Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL1963

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-01-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
AWB 08/2923 AW en 09/796 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In het bestreden besluit I is het bezwaar gegrond verklaard en aan de bezwaren van eiseres is derhalve tegemoetgekomen. Eiseres belang heeft geen bij het beroep tegen het bestreden besluit I. Het beroep tegen dat besluit is niet-ontvankelijk. Verweerder heeft ter zitting erkend dat zowel de schriftelijke berisping als het overplaatsingsbesluit, met daarin het oordeel dat eiseres ongeschikt is voor een coördinerende functie, onderdeel zullen blijven uitmaken van haar personeelsdossier. Ter zitting heeft eiseres onweersproken gesteld dat zij bij verweerder heeft getracht haar baan terug te krijgen. Nu aannemelijk is dat de schriftelijke berisping en het oordeel dat eiseres ongeschikt is voor een functie met coördinerende taken hiervoor een belemmering kunnen vormen, is de rechtbank van oordeel dat eiseres belang heeft bij haar beroep tegen het bestreden besluit II, ook al is terugkeer naar de oude functie door het ontslag op zich niet meer aan de orde. Het beroep tegen dat besluit is ontvankelijk.

Eiseres had om dezelfde reden belang bij de beoordeling van haar bezwaar tegen het overplaatsingsbesluit. Het bezwaar is in zoverre dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en het beroep is in zoverre gegrond. In het bestreden besluit is ten onrechte niet inhoudelijk ingegaan op de bezwaren van eiseres. De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen in stand blijven. Verweerder zal in een nieuw te nemen besluit op bezwaar dan ook alsnog dienen in te gaan op de bezwaren van eiseres.

Uit de samenvattingen van de verklaringen van de collega’s van eiseres, waarvan sommige op belangrijke punten met elkaar overeenkomen, kan geconcludeerd worden dat eiseres zich in het bijzijn van haar collega’s meerdere malen heeft laten verleiden tot het vertonen van seksueel getint gedrag. Daarmee heeft eiseres gedaan wat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten. Zij heeft zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, dat aan haar kan worden toegerekend. Voorts is de opgelegde straf evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Hoewel het onderzoek geruime tijd in beslag heeft genomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat dit onderzoek dermate lang heeft geduurd, dat verweerder had moeten afzien van de schriftelijke berisping. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nrs.: AWB 08/2923 AW en 09/796 AW

Uitspraak in het geding tussen

[naam], wonende te [plaats], eiseres,

gemachtigde mr. M.H.G. in de Braekt, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand

en

de Korpsbeheerder van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

1 Bij besluit van 16 november 2007 heeft verweerder het aan eiseres verleende buitengewoon verlof ingetrokken en haar met ingang van 13 november 2007 belast met werkzaamheden bij [politieonderdeel]. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 20 december 2007 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 9 juni 2008 heeft verweerder het bezwaar, voor zover gericht tegen het opdragen van de werkzaamheden bij [politieonderdeel], gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit I) heeft eiseres bij brief van 16 juli 2008 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder AWB 08/2923 AW.

2 Bij besluit van 9 juni 2008 heeft verweerder aan eiseres de straf van een schriftelijke berisping opgelegd en haar geplaatst bij [politieonderdeel], in de functie van [functie]. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 16 juli 2008 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 januari 2009 heeft verweerder het bezwaar gericht tegen de overplaatsing niet-ontvankelijk en het bezwaar gericht tegen het opleggen van de disciplinaire straf ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit II) heeft eiseres bij brief van 6 maart 2009 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder AWB 09/796 AW.

3 Verweerder heeft bij separate brieven van 9 november 2009 verweerschriften ingediend.

4 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2009. Aanwezig waren eiseres en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren.

2 Overwegingen

1 Met ingang van 1 december 2008 is eiseres op haar verzoek ontslag verleend. De rechtbank ziet zich, mede gelet hierop, allereerst gesteld voor de vraag of eiseres belang heeft bij de ingestelde beroepen en overweegt daartoe als volgt.

Bij besluit van 16 november 2007 zijn eiseres werkzaamheden opgedragen bij [politieonderdeel], onder intrekking van het verleende bijzonder verlof. De rechtbank stelt vast dat het beroep geregistreerd onder AWB 08/2923 AW enkel is gericht tegen het bestreden besluit I, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen het opdragen van de werkzaamheden bij [politieonderdeel]. In het bestreden besluit I is dat bezwaar echter gegrond verklaard en aan de bezwaren van eiseres is derhalve tegemoetgekomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres geen belang heeft bij het beroep tegen het bestreden besluit I. Het beroep geregistreerd onder AWB 08/2923 AW is niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van het bestreden besluit II stelt de rechtbank vast dat de feitencomplexen waarop de disciplinaire maatregel en de overplaatsing naar [politieonderdeel] zijn gebaseerd in belangrijke mate samenhangen. Verweerder heeft ter zitting bovendien erkend dat zowel de schriftelijke berisping als het overplaatsingsbesluit, met daarin het oordeel dat eiseres ongeschikt is voor een coördinerende functie, onderdeel zullen blijven uitmaken van haar personeelsdossier. Zoals de Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld in de uitspraken van 30 december 2004 (LJN AR8767) en 15 oktober 2009 (LJN BK1827), kan het verlangen naar eerherstel procesbelang opleveren, ook indien het dienstverband inmiddels is geëindigd. De rechtbank vermag niet in te zien dat dit anders zou zijn in het geval waarin het dienstverband op eigen verzoek van de ambtenaar is geëindigd. Voorts kan eiseres, zoals de Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld in de uitspraak van 24 december 2009 (LJN BK8782), uitsluitend op die wijze - eventueel - antwoord krijgen op de vraag of door de berisping en het overplaatsingsbesluit in het verleden (al dan niet rechtmatig) inbreuk is gemaakt op haar rechtspositie, en acht de Centrale Raad van Beroep dat voldoende om procesbelang aan te nemen. Ter zitting heeft eiseres onweersproken gesteld dat zij bij verweerder heeft getracht haar baan terug te krijgen. Nu aannemelijk is dat de schriftelijke berisping en het oordeel dat eiseres ongeschikt is voor een functie met coördinerende taken hiervoor een belemmering kunnen vormen, is de rechtbank van oordeel dat eiseres belang heeft bij haar beroep tegen het bestreden besluit II, ook al is terugkeer naar de oude functie door het ontslag op zich niet meer aan de orde. Het beroep geregistreerd onder AWB 09/796 AW is ontvankelijk.

2.1 Ingevolge artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) is de ambtenaar, indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, verplicht zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied uit te oefenen of, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, een andere functie dan die waarin hij is aangesteld, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.

2.2 Ingevolge artikel 76, eerste lid, van het Barp kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

2.3 Ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder a, van het Barp kan bij wijze van straf een schriftelijke berisping worden opgelegd.

3 De rechtbank oordeelt als volgt.

3.1 Ten aanzien van het bestreden besluit II, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar

tegen het overplaatsingsbesluit, overweegt de rechtbank als volgt.

3.1.1 Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat eiseres - gezien de beëindiging van haar aanstelling - geen belang had bij haar bezwaar tegen het overplaatsingsbesluit. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen zij heeft overwogen ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep geregistreerd onder AWB 09/796 AW; eiseres had om dezelfde reden belang bij de beoordeling van haar bezwaar tegen het overplaatsingsbesluit. Het bezwaar is in zoverre dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

3.1.2 Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke motivering en komt, vanwege strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet evenwel aanleiding te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het ten dele vernietigde besluit op de voet van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen blijven.

3.1.3 De rechtbank stelt vast dat verweerder in het primaire besluit van 9 juni 2008 heeft overwogen dat hij eiseres op dat moment niet geschikt acht om een coördinerende rol te vervullen. In het bestreden besluit is echter – zoals blijkt uit het voorgaande – ten onrechte niet inhoudelijk ingegaan op de bezwaren van eiseres. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen in stand blijven. Verweerder zal in een nieuw te nemen besluit op bezwaar dan ook alsnog dienen in te gaan op de bezwaren van eiseres.

3.2 Ten aanzien van het bestreden besluit II, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar

tegen het opleggen van de disciplinaire maatregel, overweegt de rechtbank als volgt.

3.2.1 Het verwijt dat eiseres wordt gemaakt is dat zij in het bijzijn van collega’s onzedelijk gedrag heeft vertoond en dat zij de pet van een collega onder de wielen van een passerende bus heeft gegooid. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op een onderzoeksrapport van 3 oktober 2007 waarin een zakelijke weergave is opgenomen van de processen-verbaal van de verhoren van een negental collega’s van eiseres. Het eerst ter zitting gedane verzoek van eiseres om verweerder de uitgewerkte processen-verbaal van de verhoren over te laten leggen, acht de rechtbank in strijd met de beginselen van een goede procesorde en wordt om die reden afgewezen.

3.2.2 Uit de samenvattingen van de verklaringen van de collega’s van eiseres, waarvan sommige op belangrijke punten met elkaar overeenkomen, kan geconcludeerd worden dat eiseres zich in het bijzijn van haar collega’s meerdere malen heeft laten verleiden tot het vertonen van seksueel getint gedrag. De enkele ontkenning van eiseres dat zij dit niet heeft gedaan acht de rechtbank onvoldoende voor een andersluidend oordeel. De stelling van verweerder dat eiseres de pet van een collega onder de wielen van een passerende bus heeft gegooid, heeft eiseres niet ontkend.

3.2.3 Met de hiervoor vastgestelde gedragingen heeft eiseres gedaan wat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten. Zij heeft zich dus schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Evenals verweerder is de rechtbank niet gebleken dat dit plichtsverzuim niet aan eiseres kan worden toegerekend. Dat één en ander, zoals eiseres ter zitting heeft betoogd, moet worden bezien in het licht van de cultuur die op haar afdeling heerste, neemt niet weg dat zij een eigen verantwoordelijkheid heeft voor haar grensoverschrijdend gedrag.

3.2.4 Voorts is de opgelegde straf evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep moet de tijd die is verstreken tussen het bekend worden van mogelijk plichtsverzuim en de oplegging van de disciplinaire sanctie in beschouwing worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de straf. Hoewel verweerder erkent dat het onderzoek geruime tijd in beslag heeft genomen, bestaat - anders dan de Bezwaarschriftencommissie heeft geoordeeld - geen grond voor het oordeel dat dit onderzoek dermate lang heeft geduurd, dat verweerder had moeten afzien van de schriftelijke berisping. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 april 2004 (LJN AO9343), waarin de opgelegde straf niet onevenredig werd geacht, terwijl het onderzoek langer in beslag genomen had dan in het geval van eiseres en waarin, evenals bij eiseres, sprake was van een lange staat van dienst.

3.2.5 In hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd bestaat derhalve geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder had moeten afzien van de schriftelijke berisping. Het beroep is in zoverre ongegrond.

3.3 De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep met kenmerk AWB 09/796 AW tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals dit luidde ten tijde van het instellen van het beroep, vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1). Voor een veroordeling in de overige proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep met kenmerk AWB 08/2923 AW niet-ontvankelijk;

2 verklaart het beroep met kenmerk AWB 09/796 AW, voor zover gericht tegen de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar tegen het overplaatsingsbesluit, gegrond;

3 vernietigt het besluit van 29 januari 2009 in zoverre;

4 bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

5 verklaart het beroep met kenmerk AWB 09/796 AW voor het overige ongegrond;

6 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,-;

7 bepaalt dat verweerder aan eiseres het voor het beroep met kenmerk AWB 09/796 AW betaalde griffierecht van € 145,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. J. de Gans, voorzitter, en mr. H. van den Heuvel en

mr. E.A. Poppe-Gielesen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 28 januari 2010.

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.