Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL3666

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
11-02-2010
Zaaknummer
313736 - HA ZA 08-2065
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal van elektriciteit voor een hennepkwekerij. Totstandkoming overeenkomst tussen netwerkbeheerder en afnemer van stroom. Wel BTW verschuldigd over naheffing van transportkosten, geen BTW verschuldigd over schadevergoeding voor ontvreemde elektriciteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 313736 / HA ZA 08-2065

Uitspraak: 13 januari 2010

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de naamloze vennootschap LIANDER N.V., voorheen N.V. Continuon Netbeheer,

gevestigd te Arnhem,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het vrijwaringsincident,

advocaat mr. J. Kneppelhout,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het vrijwaringsincident,

advocaat mr. A.C. Hansen.

Partijen blijven hierna aangeduid als: Liander en [gedaagde].

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding d.d. 4 augustus 2008 en de door Liander overgelegde producties;

- de akte naamswijziging van de zijde van Liander, met productie;

- het vonnis van deze rechtbank d.d. 26 november 2008 in het vrijwaringsincident en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- de conclusie van antwoord;

- het tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 11 maart 2009, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal en aanvullend proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 2 juni 2009,

- de akte, van de zijde van Liander, met producties;

- de antwoordakte, van de zijde van [gedaagde];

- beslagstukken.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 [gedaagde] is sinds augustus 2005 eigenaar van de woning aan de [adres] te Hilversum (hierna: de woning). [gedaagde] heeft de woning vanaf 3 januari 2006 verhuurd aan [huurder] (hierna: [huurder]).

2.2 De woning is aangesloten op het elektriciteitsnetwerk van Liander. Nadat [gedaagde] de woning heeft gekocht, heeft hij telefonisch een contract afgesloten voor de levering van elektriciteit met Nuon.

2.3 N.V. Nuon Customer Care Center (hierna: Nuon CCC) heeft [gedaagde] jaarafrekeningen gezonden voor de periodes 1 november 2005 - 5 april 2006, 6 april 2006 - 18 maart 2007, 19 maart 2007 - 6 maart 2008 en 7 maart 2008 - 31 oktober 2008. Deze jaarrekeningen bevatten een (integrale) afrekening voor energielevering door Nuon en voor transport door Liander. [gedaagde] heeft deze jaarafrekeningen voldaan.

2.4 Liander hanteert algemene voorwaarden, die niet ter hand zijn gesteld aan [gedaagde]. Wel zijn de algemene voorwaarden te vinden op de website van Liander.

2.5 Op 2 juli 2008 heeft de politie in de woning een hennepkwekerij aangetroffen. De kwekerij was verdeeld over meerdere ruimtes. In de woning werd door Liander vastgesteld dat de verzegeling van het deksel van de huisaansluitkast verbroken was. Verder bleek dat een illegale aansluiting was aangebracht, waardoor elektriciteit werd afgenomen zonder dat dit door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd.

3 Het geschil

3.1 Liander vordert - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een hoofdsom van € 20.655,09 en buitengerechtelijke incassokosten van € 1.190,00, met rente en kosten (waaronder de beslagkosten en nakosten). De gevorderde hoofdsom bestaat uit: (i) € 2.782,77 aan transportkosten, (ii) € 11.056,98 wegens de illegale afname van elektriciteit, (iii) € 5.304,54 aan energiebelasting, (iv) € 995,70 aan overige schadeposten en (iv) 3.297,87 aan BTW.

3.2 Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Liander in de kosten van het geding.

3.3 Op de stellingen van partijen wordt, voorzover nodig, hieronder ingegaan bij de beoordeling.

4 De beoordeling

4.1 Het is niet in geschil dat voor de hennepkwekerij in de woning elektriciteit is gebruikt dat niet door de elektriciteitsmeter in de woning is gemeten. Verder is niet (meer) in geschil dat [gedaagde] hiervan niet op de hoogte was. Tegen deze achtergrond is in geschil of [gedaagde] aansprakelijk kan worden gehouden voor de afgetapte elektriciteit en welke (schade)¬vergoeding Liander kan vorderen.

4.2 Voor de beoordeling is allereerst van belang of Liander en [gedaagde] een overeenkomst hebben gesloten voor de aansluiting van de woning op het elektriciteitsnetwerk van Liander, zoals Liander stelt en [gedaagde] betwist. Hierover wordt als volgt overwogen. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat een gebruiker van elektriciteit te maken heeft met twee leveranciers: een leverancier voor de elektriciteit en een leverancier voor trans¬portdiensten (de netbeheerder). Het is niet in geschil dat [gedaagde], na aankoop van de woning, telefonisch contact heeft opgenomen met Nuon als elektriciteitleverancier en dat Nuon [gedaagde] vervolgens bij Liander heeft aangemeld voor de aansluiting op het elektriciteits¬netwerk van Liander. Nuon CCC heeft vervolgens herhaaldelijk een jaaraf¬rekening toegezonden aan [gedaagde], waaruit blijkt dat er werd gefactureerd voor elektriciteit die was geleverd door Nuon en voor transport van elektriciteit door Liander. Ook als Nuon niet expliciet had uitgelegd dat zij [gedaagde] zou aanmelden als klant bij Liander, geldt dat [gedaagde] dus wist of behoorde te weten dat de netwerkaansluiting en het transport van elektriciteit werd verzorgd door Liander. Door vervolgens de afrekeningen te voldoen en niet te vragen om een afsluiting van de netwerkaansluiting door Liander, heeft hij ingestemd met de continuering van de dienstverlening door Liander en daarmee jegens Liander de schijn gewekt dat hij had ingestemd met het zijn van klant van Liander. Op deze wijze is een overeenkomst tussen Liander en [gedaagde] tot stand gekomen.

4.3 Voor de hierna volgende beoordeling van diverse stellingen van partijen is verder van belang of Liander een beroep toekomt op diverse bepalingen uit haar algemene voorwaar¬den, in het bijzonder de bepalingen over (kort gezegd) misbruik en naheffingen. Met [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. Op grond van artikel 6:233 BW, aanhef en onder b, BW is een beding uit algemene voorwaarden vernietigbaar indien de gebruiker aan de wederpartij geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Wanneer de algemene voorwaarden redelijkerwijs voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand kunnen worden gesteld, is vereist dat deze ter hand zijn gesteld (behoudens het hier niet van toepassing zijnde geval als bedoeld in artikel 6:234 lid 1, aanhef en onder c BW). Terhandstelling had in dit geval kunnen gebeuren: Liander had bijvoorbeeld na ontvangst van de aanmelding door Nuon een bevestiging of een overeenkomst kunnen (doen) zenden aan [gedaagde] met daarbij de algemene voorwaarden. Dat heeft zij niet gedaan en dat komt voor haar risico. De vernietiging door [gedaagde] van de bedingen uit de algemene voorwaarden, slaagt dan ook.

4.4 Tegen deze achtergrond wordt als volgt geoordeeld over de verschillende elementen van de vordering van Liander:

a. De transportkosten. Als contractuele wederpartij van Liander is [gedaagde] gehouden om transportkosten te vergoeden. [gedaagde] betwist dit weliswaar, maar die betwisting is uitsluitend gebaseerd op zijn stelling dat hij geen contract met Liander heeft. Ook blijkt uit de door [gedaagde] voldane jaarafrekeningen dat hij gehouden was om transportkosten te betalen en dat volgt ook uit de aard van een aansluitingsovereen¬komst. Dat [gedaagde] de woning heeft verhuurd, doet daar niet aan af: hij is immers ook na de verhuur de contractant van Liander gebleven. Ten aanzien van deze kosten gaat het om een nakomingsvordering van Liander - het is in wezen een naheffing - en over deze kosten is dan ook BTW verschuldigd. Ten aanzien van de hoogte van de gevorderde vergoeding geldt dat de rechtbank hierover nader voorgelicht wil worden (zie hierna onder 4.5).

b. Afgenomen elektriciteit. Liander stelt dat zij als gevolg van de illegale afname van elektriciteit genoodzaakt is om elektriciteit in te kopen om het netverlies te compenseren. Dit is door [gedaagde] niet, althans niet gemotiveerd, betwist, zodat dit vaststaat. Liander vordert van [gedaagde] een vergoeding voor deze ingekochte elektriciteit, welke vordering zij in het bijzonder baseert op haar algemene voorwaarden. Het beroep op die algemene voorwaarden slaagt echter niet, om de redenen als hiervoor uiteengezet. Dit laat echter onverlet dat de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde] jegens Liander verplicht is de elektriciteitsmeter op legale wijze te (laten) gebruiken en te beschermen tegen manipulatie. Immers, de aard van de overeenkomst tussen partijen brengt met zich mee dat de afname van elektriciteit gemeten moet kunnen worden en dat het verhinderen van de mogelijkheid om het verbruik te meten, niet is toegestaan. Dat [gedaagde] dit niet heeft voorkomen, blijkt uit hetgeen hiervoor onder 2.5 is overwogen. Hij is daarom tekortgeschoten in de nakoming van deze zorgplicht. Deze tekortkoming kan [gedaagde] worden toegerekend, nu deze krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Dat [gedaagde] de woning verhuurde, doet daar niet aan af: als [gedaagde] niet langer aansprakelijk wilde zijn voor de elektriciteitsafname, dan had hij de huurder zelf voor elektriciteit moeten laten zorgen. Er is dus sprake van een toerekenbare tekortkoming en [gedaagde] is daarom schadeplichtig (artikel 6:74 BW). Het betreft hier een schadevergoedingsvordering en geen nakomingsvordering, zodat hierover geen BTW verschuldigd is. Ten aanzien van de hoogte van de gevorderde vergoeding geldt dat de rechtbank hierover nader voorgelicht wil worden (zie hierna onder 4.5).

c. De energiebelasting. Liander stelt dat zij gehouden is om energiebelasting af te dragen aan de belastingdienst voor de illegaal afgetapte elektriciteit als zijnde een levering in de zin van de Wet Belasting op Milieugrondslag. [gedaagde] heeft dit niet, althans niet gemotiveerd, betwist, anders dan met het betoog dat hij geen contractant van Liander is en dat verweer slaagt, zoals hiervoor overwogen, niet. Omdat deze belasting verschuldigd is als gevolg van een tekortkoming van [gedaagde] in zijn zorgplicht ten aanzien van het aftappen van elektriciteit, kan Liander hiervoor schadevergoeding vorderen. Ten aanzien van de hoogte van de gevorderde vergoeding geldt dat de rechtbank hierover nader voorgelicht wil worden (zie hierna onder 4.5).

d. De overige schadeposten. Ten aanzien van de overige schadeposten geldt dat het enige verweer van [gedaagde] is dat hij geen contractant is. Deze posten zijn daarom toewijsbaar.

e. Rente. De rente is als zodanig niet betwist en daarom toewijsbaar over de (nog vast te stellen) hoofdsom.

f. Buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu onvoldoende is gesteld en evenmin is gebleken dat het gaat om verrichtingen die meeromvattend zijn dan de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

4.5 Zoals hiervoor is overwogen, wil de rechtbank nader voorgelicht worden over de hoogte van de gevorderde transportkosten, de vergoeding voor afgenomen elektriciteit en de energiebelasting. De reden hiervoor is dat de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht acht over het aantal oogsten en de hiervoor gebruikte hoeveelheid elektriciteit. Er zal daarom een comparitie van partijen worden gelasten. Voorafgaand aan die comparitie dient Liander een nadere schriftelijke uitleg over de omvang van de berekende transportkosten, vergoeding voor elektriciteit en energiebelasting in het geding te brengen, rekening houdend met hetgeen bij conclusie van antwoord is gesteld onder punt 22 en verder. Tevens dient zij kleurenafdrukken van de bij de dagvaarding gevoegde foto’s in het geding te brengen.

4.6 Ter voorbereiding op de comparitie wordt ten aanzien van het aantal oogsten nog het volgende overwogen. De stelplicht en - bij gemotiveerd betwisting - de bewijslast van de omvang van de schade berust op Liander. Daarbij geldt echter dat aan dit bewijs geen zware eisen kunnen worden gesteld. Immers, de schade van Liander laat zich naar zijn aard slechts ruwweg begroten doordat er elektriciteit is afgenomen buiten de meter om en daarvoor is [gedaagde] verantwoordelijk te houden.

4.7 Alle bescheiden waarop een partij zich ter terechtzitting wenst te beroepen, alsmede de hierboven genoemde bescheiden dienen uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechtbank en aan de wederpartij te worden toegezonden.

4.8 Indien een partij verhinderd is op de hieronder vermelde datum, dient deze dat binnen twee weken na uitspraak van dit vonnis bij brief te melden aan de griffie van de rechtbank

- sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - en daarbij opgave te doen van de verhinderdata van beide partijen voor de maanden januari tot en met maart 2010.

5 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen:

- beveelt partijen, [gedaagde] in persoon en Liander deugdelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is, vergezeld door hun raadslieden te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. N. Doorduijn, op dinsdag 23 februari 2010 van 13.00 tot 14.00 uur voor het verschaffen van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling;

- bepaalt dat bescheiden die op de zaak betrekking (kunnen) hebben en die nog niet in de procedure zijn overgelegd door de partij die deze ter gelegenheid van de comparitie ter sprake wil brengen uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechter (sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam) en aan de wederpartij dienen te worden toegezonden.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Doorduijn.

Uitgesproken in het openbaar.

1876