Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL3217

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
229805 / HA ZA 04-3527
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

incasso advocatendeclaratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 229805 / HA ZA 04-3527

Vonnis van 20 januari 2010

in de zaak van

de maatschap

[eiseres],

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.C. Moree,

tegen

[gedaagde],

wonende te Domaine de Peilhan, Frankrijk,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. P.J. de Bruin.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 oktober 2005 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken

- de akte van 12 april 2006 van [eiseres]

- de akte van 7 november 2007 van [eiseres], tevens bevattende vermeerdering van eis

- de akte van 5 december 2007 van [gedaagde], tevens houdende bezwaar tegen de vermeerdering van eis, met een productie

- de akte van 21 april 2008 van [gedaagde], met producties

- het proces-verbaal van het op 21 april 2008 gehouden pleidooi en de bij gelegenheid van dat pleidooi overgelegde pleitnota van mr. De Bruin

- de akte van 13 mei 2009 van [eiseres]

- de akte van 10 juni 2009 van [gedaagde]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1. Na wijziging van eis vordert [eiseres] om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 28.448,51, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2004 tot aan de dag van de algehele voldoening, alsmede om [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te voldoen een bedrag aan invorderingskosten van € 2.844,85, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening, alsmede [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, de kosten van het beslag daaronder begrepen.

2.2. [gedaagde] maakt bezwaar tegen de vermeerdering van eis. Hij acht deze ongegrond en, voor zover niet ongegrond, onredelijk. De rechtbank is van oordeel dat de wijziging van eis niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De wijziging heeft slechts betrekking op de beslagkosten die in de oorspronkelijke vordering nog niet uitdrukkelijk waren genoemd. Door die wijziging wordt [gedaagde] op generlei wijze in zijn verdediging benadeeld. De bezwaren van [gedaagde] richten zich kennelijk tegen de inhoud van de (gewijzigde) eis. Voor zover die bezwaren gegrond zijn, dient de (gewijzigde) eis echter te worden afgewezen. Dat doet niet af aan de toelaatbaarheid van de eiswijziging. Het bezwaar tegen de wijziging van eis is derhalve ongegrond. De rechtbank zal recht doen op de gewijzigde eis.

2.3. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft de rechtbank afspraken met partijen gemaakt over de verdere procedurele gang van zaken. De achtergrond hiervan was dat de rechtbank en partijen (verdere) procedurele complicaties - zowel in deze instantie als eventueel in hoger beroep - wensten te vermijden. In dat kader is met partijen besproken dat het nog resterende geschil tussen partijen in het bijzonder de hoogte van de declaratie betrof. Met partijen is afgesproken dat de zaak naar de parkeerrol zou worden verwezen opdat partijen ter zake van de begrote declaratie de door de WTBZ voorgeschreven procesgang zouden kunnen volgen. Voorts is afgesproken dat de rechtbank op verzoek van partijen zou kunnen bevorderen dat de rechter die onderhavige zaak in behandeling had ook zou worden betrokken bij de procesgang ingevolge de WTBZ en dat de procedures eventueel (informeel) gevoegd zouden kunnen worden behandeld.

2.4. In het verlengde van de gemaakte procedurele afspraken hebben partijen de procedure ingevolge de WTBZ gevolgd tot en met een beslissing van 16 april 2009 van de voorzieningenrechter in deze rechtbank. Bij die beslissing is tot het bedrag van € 25.224,80 de tenuitvoerlegging bevolen van de beslissing van 5 oktober 2007 van de Raad van Toezicht waarbij begroting heeft plaatsgevonden van het nog niet voldane gedeelte van het door [eiseres] aan [gedaagde] in rekening gebrachte honorarium met verschotten. [gedaagde] heeft (nog) geen verzet tegen die beslissing ingesteld.

2.5. In haar akte van 13 mei 2009 verzoekt [eiseres] de rechtbank om in deze zaak alsnog te beslissen over de gevorderde rente en kosten en ter zake van de gevraagde proces kostenveroordeling. Voorts verzoekt [eiseres] de rechtbank om bij vonnis in deze procedure alsnog een termijn te stellen voor het instellen van verzet tegen de beslissing van de voorzieningenrechter van 16 april 2009.

2.6. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de WTBZ-procedure nog niet is afgerond. Hij kondigt aan dat er verzet zal worden aangetekend tegen de beslissing van de voorzieningenrechter. Zolang in de WTBZ-procedure nog geen eindbeslissing is gegeven, kan zijns inziens deze zaak niet worden voortgezet. Hij wijst erop dat de rechtbank in deze zaak niet bevoegd is om termijnen te stellen in de WTBZ-procedure. Deze zaak dient in zijn visie naar de parkeerrol te worden verwezen in afwachting van de eindbeslissing in de WTBZ-procedure.

2.7. De rechtbank acht het niet mogelijk om in deze zaak alsnog een termijn vast te stellen waarbinnen [gedaagde] in verzet kan komen tegen de beschikking van 16 april 2009 van de voorzieningenrechter. De rechtbank acht het echter onwenselijk dat de mogelijkheid van voortgang in deze procedure door [gedaagde] zou kunnen worden geblokkeerd door in de WTBZ-procedure vooralsnog geen verzet in te stellen, doch aan te geven wel voornemens zijn dat te doen. Dat tegen de beschikking van 16 april 2009 van de voorzieningenrechter verzet kan worden aangetekend, doet er onder deze omstandigheden niet aan af dat in de onderhavige procedure tot uitgangspunt mag worden genomen dat in de WTBZ-procedure een, zij het nog niet onherroepelijke, eindbeslissing tot stand is gekomen.

2.8. Omdat in de WTBZ-procedure slechts is geoordeeld over de vragen op welk bedrag het door [gedaagde] aan [eiseres] verschuldigde nader diende te worden vastgesteld en tot welk bedrag de tenuitvoerlegging van de beslissing van 5 oktober 2007 van de Raad van Toezicht diende te worden bevolen, brengt een redelijke wettoepassing mee dat in deze procedure alsnog dient te worden beslist omtrent de nevenvorderingen.

2.9. Niet betwist is dat op de rechtsverhouding tussen partijen de bij dagvaarding overgelegde algemene voorwaarden van [eiseres] van toepassing zijn. Nu gesteld noch gebleken is dat partijen over de inhoud van die algemene voorwaarden met elkaar hebben gesproken, gaat de rechtbank ervan uit dat dit niet het geval is geweest.

2.10. Op basis van artikel 12 van de algemene voorwaarden maakt [eiseres] aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 28 april 2004. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] deze bepaling anders heeft kunnen begrijpen dan dat hij bij gebreke van betaling vanaf 14 dagen na de datum van de factuur een vertragingsrente over het bedrag van de factuur verschuldigd zou zijn gelijk aan de wettelijke rente. De wettelijke rente over het bedrag van € 25.224,80 zal in overeenstemming met de vordering worden toegewezen vanaf 28 april 2008. De toegewezen hoofdsom betreft immers bedragen die (meer dan) 14 dagen voor 28 april 2004 aan [gedaagde] in rekening zijn gebracht.

2.11. Op basis van artikel 13 van de algemene voorwaarden maakt [eiseres] aanspraak op vergoeding van "de kosten van de invordering", "welke kosten gesteld worden op minimaal 10% het bedrag van de openstaande declaratie(s)". Uitgaande van voornoemd bedrag van € 25.224,80 beloopt deze vordering een bedrag van € 2.522,48. Artikel 13 vermeldt dat indien [eiseres] invorderingsmaatregelen treft tegen de cliënt die in verzuim is, de kosten van de invordering ten laste van de cliënt komen, welke kosten gesteld worden op minimaal 10% van het bedrag van de openstaande declaratie(s).

2.12. Artikel 13 van de algemene voorwaarden maakt geen onderscheid tussen invorderingskosten die buiten rechte zijn gemaakt en invorderingskosten die in rechte zijn gemaakt, noch tussen proceskosten en redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte waarop de regels betreffende proceskosten niet van toepassing zijn. Partijen zijn niet ingegaan op de uitleg van deze bepaling. De rechtbank is van oordeel dat cliënten van [eiseres] deze bepaling bij gebreke van een toelichting zo zullen uitleggen dat zij ter zake van kosten van invordering 10% van de hoofdsom aan [eiseres] verschuldigd zijn, behoudens indien [eiseres] kunnen aantonen dat de in rechte voor vergoeding in aanmerking komende kosten een hoger totaalbedrag opleveren dan 10% van de hoofdsom. Onder "de kosten van de invordering" zijn dan begrepen zowel de redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, als de beslagkosten en de overige proceskosten. Zo uitgelegd is het beding niet zonder meer onredelijk te achten.

2.13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank ter zake van de totale kosten van invordering een niet nader gespecificeerd bedrag van € 2.522,48 toewijzen. Dit bedrag zal in overeenstemming met de vordering worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding. Voor matiging van deze kosten van invordering acht de rechtbank geen grond aanwezig. Gelet op de omvang van de proceskosten inclusief de beslagkosten acht de rechtbank de omvang van de bedongen vergoeding in dit geval niet onredelijk.

2.14. Naast de toewijzing van "de kosten van de invordering" is er voor een aparte veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure inclusief de beslagkosten geen plaats; immers, de aan de zijde van [eiseres] gevallen kosten van de procedure in conventie worden geacht te zijn begrepen in het toe te wijzen bedongen totaalbedrag aan invorderingskosten.

in reconventie

2.15. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij bij tussenvonnis van 12 oktober 2005 - onder 3.11 en 3.12 - reeds heeft overwogen.

2.16. Beoordeeld dient te worden of [eiseres] onrechtmatig handelt door het dossier [gedaagde]/AXA onder zich te houden met een beroep op retentierecht. Dat [eiseres] retentierecht heeft, is niet in geschil. In geschil is slechts of zij daarop jegens [gedaagde], gelet op de wederzijdse belangen, een beroep mag doen.

2.17. Ter zitting van 21 april 2008 heeft de huidige advocaat van [gedaagde] desgevraagd bevestigd dat hij denkt te beschikken over een volledig dossier [gedaagde]/AXA. Hij wenste dat echter nog te verifiëren. Vervolgens heeft in het kader van de WTBZ-procedure - de advocaat van - [gedaagde] het dossier van [eiseres] mogen inzien. [gedaagde] heeft daarbij kunnen verifiëren dat hij beschikt over afschriften van de van belang zijnde correspondentie en stukken.

2.18. Nu [gedaagde] heeft kunnen verifiëren dat hij beschikt over afschriften van de relevante correspondentie en stukken uit het dossier [gedaagde]/AXA, levert het beroep van [eiseres] op haar retentierecht geen belemmering op voor [gedaagde] om zijn belangen in het letselschadegeschil tegen AXA adequaat te laten behartigen.

2.19. [eiseres] heeft een gerechtvaardigd belang bij het beroep op retentierecht, gelet op het niet voldaan zijn van haar declaratie voor in opdracht van [gedaagde] verrichte advocatenwerkzaamheden. Een zwaarwegend belang van [gedaagde] om niettemin in het bezit te worden gesteld van het dossier [gedaagde]/AXA is gesteld noch gebleken. [eiseres] handelt derhalve niet in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt door het dossier niet aan [gedaagde] af te geven.

2.20. De slotsom is dat de vorderingen in reconventie dienen te worden afgewezen. [gedaagde] zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. verstaat dat omtrent de door [eiseres] gevorderde hoofdsom reeds is beslist in het kader van de tussen partijen gevoerde WTBZ-procedure,

3.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het bedrag van € 25.224,80 vanaf 28 april 2004 tot de dag van volledige betaling,

3.3. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen de kosten van de invordering ten bedrage van € 2.522,48, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW daarover vanaf 6 september 2004 tot de dag van volledige betaling,

3.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.6. wijst de vorderingen af,

3.7. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 452,00,

3.8. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2010.?

1729/204