hooggeplaatste functionarissen van verzekerden, tot en met het niveau van de directie, zich schuldig hebben gemaakt aan, althans wetenschap hadden van, omkoping van [shipping manager]. Verzekeraars menen dat dit bewijs reeds is geleverd met de in het geding gebrachte uitspraak van 22 mei 2000 van The High Court Of Justice (productie G9 bij conclusie van antwoord, hiervoor onder 2.29 geciteerd) en de eveneens in het geding gebrachte, in dat vonnis genoemde, bewijsstukken, waaronder de verslagen van de uitvoerige getuigenverhoren.

4.8 De rechtbank is met partijen van oordeel dat aan dat vonnis en aan de daarin genoemde, ook in deze procedure in het geding gebrachte, bewijsstukken in deze procedure (slechts) vrije bewijskracht toekomt. De rechtbank acht echter op grond van de inhoud van dat vonnis en van de daarin genoemde bewijsstukken, in verbinding met de vaststaande feiten, in het bijzonder onder 2.6 en 2.9 tot en met 2.11, voorshands het bewijs van de stelling van verzekeraars geleverd. De rechtbank verwijst in dit verband in het bijzonder naar de pagina's 38 tot en met 46 van dat vonnis (hiervoor ten dele weergegeven onder 2.29 op pagina 14 tot en met 17) en de daar genoemde bewijsstukken en getuigenverklaringen.

4.9 Seatrade zal, zoals door haar uitdrukkelijk is verzocht en aangeboden, worden toegelaten tot tegenbewijs.

4.10 In afwachting van het resultaat van die bewijsvoering zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden, zowel ten aanzien van de in conventie door verzekeraars als de in reconventie door Seatrade gevoerde (overige) verweren.

5 De beslissing in conventie en in reconventie

De rechtbank,

in conventie en reconventie,

laat Seatrade toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van verzekeraars dat hooggeplaatste functionarissen van verzekerden, tot en met het niveau van de directie, zich schuldig hebben gemaakt aan, althans wetenschap hadden van, omkoping van [shipping manager];

bepaalt dat indien Seatrade dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter-commissaris mr. C. Bouwman;

bepaalt dat de advocaat van Seatrade binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in de maanden januari tot en met april 2010 en dat de advocaat van verzekeraars binnen dezelfde termijn opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan hun zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. C. Bouwman en mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan.

Uitgesproken in het openbaar.

1729/106/1885