Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL3232

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
321314 / HA ZA 08-3154
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BV1681, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

onrechtmatige daad, vrijheid van meningsuiting, uitlatingen advocaten, publicaties op websites

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 321314 / HA ZA 08-3154

Uitspraak: 20 januari 2010

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te Huizen,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

verweerder in het incident,

advocaat mr. M. Vissers,

- tegen -

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te Rotterdam,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

eisers in het incident,

advocaat mr. H.F.C. Kuijpers.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "[gedaagde 1]" en "[gedaagde 2]".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- de dagvaardingen van 15 en 16 december 2008 en de door [eiser] overgelegde producties,

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, tevens incidentele conclusie van eis tot het treffen van een voorlopige voorziening (art. 223 Rv), met producties (19 ordners),

- de conclusie van antwoord in het incident, met producties,

- het vonnis van 24 juni 2009, waarbij de gevorderde voorlopige voorziening is afgewezen,

- de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties,

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, met producties,

- de akte wijziging van eis in reconventie,

- de conclusie van dupliek in reconventie.

2 Het geschil

2.1 De vordering van [eiser] in conventie luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] door het doen van in de dagvaarding genoemde onnodig grievende, lasterlijke en beledigende uitlatingen, in meerdere processtukken en bij meerdere procedures, ook zonder dat [eiser] daarbij partij is, onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser];

II. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te gebieden om zich te onthouden van onrechtmatige, onnodig grievende, lasterlijke en beledigende uitingen aangaande [eiser], op straffe van een dwangsom;

III. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot het plaatsen van rectificaties op een website;

IV. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen in de kosten van het geding.

2.2 De vordering van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in reconventie luidt, na wijziging van eis, - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. [eiser] te veroordelen om openbare uitingen waarin [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] door [eiser] worden beschuldigd van het misbruik maken van procesrecht, van het dumpen van de grootste smaad en laster op het bord van de rechter, van het zijn van psychiatrisch patiënt, van het genieten van protectie bij Justitie, van het hebben van banden met de AIVD, van gezwendel in de politiek, bij de advocatuur, verzekeraars, banken en rechterlijke macht, van het in scène zetten van een rechtszaak om SDN te kunnen censureren en monddood te maken, van het plegen van karaktermoord, van het zijn van mee-eters in de rechten, van het liegen in de rechtszaal, van ontkennen, van verdraaien, van beschimpen en van lasteren, alsmede van vergelijkbare openbare uitingen, met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden;

2. [eiser] te veroordelen om enkele publicaties op websites te verwijderen en verwijderd te houden;

3. [eiser] te veroordelen om verspreiding van betreffende publicaties na te laten;

4. [eiser] te veroordelen om zich te onthouden van vergelijkbare publicaties;

5. een en ander op straffe van primair gijzeling en subsidiair een dwangsom;

6. [eiser] te veroordelen in de proceskosten in reconventie.

Partijen hebben elkaars vorderingen gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling van de wederpartij in de proceskosten.

3 De beoordeling in conventie en in reconventie

3.1 Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden behandeld.

3.2 Tussen partijen staan - onder meer - de volgende feiten vast:

a. [eiser] is een van de bestuursleden van de stichting Sociale Databank Nederland (hierna: "SDN").

b. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn advocaten, kantoorhoudende te Leiden respectievelijk Rotterdam.

c. SDN is - in de visie van [eiser] - "een vraagbaak, waar mensen terecht kunnen die op een of andere manier zijn opgelicht door corrupte advocaten en/of notarissen, vermalen in ambtelijke molens, die een kind hebben verloren door een door een plaatselijke overheid verzwegen gifbelt of door medisch falen, en zo verder…".

d. SDN onderhoudt een website, waar zij - nog steeds in de visie van [eiser] - een forum biedt voor al de tragische verhalen van beschadigde mensen zoals onder c hiervoor bedoeld.

e. Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank te

's-Hertogenbosch van 11 juli 2008 zijn SDN en vier bestuursleden van SDN waaronder [eiser] (hierna: "SDN c.s.") op vordering van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeeld om - kort weergegeven - bepaalde informatie van de website van SDN verwijderd te houden en om een rectificatie op die website te plaatsen, een en ander op straffe van een dwangsom.

f. SDN c.s. is in hoger beroep gekomen tegen voornoemd vonnis.

g. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben jegens SDN c.s. aanspraak gemaakt op in de visie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] inmiddels door SDN c.s. verbeurde dwangsommen ten bedrage van in totaal meer dan € 1.000.000,00. In dat kader hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] executoriaal beslag doen leggen op de woning van een van de bestuurders van SDN.

h. Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 5 maart 2009 is op vordering van SDN c.s. de tenuitvoerlegging van het tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en SDN c.s. gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 11 juli 2008 geschorst totdat in een bodemprocedure zal zijn beslist of en in hoeverre dwangsommen zijn verbeurd door SDN c.s.

3.3 [eiser] grondt zijn vorderingen op onrechtmatige daad. Hij stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door zich in processtukken en op meerdere openbare terechtzittingen uitermate negatief omtrent [eiser] uit te laten. Daardoor hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de visie van [eiser] (reputatie)schade bij hem veroorzaakt.

3.4 Ook [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gronden hun vorderingen op onrechtmatige daad, alsmede op schending van auteursrecht door [eiser]. Zij stellen dat [eiser] hen beschuldigd van het misbruik maken van procesrecht, van het dumpen van de grootste smaad en laster op het bord van de rechter, van het zijn van psychiatrisch patiënt, van het genieten van protectie bij Justitie, van het hebben van banden met de AIVD, van gezwendel in de politiek, bij de advocatuur, verzekeraars, banken en rechterlijke macht, van het in scène zetten van een rechtszaak om SDN te kunnen censureren en monddood te maken, van het plegen van karaktermoord, van het zijn van mee-eters in de rechten, van het liegen in de rechtszaal, van ontkennen, van verdraaien, van beschimpen en van lasteren.

3.5 De rechtbank zal achtereenvolgens de vorderingen van [eiser] en van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] behandelen. De rechtbank stelt echter het volgende voorop. De rechtbank is van oordeel dat een vordering die ertoe strekt de vrijheid van meningsuiting van een ander in te perken, volstrekt helder dient te zijn zowel ten aanzien van de inhoud van de onrechtmatig geachte uitlatingen als de context waarbinnen het doen van die uitlatingen onrechtmatig wordt geacht. In een democratische rechtsstaat dient ervoor te worden gewaakt dat te sterk wordt gereageerd op gemaakt misbruik van de vrijheid van meningsuiting, hetgeen uiteraard niet meebrengt dat het maken van misbruik geoorloofd is. Door te sterke reacties zou echter de kern van dit voor een democratische rechtstaat essentiële recht kunnen worden aangetast.

Vorderingen [eiser]

ad I

3.6 De eerste vordering van [eiser] strekt ertoe een verklaring voor recht te verkrijgen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld door bepaalde uitlatingen te doen.

3.7 [eiser] omschrijft het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] in zijn vordering als "het doen van voornoemde onnodig grievende, lasterlijke en beledigende uitlatingen, in meerdere processtukken en bij meerdere procedures, ook zonder dat de heer [eiser] daarbij partij is". Het woord "voornoemde" verwijst naar het lichaam van de dagvaarding waarin vele citaten en parafrases zijn opgenomen.

3.8 De rechtbank is van oordeel dat [eiser] dit onderdeel van zijn vordering onvoldoende heeft geconcretiseerd. Indien [eiser] een verklaring wenste te verkrijgen dat een bepaalde door [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] gedane uitlating in een bepaalde context jegens hem onrechtmatig is te achten, mocht van [eiser] worden verwacht dat hij die uitlating en de context waarbinnen die uitlating werd gedaan in zijn vordering zou omschrijven. Dan hadden [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] daartegen gemotiveerd verweer kunnen voeren, waarna de rechtbank daaromtrent een oordeel had kunnen vellen. Nu [eiser] naar het oordeel van de rechtbank in zijn vordering onvoldoende tot uitdrukking heeft gebracht welke, door wie, in welke context gedane, uitlating hij onrechtmatig wenst te laten verklaren, zal de rechtbank dit onderdeel van de vordering afwijzen.

ad II

3.9 [eiser] vordert voorts een bevel aan [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] om zich "te onthouden van het doen van onrechtmatige, onnodig grievende, lasterlijke en beledigende uitlatingen jegens of aangaande de heer [eiser], op straffe van een dwangsom van € 1.000 per overtreding".

3.10 De uitlatingen van de zijde van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] betreffen - zo begrijpt de rechtbank althans uit de stellingen van [eiser] - uitlatingen die alle zijn gedaan in de context van juridische procedures. Dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] buiten een dergelijke context uitlatingen omtrent [eiser] doen of voornemens zijn te doen, is gesteld noch gebleken.

3.11 De rechtbank is van oordeel dat het in het algemeen onwenselijk is om advocaten - of partijen - op voorhand te verbieden in de context van juridische procedures bepaalde uitlatingen te doen, temeer indien die verboden uitlatingen in een vordering vaag zijn omschreven.

3.12 Het belang van een eerlijke procedure brengt mee dat advocaten - en partijen - zich in een procedure niet beperkt behoren te voelen in hetgeen zij ter behartiging van de belangen van hun cliënten mogen aanvoeren. Bovendien mag van advocaten in het algemeen worden verwacht dat zij zich, ook zonder dat verbeurte van een dwangsom in het vooruitzicht is gesteld, zullen onthouden van "onrechtmatige, onnodig grievende, lasterlijke en beledigende uitlatingen jegens of aangaande" een persoon. Indien advocaten zich daar niettemin aan schuldig maken, kan de persoon die zich gegriefd voelt een klacht tegen de betreffende advocaat indienen. In het kader van het tuchtrecht kunnen effectieve sancties tegen een dergelijke advocaat worden getroffen.

3.13 In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het opleggen van het door [eiser] gevorderde bevel niet gerechtvaardigd. De rechtbank zal ook dit onderdeel van de vordering afwijzen.

ad III en IV

3.14 [eiser] vordert tevens veroordeling van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] tot het plaatsen van rectificaties op een internetpagina. De rectificaties betreffen uitlatingen die [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] in het kader van een kort geding op 27 juni 2008 en van een kort geding op 17 oktober 2008 zouden hebben gedaan. De door [eiser] voorgestelde rectificatietekst bevat onder meer de mededeling van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] dat zij gedane uitlatingen betreuren en onrechtmatig achten.

3.15 De rechtbank stelt voorop dat zij niemand kan verplichten om op straffe van een dwangsom publiekelijk te verklaren dat hij eerder gedane uitlatingen betreurt en onrechtmatig acht, hoe betreurenswaardig en onrechtmatig de rechtbank die uitlatingen wellicht ook acht. De rechtbank kan uiteraard niemand dwingen om op een bepaalde door de wederpartij gewenste wijze te denken of te voelen. Een ieder is vrij in hetgeen hij denkt en voelt. Slechts de wijze waarop aan die gedachten of gevoelens uiting wordt gegeven, kan aan beperkingen worden onderworpen. Indien al een rectificatie zou moeten worden gelast, dan zou deze derhalve een andere inhoud moeten hebben dan door [eiser] gevorderd. De rechtbank ziet echter niet in wat nog de zin zou kunnen zijn van een rectificatie op een website, jaren nadat de onrechtmatig geachte uitlatingen in het kader van behandelingen in kort geding zijn gedaan. Ook deze onderdelen van de vordering zullen derhalve worden afgewezen.

kostenveroordeling in conventie

3.16 Nu in conventie de vorderingen van [eiser] worden afgewezen, zal [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in conventie worden veroordeeld.

Vorderingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]

ad 1

3.17 De eerste vordering van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] - na wijziging van eis - strekt ertoe [eiser] te veroordelen om openbare uitingen waarin [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] door [eiser] worden beschuldigd van het misbruik maken van procesrecht, van het dumpen van de grootste smaad en laster op het bord van de rechter, van het zijn van psychiatrisch patiënt, van het genieten van protectie bij Justitie, van het hebben van banden met de AIVD, van gezwendel in de politiek, bij de advocatuur, verzekeraars, banken en rechterlijke macht, van het in scène zetten van een rechtszaak om SDN te kunnen censureren en monddood te maken, van het plegen van karaktermoord, van het zijn van mee-eters in de rechten, van het liegen in de rechtszaal, van ontkennen, van verdraaien, van beschimpen en van lasteren, alsmede van vergelijkbare openbare uitingen, met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden.

3.18 Ook van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] mocht worden verwacht dat zij in hun vordering helder en gespecificeerd zouden aangeven op welke wijze en op welke plaats [eiser] jegens hen onrechtmatig te achten openbare uitingen doet die hij in hun visie met onmiddellijke ingang dient te staken en gestaakt te houden. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van andere uitingen dan de publicaties op websites waar de vordering sub 2 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] reeds betrekking op heeft. Dat onderdeel van de vordering zal hierna worden behandeld.

3.19 Bij gebreke van een voldoende specificatie zal dit onderdeel van de vorderingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden afgewezen.

ad 2

3.20 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen voorts [eiser] te veroordelen tot het verwijderen en verwijderd houden van bepaalde publicaties op bepaalde websites.

3.21 Het door [eiser] tegen deze vordering gevoerde verweer dat hij niet de beschikkingsmacht heeft over de betreffende websites slaagt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren bij conclusie van repliek in reconventie weliswaar aan dat [eiser] de feitelijke macht heeft over de website van SDN en dat [eiser] - naar de rechtbank begrijpt: in praktische zin - niemand anders nodig heeft om een publicatie op de website van SDN te plaatsen of te verwijderen, maar daarmee miskennen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat het feitelijk eigenmachtig kunnen verwijderen van een publicatie niet meebrengt dat [eiser] jegens de rechthebbende gerechtigd is om die publicatie te verwijderen.

3.22 In het provisioneel vonnis van 24 juni 2009 heeft de rechtbank reeds overwogen dat aannemelijk is dat SDN c.s. ter zake van de SDN-website de beschikkingsmacht heeft en dat die beschikkingsmacht niet berust bij een individuele bestuurder van SDN. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] echter hebben - waar dat wel op hun weg lag - nog immer niet toegelicht waarom zij de onderhavige vordering louter jegens [eiser] hebben gericht, daar waar zij eerder ter zake van een door hen onrechtmatig geachte publicatie op de website van SDN - met succes - SDN c.s. in rechte hebben betrokken. Juist waar de vrijheid van meningsuiting in het geding is, is het van belang dat het debat in rechte wordt gevoerd met de partij die in het openbaar verantwoordelijkheid neemt voor de betreffende uiting en die onbetwist bevoegd is de betreffende publicatie ongedaan te maken en die eventueel bevolen kan worden deze op passende wijze te rectificeren. Dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in conventie slechts door [eiser] in rechte zijn betrokken, zodat zij hun reconventionele vorderingen niet tegen SDN c.s., maar slechts tegen [eiser] konden richten, doet hier uiteraard niet aan af.

3.23 De rechtbank voegt aan hetgeen hiervoor is overwogen toe dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onvoldoende belang hebben bij de enkele veroordeling van [eiser]. De door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gevorderde dwangmiddelen - lijfsdwang althans dwangsommen - zijn in deze context namelijk niet toewijsbaar. Weliswaar kan een dwangsom ook worden opgelegd indien iemand de medewerking van derden nodig heeft om aan een bevel te voldoen, maar dat ligt minder in de rede in een geval als het onderhavige waar de eisende partij ook bekend is met die derden en ook hen eenvoudig in rechte had kunnen betrekken.

3.24 Het ligt bovendien niet in de rede [eiser] nog dwangsommen op te leggen, nu uit de eigen stellingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] volgt dat dergelijke dwangsommen niet het beoogde effect zullen hebben. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in dit verband immers aangevoerd dat [eiser] onvermogend is en dat zij jegens [eiser] en anderen (jegens SDN c.s.) reeds aanspraak kunnen maken op een - kennelijk niet verhaalbaar - bedrag aan verbeurde dwangsommen van € 1.401.500 (conclusie van antwoord/eis onder 2.4 en 3.3). Indien op voorhand reeds duidelijk is dat een op te leggen dwangsom niet het rechtens beoogde effect - het vormen van een prikkel tot nakoming van een veroordeling - kan hebben, behoort geen dwangsom te worden opgelegd.

3.25 Omdat een dwangsom in de visie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet het beoogde resultaat kan hebben, vorderen zij primair gijzeling. Een vonnis kan echter slechts uitvoerbaar bij lijfsdwang worden verklaard, indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de schuldeiser toepassing van dat dwangmiddel rechtvaardigt; met andere woorden: lijfsdwang dient als een uiterste middel te worden beschouwd dat slechts in uitzonderlijke situaties behoort te worden toegepast. Hiervoor is reeds overwogen dat in dit geval aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] andere middelen ten dienste staan om de door hen onrechtmatig geachte publicaties van websites te doen verwijderen en/of om die publicaties onrechtmatig te doen verklaren en/of om door hen onrechtmatig geachte publicaties te doen rectificeren. Reeds om die reden zou de rechtbank aan het uitvoerbaar verklaren van een eventuele veroordeling van [eiser] bij lijfsdwang niet toe kunnen komen.

3.26 Ook dit onderdeel van het gevorderde zal, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, worden afgewezen.

ad 3

3.27 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen tevens om [eiser] te veroordelen om elke vorm van verspreiding van de sub 2 genoemde publicaties na te laten. De strekking van dit onderdeel van het gevorderde is de rechtbank niet geheel duidelijk. Onduidelijk is of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het geplaatst zijn van de publicaties op websites aanmerken als een voortdurende vorm van verspreiding door [eiser], dan wel of zij met deze vordering slechts beogen te voorkomen dat [eiser] voor verdere verspreiding zorg draagt, dan wel beide.

3.28 Dat voor verdere verspreiding van de publicaties door [eiser] valt te vrezen, is gesteld noch gebleken. De enkele eventuele vrees van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarvoor rechtvaardigt geen jegens [eiser] uit te spreken veroordeling. Dit onderdeel van de vordering ligt voor het overige in het verlengde van het sub 2 gevorderde en zal om dezelfde reden worden afgewezen.

ad 4

3.29 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen verder [eiser] te veroordelen om zich te onthouden van tekstuele, audiovisuele of andersoortige publicaties van gelijke of vergelijkbare strekking als de sub 2 genoemde publicaties.

3.30 Deze vordering acht de rechtbank onvoldoende concreet. Reeds omdat op voorhand niet is aan te geven welke eventuele toekomstige publicaties "van gelijke of vergelijkbare strekking" zullen zijn als de sub 2 genoemde publicaties. Het op voorhand verbieden van publicaties, waarvan de eventuele onrechtmatigheid niet vooraf kan worden vastgesteld, ligt niet in de rede. Bovendien hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij een dergelijke veroordeling van [eiser] geen reëel belang, nu de in combinatie met die veroordeling gevorderde dwangmiddelen op de hiervoor uiteengezette gronden niet toewijsbaar zijn.

3.31 Ook dit onderdeel van de vordering zal derhalve worden afgewezen.

kostenveroordeling in reconventie

3.32 Nu in reconventie de vorderingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden afgewezen, zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als de in het ongelijk gestelde partij - hoofdelijk - in de kosten van het geding in reconventie worden veroordeeld.

3 De beslissing

De rechtbank,

in conventie:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bepaald op € 254,00 aan vast recht en op € 904,00 aan salaris voor de advocaat;

in reconventie:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] bepaald op € 904,00 aan salaris voor de advocaat, te voldoen aan de griffier van deze rechtbank (rekeningnummer 19 23 25 892, ten name van MvJ Arrondissement Rotterdam [545]), onder vermelding van zaak- en rolnummer.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman.

Uitgesproken in het openbaar.

1729/1990