Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL3946

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
15-02-2010
Zaaknummer
309674 / HA ZA 08-1566
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BY8309, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepasselijkheid algemene voorwaarden. Verbreken contractsonderhandelingen.

Oliehandel Berkel sluit met Vepex een vaststellingsovereenkomst, waarbij ze afspreken een afname-overeenkomst te sluiten, tegen kwijtschelding van een deel van door Vepex nog niet betaalde facturen. Na totstandkoming van een concept-afnameovereenkomst trekt Vepex zich terug. Berkel laat weten zich niet meer gehouden te achten aan de kwijtscheldingsafspraak en legt beslag, waarna Vepex de facturen betaalt.

Volgens Berkel heeft Vepex de afname-overeenkomst dan wel de onderhandelingen daarover eenzijdig verbroken, waardoor Berkel schade heeft geleden, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat.

De vordering van Berkel wordt afgewezen. Partijen hebben er blijk van gegeven dat zij zich niet meer gebonden achtten aan de vaststellingsovereenkomst. Daarmee viel ook de bodem onder de afnameovereenkomst weg. Door het voldoen van de facturen is bovendien de reden voor het sluiten van de afnameovereenkomst vervallen. Berkel heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat zij schade heeft geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 309674 / HA ZA 08-1566

Uitspraak: 13 januari 2010

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OLIEHANDEL D.C. BERKEL B.V.,

gevestigd te Spijkenisse,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.A.J. Leeman,

- tegen -

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VEPEX HOLDING B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

A. VAN EEDEN PETERSMAN TRANSPORT B.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VEPEX B.V.,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VEPEX TRANSPORT B.V.,

allen gevestigd te Rotterdam,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. H.E. Eelkman Rooda.

Partijen worden hierna aangeduid als "Berkel" respectievelijk "Vepex" (gezamenlijk) en Vepex Holding, Van Eeden Petersman, Vepex BV en Vepex Transport (ieder afzonderlijk).

1. Het verloop van het geding

1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 11 juni 2008 en de door Berkel overgelegde producties;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie

met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 14 januari 2009, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 9 april 2009;

- conclusie van antwoord in reconventie d.d. 9 april 2008, met producties;

2. De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1. Berkel exploiteert een brandstoffenhandel. Vepex heeft sinds 1993 brandstof afgenomen van Berkel.

2.2. Berkel maakt gebruik van algemene leverings- en betalingsvoorwaarden (hierna: algemene voorwaarden). Voor zover hier van belang, is daarin het volgende bepaald:

(…)

Artikel 12-Betaling

(…)

12.2 Betaling moet plaatsvinden binnen 8 dagen na factuurdatum, tenzij uitdrukkelijk anders is overeengekomen of een andere betalingstermijn op de factuur van verkoper wordt vermeld. (…)

(…)

12.8 Bij niet of niet-tijdige betaling wordt de vordering van koper verhoogd met buitengerechtelijke incassokosten, daaronder begrepen de kosten van rechtskundige bijstand, berekend conform het incassotarief van de Nederlandse Orde van Advocaten.

12.9 Koper is over de openstaande vordering vertragingsrente verschuldigd van 1,5% per maand, of gedeelte van de maand, met ingang van de datum waarop de vordering opeisbaar is geworden. (…)

(…)

2.3. Op enig moment is de financiële situatie van de onderneming van Vepex verslechterd. Op dat moment was Vepex aan Berkel betaling verschuldigd van de volgende facturen:

- kenmerk 2227281 van 16 april 2008 ad € 181.292,85

- kenmerk 2226214 van 16 april 2008 ad € 159.441,34

- kenmerk 2232813 van 2 mei 2008 ad € 141.498,09 en

- kenmerk 2233881 van 2 mei 2008 ad € 176.849,41.

Voor de facturen gold een betalingstermijn van 30 dagen. Met ingang van 1 mei 2008 werd de betalingstermijn voor leveranties van na die datum in 11 weken teruggebracht tot 7 dagen.

2.4. Partijen hebben over de situatie overleg gevoerd en op 9 mei 2008 een overeenkomst gesloten, waarvan de inhoud is vastgelegd in een email van de raadsman van Berkel van 9 mei 2008 aan Vepex. Vepex heeft diezelfde dag per email bevestigd dat de weergave van de gemaakte afspraken akkoord was. De overeenkomst houdt in:

1. De leveranties vanaf 1 mei 2008 zullen op weekbasis worden gefactureerd waarbij de factuur op de maandag volgende op de “factuurweek” per fax zal worden toegezonden waarna per direct telefonische betaling zal plaatsvinden. Bewijs van betaling dient op dezelfde dag voor 15.00 uur te worden verzonden aan cliënte (de rechtbank leest: Berkel) (om te voorkomen dat een vertraging ontstaat tussen de verschillende banken).

2. Van de vordering ad € 659.081,69 zal 50% worden voldaan in 16 gelijke wekelijkse termijnen ad € 20.625,= te beginnen 13 mei 2008 en vervolgens iedere week op de maandag gelijktijdig met de betaling van de onder 1 bedoelde factuur.

3. Het resterende deel ad 50% zal worden kwijt gescholden met dien verstande dat hier tegenover een nieuwe afnameovereenkomst tussen Vepex c.s. en cliënte tot tand zal komen met een looptijd welke voldoende zal zijn om het kwijtgescholden bedrag terug te verdienen. In ieder geval zal er ook sprake zijn van week facturatie (thans op basis van telefonische betaling). Op basis van het berekende volume is de looptijd ingeschat op 6 jaar. Dit kan wijzigen afhankelijk van het volume in de komende jaren. De afnameovereenkomst zal naast de gebruikelijke voorwaarden in ieder geval inhouden dat in geval Vepex c.s. door derden wordt voortgezet in welke vorm dan ook, zij ook gebonden zijn aan de afnameovereenkomst.

4. Door u (de rechtbank leest: Vepex) is bevestigd dat het reeds voldane bedrag ad 363.504,49 euro niet zal worden gestorneerd.

5. Indien gedurende de looptijd van de regeling betalingen niet tijdig worden ontvangen, is de volledige vordering van cliënte (de rechtbank leest: Berkel) terstond opeisbaar en zullen leveranties worden opgeschort.

2.5. Vepex heeft op grond van deze overeenkomst driemaal een bedrag van € 20.625,= voldaan, in totaal € 61.875,=. Betaling vond plaats op 13 mei, 19 mei en 26 mei 2008.

2.6. Op 13 mei 2008 heeft de raadsman van Berkel een concept voor een afnameovereenkomst (hierna: afnameovereenkomst) aan Vepex gestuurd. Op 16 mei 2008 hebben partijen contact per email contact gehad over aanpassingen van het concept.

2.7. Op 14 mei 2008 hebben Vepex en een geïnteresseerde derde een ‘Letter of intent’ getekend, waarin de intentie werd uitgesproken verder te onderhandelen over een eventuele overname van Vepex.

2.8. Op 19 mei 2008 heeft er een bespreking tussen partijen plaatsgevonden. Vepex heeft bij die gelegenheid aan Berkel laten weten dat er een koper was voor haar bedrijf. In de dagen daarna hebben partijen per email gecorrespondeerd over de ontstane situatie.

2.9. Op 26 mei 2008 heeft de raadsman van Berkel aan Vepex een email gestuurd met (onder meer) de volgende inhoud:

(…) Nu cliënte de opbrengsten uit de afnameovereenkomst misloopt, kan zij niet meer gehouden worden aan de hiervoor genoemde 50%. (…)

Het vorenstaande betekent dat Vepex c..s. nog immer onverkort gehouden is het volledig openstaande bedrag aan cliënte te voldoen. (…).

2.10. Op 29 mei 2008 heeft Berkel conservatoir derdenbeslag ten laste van Vepex gelegd. Vervolgens heeft Vepex het restant van de openstaande facturen ad € 597.206,69 aan Berkel voldaan. Het beslag is opgeheven.

2.11. De onderneming van Vepex is op 18 juni 2008 verkocht aan De Rijke Transport.

3. De vordering in conventie

3.1. De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

- Vepex Transport te veroordelen tot betaling aan Berkel van € 14.893,62, aan rente, beslagkosten en buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van dagvaarding;

- Vepex te veroordelen tot betaling aan Berkel van de verder door haar geleden en nog te lijden schade, gemaakte en te maken kosten, gederfde en te derven rente en rendement, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- Vepex te veroordelen in de proceskosten en de kosten van de beslagen.

3.2. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Berkel aan de vordering de navolgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.3. Vepex is op grond van de algemene voorwaarden een vertragingsrente verschuldigd over de niet tijdig betaalde facturen van 1,5% per maand. Over de periode 24 april 2008 tot 29 mei 2008 bedraagt de verschuldigde rente over het openstaande bedrag aan facturen € 8.586,90.

3.4. Vepex heeft de afname-overeenkomst dan wel de onderhandelingen daarover eenzijdig verbroken, waardoor Berkel schade heeft geleden, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat.

3.5. Berkel heeft buitengerechtelijke incassokosten gemaakt, ad € 5.160,- (berekend overeenkomstig Aanbeveling I van het Rapport Voorwerk II).

3.6. Berkel heeft kosten gemaakt ten behoeve van het door haar gelegde beslag ad € 1.146,82.

4. Het verweer in conventie

4.1. Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Berkel bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding. Vepex heeft daartoe, samengevat, het navolgende aangevoerd.

4.2. Vepex stelt de overeenkomst van 9 mei 2008 met Berkel correct te zijn nagekomen. Zij was niet in verzuim, zodat er geen reden was voor het leggen van conservatoir beslag. Na de door het beslag afgedwongen betaling van de hoofdsom, verviel voor Vepex de verplichting om een nieuwe afnameovereenkomst met Berkel te sluiten. Vepex meent dat het haar vrij stond om de onderhandelingen daarover af te breken. Vepex betwist dat er maatregelen en investeringen ter voorbereiding door Berkel zijn gedaan. Zij betwist de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden en voert aan dat Berkel geen buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt.

5. De vordering in (deels voorwaardelijke) reconventie

5.1. De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Berkel te veroordelen tot betaling van € 2.234,74 alsmede (voorwaardelijk) Berkel te veroordelen tot betaling van € 329.540,85, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2008. met veroordeling van Berkel in de proceskosten in reconventie.

5.2. Aan deze vordering heeft Vepex, naast hetgeen in conventie als verweer is aangevoerd, de volgende stellingen, samengevat, ten grondslag gelegd:

5.3. Vepex stelt schade te hebben geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van Berkel, te weten de gelegde beslagen en de weigering deze beslagen op te heffen, lang nadat betaling van de integrale vordering had plaatsgevonden. Zij heeft zich daardoor tot een advocaat moeten wenden en kosten moeten maken.

5.4. Voor zover Vepex verplicht zou zijn de schade te vergoeden die Berkel stelt te hebben geleden als gevolg van het verbreken van de nieuwe afnameovereenkomst, meent zij dat Berkel verplicht is om 50% van haar oorspronkelijke vordering kwijt te schelden, zodat zij aanspraak maakt op terugbetaling van € 329.540,85.

6. Het verweer in reconventie

6.1. Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Vepex bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding. Naast hetgeen Berkel in conventie heeft betoogd, heeft zij daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd:

6.2. Vepex heeft geen uitvoering gegeven aan de overeenkomst van 9 mei 2008 door geen afnameovereenkomst te tekenen. Berkel vordert geen nakoming van die overeenkomst, dan wel van de afnameovereenkomst, maar schadevergoeding.

7. De beoordeling

in conventie

de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden

7.1. Partijen doen sinds 1993 zaken met elkaar. Berkel heeft, onbetwist, gesteld dat zij op al haar facturen telkens heeft verwezen naar de toepasselijke algemene voorwaarden en dat zij in het verleden diverse contracten met Vepex heeft gesloten waarop de algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard. Zij brengt naar voren dat Vepex nooit heeft geprotesteerd tegen deze voorwaarden.

7.2. Vepex betwist dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn, bij gebreke van aanbod en acceptatie.

7.3. De rechtbank acht voor de beoordeling van belang dat partijen met elkaar handelden in het kader van hun professionele bedrijfsuitoefening. Dat brengt mee dat Vepex erop verdacht moest zijn dat Berkel algemene voorwaarden hanteerde.

7.4. Voor het overeenkomen van algemene voorwaarden gelden geen andere eisen dan voor het tot stand komen van overeenkomsten in het algemeen. Door Berkel is gesteld en door Vepex is niet weersproken dat partijen al sinds 1993 met elkaar zaken doen. Gesteld noch gebleken is dat Vepex op enig moment heeft geprotesteerd tegen de verwijzing op de facturen naar de Algemene Voorwaarden.

7.5. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat Vepex bij het aangaan van de afnameovereenkomst(en) geacht moet worden stilzwijgend met de toepasselijkheid van de Algemene Voorwaarden van Berkel te hebben ingestemd, althans dat Berkel uit het stilzwijgen van Vepex in de gegeven omstandigheden heeft mogen afleiden dat Vepex tegen die toepasselijkheid geen bezwaar had. De Algemene Voorwaarden zijn daarmee via de eerder aan Vepex verzonden facturen van toepassing geworden.

De gevorderde rente over de inmiddels betaalde facturen

7.6. Berkel is van mening dat Vepex Transport rente is verschuldigd over het bedrag aan openstaande facturen over de periode 24 april 2008 tot 29 mei 2008. Bij conclusie van antwoord in reconventie heeft zij zich op het standpunt gesteld dat haar vordering opeisbaar werd op 19 mei 2008, omdat Vepex Transport toen aan haar kenbaar zou hebben gemaakt dat zij de overeenkomst van 9 mei 2008 niet meer zou nakomen

7.7. Vepex stelt primair dat de vordering van Berkel als gevolg van de overeenkomst van 9 mei 2008 niet opeisbaar was en zij daarom niet in verzuim verkeerde, zodat geen rente is verschuldigd. Zij voert aan dat Berkel, door in strijd met deze overeenkomst het openstaande bedrag in één keer op te eisen, zelf in schuldeisersverzuim is geraakt.

Voor de facturen gold bovendien een betalingstermijn van 30 dagen, zo stelt Vepex, zodat de vorderingen pas op 16 mei 2008 (facturen d.d.16 april 2008) respectievelijk 11 juni 2008 (facturen d.d. 29 mei 2008) opeisbaar werden.

7.8. Op basis van de algemene voorwaarden is Vepex Transport een rente verschuldigd van 1,5% per maand, of gedeelte van de maand, met ingang van de datum waarop de vordering opeisbaar is geworden. Volgens Berkel werd de vordering opeisbaar op 19 mei 2008 ten gevolge van de mededeling van Vepex dat zij de overeenkomst van 9 mei 2008 niet meer wilde nakomen. Zij zou te kennen hebben gegeven dat zij de afnameovereenkomst niet meer kon ondertekenen omdat de onderneming aan een derde was verkocht.

7.9. Vepex heeft ter comparitie gesteld dat er geen enkele aanleiding was voor Berkel om te vrezen dat Vepex de overeenkomst van 9 mei 2008 niet zou nakomen. Zij was op 19 mei 2008 nog in onderhandeling over de verkoop van haar bedrijf. De rechtbank begrijpt daaruit dat Vepex betwist dat zij aan Berkel heeft medegedeeld dat zij niet meer wilde nakomen.

7.10. Aangezien partijen een betalingstermijn van 30 dagen overeengekomen zijn, waren de facturen op 24 april 2008, de datum die Berkel hanteert als aanvang van de verschuldigde rente, nog niet opeisbaar. Naar het oordeel van de rechtbank is de betalingsafspraak, weergegeven in de overeenkomst van 9 mei 2008, in de plaats gekomen van eerdere afspraken omtrent de betaling van de facturen, in het bijzonder de betalingstermijnen op de facturen. Gesteld noch gebleken is dat Vepex Transport de op 9 mei 2008 gemaakte afspraken met betrekking tot de termijnen van betaling niet is nagekomen.

7.11. Kennelijk meent Berkel dat op grond van een op 19 mei 2008 gedane mededeling van Vepex sprake is geweest van verzuim in de nakoming van de overeenkomst van 9 mei 2008. Indien deze mededeling inderdaad zou zijn gedaan, wat door Vepex wordt betwist, dan betekent dit echter nog niet dat Vepex Transport daardoor in verzuim is met betalen. Hooguit kan gezegd worden dat Vepex in verzuim is ten aanzien van het deel van de overeenkomst dat ziet op de totstandkoming van een afnamecontract. Dat maakt echter nog niet dat daarmee de gehele vordering van Berkel op Vepex Transport onmiddellijk opeisbaar werd. Vepex Transport heeft bovendien op 26 mei 2008, conform de afspraak, nog een betaling verricht.

7.12. Voor het verschuldigd zijn van rente is nodig dat er sprake is van vertraging in de voldoening van de openstaande vorderingen. Daarvan is, gelet op het hiervoor overwogene, in het onderhavige geval geen sprake, zodat de gevorderde rente niet kan worden toegewezen.

In conventie en voorwaardelijke reconventie

7.13. Gelet op de samenhang van de vordering in conventie met de voorwaardelijke vordering in reconventie zullen deze gezamenlijk behandeld worden.

De afnameovereenkomst

7.14. Berkel stelt zich primair op het standpunt dat er een afnameovereenkomst met Vepex tot stand is gekomen per 1 mei 2008 voor de duur van 6 jaar. Berkel verwijst naar de concept-overeenkomst en de gevoerde email-correspondentie, waaruit volgens haar blijkt dat de inhoud van de overeenkomst vaststond en er alleen nog maar ondertekend hoefde te worden. Die ondertekening zou volgens Berkel op 19 mei 2008 plaatsvinden. Subsidiair stelt Berkel dat Vepex de onderhandelingen op onrechtmatige wijze heeft afgebroken, omdat zij bij Berkel het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de overeenkomst tot stand zou komen.

7.15. Volgens Vepex waren partijen wel in onderhandeling over een afnameovereenkomst, maar is die niet tot stand gekomen en is er ook niet afgesproken dat de overeenkomst op 19 mei 2008 zou worden ondertekend. Zij heeft Berkel op 19 mei 2008 wel laten weten dat zij bezig was met een koper voor de onderneming, maar niet dat zij van de afnameovereenkomst af wilde. Vervolgens heeft Berkel op onjuiste gronden voor de volledige som van facturen conservatoir beslag gelegd, aldus Vepex, waardoor zij genoodzaakt was dit bedrag in zijn geheel te voldoen omdat zij aan de potentiële koper diende te garanderen dat de tot de onderneming behorende activa vrij van beslag waren. Na deze afgedwongen betaling was Vepex niet meer verplicht om de afnameovereenkomst te sluiten, zo stelt zij. Immers de kwijtschelding van 50% van de vordering vormde een onlosmakelijk onderdeel van de afspraak van 9 mei 2008. Nu er feitelijk door Berkel geen bedrag is kwijtgescholden, is de afspraak tot het sluiten van een afnameovereenkomst eveneens vervallen, zo meent Vepex.

7.16. Art. 7:900, eerste lid BW bepaalt: “Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken”. De overeenkomst tussen partijen van 9 mei 2008 kwam tot stand vanwege de betalingsproblemen waarin Vepex verkeerde en hield in dat van de openstaande facturen 50% door Berkel zou worden kwijtgescholden en partijen een afnameovereenkomst zouden sluiten met een looptijd die voldoende was voor Berkel om het kwijtgescholden deel van de vordering terug te verdienen. Aldus hebben partijen een overeenkomst gesloten die past bij de in de wet gegeven omschrijving van een vaststellingsovereenkomst.

De afnameovereenkomst is vervolgens vereist om de vaststelling tot stand te brengen en kan daar dus ook niet los van worden gezien.

7.17. Uit de door Vepex niet betwiste producties 8 tot en met 10 van Berkel blijkt dat er op 16 mei 2008 een concept-afnameovereenkomst was waarover partijen het in grote lijnen eens waren. Er werd nog gediscussieerd over de periode van eventuele verlenging van de overeenkomst en de voorwaarde van Berkel dat de betalingstermijn van 7 dagen voor de facturen alleen gold als er voldoende herfinanciering was. Over de ontwikkelingen na die datum lopen de stellingen van partijen uiteen. Zij verwijten elkaar de aanleiding te zijn voor het niet doorgaan van de afnameovereenkomst.

7.18. De kern van het geschil is gelegen in de vraag of Vepex zich, zonder schadeplichtig te worden, kon terugtrekken uit de afnameovereenkomst door alsnog het volledig verschuldigde bedrag aan Berkel te voldoen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.

7.19. Berkel heeft zich, zo blijkt uit het door haar gelegde beslag en de met Vepex gevoerde correspondentie, op het standpunt gesteld dat ten gevolge van het stranden van de afnameovereenkomst, Vepex het gehele oorspronkelijk verschuldigde bedrag diende te betalen. In de brief van 26 mei 2008 van haar raadsman stelt Berkel dat zij niet meer gehouden is aan de afspraak van 9 mei 2008 en dat Vepex het volledig openstaande bedrag aan haar moet voldoen. Aan haar verzoekschrift tot conservatoir derdenbeslag legt zij ten grondslag de geldvordering met een totaal van € 597.206,69 die zij heeft op Vepex, bestaande uit het bedrag van de verschuldigde facturen minus het reeds door Vepex betaalde bedrag.

7.20. Vepex heeft naar aanleiding van de onder 7.19 genoemde gedragingen van Berkel de gehele vordering betaald, daarbij er van uitgaand dat het niet zo kan zijn dat zij én de gehele vordering aan Berkel moet voldoen én een afnameovereenkomst zou moeten nakomen dan wel dat het haar niet zou vrijstaan de onderhandelingen daarover af te breken, nu immers Berkel zich niet meer gehouden achtte aan de op 9 mei 2008 gemaakte afspraken.

7.21. De rechtbank oordeelt dat partijen daarmee er blijk van hebben gegeven dat zij zich niet meer gebonden achtten aan de vaststellingsovereenkomst van 9 mei 2008. Daardoor viel ook de bodem onder de afnameovereenkomst weg. Of de afnameovereenkomst nu al dan niet tot stand was gekomen danwel de onderhandelingen in een zo ver gevorderd stadium waren dat Vepex die niet meer mocht afbreken, doet in dit geval niet meer ter zake. De afnameovereenkomst was een uitvloeisel van de vaststellingsovereenkomst en onlosmakelijk daarmee verbonden.

7.22. Door het volledig voldoen van de vordering door Vepex is bovendien de reden voor het sluiten van de afnameovereenkomst vervallen. Het was immers de bedoeling dat daarmee het kwijtgescholden deel van de vordering door Berkel kon worden terugverdiend. Nu er uiteindelijk niets is kwijtgescholden, hoeft er ook niets te worden terugverdiend.

7.23. Berkel heeft nog gesteld dat zij in voorbereiding op de afnameovereenkomst met Vepex maatregelen heeft genomen en investeringen heeft gedaan. Zij heeft evenwel onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat zij daardoor schade heeft geleden.

7.24. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de vordering van Berkel dient te worden afgewezen. De voorwaarde waaronder Vepex haar vordering in reconventie tot betaling van € 329.540,85 heeft ingesteld, is niet vervuld.

Buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten

7.25. Berkel maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Nu de vordering van Berkel wordt afgewezen bestaat er voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten geen grond.

7.26. De vordering met betrekking tot de gemaakte beslagkosten zal wel worden toegewezen. Vepex Transport heeft niet aangetoond dat het beslag onnodig of onrechtmatig was. Op het moment van beslagleggen was er sprake van een mogelijke overname van de onderneming van Vepex Transport door een derde en de vrees van Berkel dat haar vordering oninbaar zou worden was daarom, mede gelet op de bij haar bekende betalingsproblemen bij Vepex Transport, reëel. Het beslag heeft er uiteindelijk toe geleid dat Vepex Transport de vordering heeft voldaan. De beslagkosten worden vastgesteld op EUR 1.146,82.

7.27. Berkel zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Vepex worden begroot op:

- Vast recht EUR 330,-

- salaris advocaat EUR 1.788,- (2 punten x tarief EUR 894,-)

Totaal EUR 2.118,-

in reconventie

schade ten gevolge van het beslag

7.28. Vepex stelt schade te hebben gelden door de onrechtmatige handelwijze van Berkel, te weten de weigering om het gelegde conservatoir beslag op te heffen. Berkel is van mening dat hiervoor onvoldoende is gesteld.

7.29. Zoals de rechtbank al onder 7.26 heeft overwogen, is niet aangetoond dat het beslag onterecht of onnodig was. Vepex heeft aangevoerd dat het beslag is opgeheven, nadat zij aan de voorwaarde van Berkel had voldaan dat zij zekerheid zou stellen. Vepex heeft haar stelling, dat Berkel ten onrechte weigerde het beslag op te heffen na betaling, onvoldoende onderbouwd. De vordering tot vergoeding van de schade ten gevolge van het te laat opheffen van het beslag zal daarom worden afgewezen.

7.30. Vepex zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Berkel worden begroot op:

- Vast recht EUR 231,-

- salaris advocaat EUR 384,- (1/2 x 2 punten x EUR 384,- )

Totaal EUR 615,-

8. De beslissing

De rechtbank,

in conventie

8.1. - veroordeelt Vepex Transport in de kosten van het beslag, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Berkel bepaald op € 1.146,82;

- veroordeelt Berkel in de proceskosten, aan de zijde van Vepex tot op heden begroot op EUR 2.118,-

- wijst af het meer of anders gevorderde;

in (voorwaardelijke)reconventie

8.2. - wijst het gevorderde af;

- veroordeelt Vepex in de proceskosten, aan de zijde van Berkel tot op heden begroot op EUR 615,-.

verklaart dit vonnis voorzover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J.Konings en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken door mr. C. Bouwman op 13 januari 2010.