Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL1920

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
10/750155-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Rotterdam Promis.

De verdachte heeft samen met een ander per zeeschip een container met een deklading cassave en pomtayer met daarin verstopt een hoeveelheid cocaïne vanuit Suriname in Nederland gebracht.

Het feit dat het netto gewicht van de in de deklading cassave aangetroffen partij cocaïne niet is vastgesteld en inmiddels niet meer kan worden vastgesteld door vernietiging van het geheel, betreft een omissie die als een tekortkoming van de zijde van het openbaar ministerie kan worden beschouwd. De rechtbank is echter niet gebleken dat door deze tekortkoming sprake is geweest van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt - als zijnde een te vergaande sanctie - dan ook verworpen. Echter, aan deze tekortkoming dienen naar het oordeel van de rechtbank wel consequenties te worden verbonden. Bij een eventueel op te leggen straf zal deze tekortkoming derhalve tot uitdrukking worden gebracht in de bewezenverklaring - in die zin dat de rechtbank verdachte (partieel) zal vrijspreken van het exacte aantal ten laste gelegde kilo’s cocaïne - en in de strafmaat.

De douanebeambten waren ingevolge artikel 8j van de Opiumwet juncto artikel 5:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd de container aan een eerste onderzoek te onderwerpen. Hierbij is van belang dat de Hoge Raad in zijn arrest van 2 oktober 2007, NJ 2007, 645 heeft bepaald dat voor de in artikel 8j bedoelde controlebevoegdheid niet is vereist dat er sprake is van een verdenking ter zake van enig strafbaar feit. Na het eerste onderzoek aan de container is op 3 juli 2009 besloten om de container aan een nader onderzoek te onderwerpen op grond van artikel 9 Opiumwet. I.c. bestond er een redelijke verdenking dat sprake was van overtreding van de Opiumwet. De container met inhoud was vatbaar voor inbeslagneming en de douanebeambten waren dan ook bevoegd om op grond van artikel 9 Opiumwet de container in beslag te nemen en op de aanwezigheid van verdovende middelen te onderzoeken op de wijze waarop zij daar in het onderhavige geval uitvoering aan hebben gegeven.

Veroordeelt de verdachte - ook voor betrokkenheid bij twee andere transporten - tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 (vijf) jaar.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Opiumwet 10a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: [ ]

Datum uitspraak: 2 februari 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[ ],

geboren op [ ] te [ ],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [ ] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [ ],

raadsman mr. R. Herregodts, advocaat te Breda.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Ekiz heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest.

VASTSTAANDE FEITEN

Van het volgende wordt uitgegaan .

Op 1 juli 2009 heeft de douane een vriescontainer met nummer CGMU 297448-1, gearriveerd op 27 juni 2009 in de haven van Rotterdam , geselecteerd voor controle (feit 1 en 2).

Het betrof een container met pomtayer uit Suriname bestemd voor de verdachte [ ] op het adres [ ]. De douane was voornemens om deze container te controleren, gezien de herkomst Suriname en het gegeven dat de afzender van de zending pomtayer (Avik Export (Gajadin Aniel), Suzettestraat nr. 25, Paramaribo) niet bekend was in Nederland.

De ontvanger van de zending pomtayer, de verdachte [ ], was ambtshalve bekend uit een eerder onderzoek in september 2007 waarbij 191 kilogram cocaïne in beslag was genomen. Deze hoeveelheid cocaïne was naar Nederland verzonden vanuit Peru met als afzender Operaciones Comerciales E&F S.A.C.

Uit onderzoek bleek dat Operaciones Comerciales E&F S.A.C. in de periode 2006 tot en met 2008 twee keer eerder afzender was van containers met paprikapoeder, die respectievelijk in november 2006 (feit 3 en 4) en in juli 2007 (feit 5 en 6) bestemd waren voor een eenmanszaak met de handelsnaam [ ], gevestigd te [ ] , welke onderneming volgens het Handelsregister van de Kamer van Koophandel wordt gedreven voor rekening van de verdachte .

Op 1 juli 2009 is een onderzoek ingesteld naar de container waarbij een speurhond is ingezet. De container is gelost en de lading is steekproefsgewijs gescand. Deze controle leverde geen bijzonderheden op. Wel was het de douanebeambten opgevallen dat de verpakking van de in de container geladen lading niet echt professioneel was. Met name was opgevallen dat de diepgevroren gemalen pomtayer en diepgevroren gemalen cassave verpakt zat in één en dezelfde soort plasticzak . Op de zakken met cassave was het woord pomtayer weggeveegd dan wel vervangen door het handgeschreven woord " cassave ". Ook was op menig plasticzak het telefoonnummer 08757714 in juiste volgorde in spiegelschrift afgedrukt .

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden werd op 3 juli 2009 besloten om container CGMU 2974481 aan een nader onderzoek te onderwerpen .

Op 8 juli 2009 is de container overgebracht naar vrieshuis Eurofrigo te Rotterdam. Hier is de container in zijn geheel gelost. Vervolgens is men de dozen gaan scannen en is de lading van de dozen onderzocht. Bij het openen van een doos met als inhoud pakken met geraspte cassave werd een sterke knoflooklucht waargenomen. Hierna werd een pakket uit voornoemde doos kapot geslagen en een kleine hoeveelheid "cassave" getest middels de narcotest disposakit, testbuis 13 bestemt voor het testen van cocaïne. Dit buisje kleurde blauw hetgeen een indicatie is voor de aanwezigheid van cocaïne. Hierna werd door de speurhonden een onderzoek ingesteld bij de aangetroffen doos. Een tweetal honden gaf een positieve reactie bij voornoemde doos. Op de positieve doos stond op de lange zijde met zwarte viltstift het onderschift Sur. Ned. G.C. geschreven. Bij de andere dozen stond ook de aanduiding Sur en Ned, maar daar tussen een streepje dan wel een streepje met een puntje . Diezelfde dag heeft een zoekslag plaatsgevonden naar andere dozen met het opschrift Sur.Ned. G.C. In totaal werd een viertal dozen aangetroffen, die positief getest werden op de stof cocaïne. Vastgesteld werd dat het ging om een partij van bruto 62,5 kilogram cocaïne .

Na monstername werden de zakken waarin de vier monsters waren gedaan voorzien van een uniek Sinnnummer en voor nader onderzoek aangeboden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) te Den Haag .

Op 17 juli 2009 werd door het NFI middels een viertal rapporten bericht dat al de onderzochte monsters cocaïne bevatten .

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Door de raadsman is aangevoerd dat de officier van justitie ten aanzien van feit 1 niet ontvankelijk is in de vervolging, omdat - kort samengevat - het netto gewicht van de in de cassave aangetroffen cocaïne niet is vastgesteld en thans niet meer kan worden vastgesteld, nu de partij cocaïne grotendeels is vernietigd .

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Het feit dat het netto gewicht van de in de deklading cassave aangetroffen partij cocaïne niet is vastgesteld en inmiddels, wegens vernietiging van vrijwel de gehele partij cocaïne, niet meer kan worden vastgesteld, betreft een omissie in het dossier die als een tekortkoming van de zijde van het openbaar ministerie kan worden beschouwd. De rechtbank is echter niet gebleken dat door deze tekortkoming sprake is geweest van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt - als zijnde een te vergaande sanctie - dan ook verworpen. Echter, aan deze tekortkoming dienen naar het oordeel van de rechtbank wel consequenties te worden verbonden. Bij een eventueel op te leggen straf zal deze tekortkoming derhalve tot uitdrukking worden gebracht in de bewezenverklaring - in die zin dat de rechtbank verdachte (partieel) zal vrijspreken van het exacte aantal ten laste gelegde kilo’s cocaïne - en in de strafmaat.

RECHTMATIGHEID OPSPORING/DOORZOEKING DOOR DE DOUANEBEAMBTEN

Voorts heeft de raadsman - zoals verwoord in zijn pleitnotitie op pagina 2 tot en met 5 - kort samengevat bepleit dat de wijze waarop door de douanebeambten in de zeecontainer naar verdovende middelen is gezocht, als een opsporingshandeling (doorzoeking ex artikel 96c van het Wetboek van Strafvordering) dient te worden aangemerkt, waartoe de douane geen wettelijke bevoegdheid heeft. Nu er bovendien onvoldoende grond was voor een verdenking in het kader van een overtreding van de Opiumwet, heeft de doorzoeking niet alleen onbevoegd maar ook zonder wettelijke grondslag plaatsgevonden. Deze omstandigheden leveren volgens de raadsman een vormverzuim op ingevolge artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering zodat de resultaten van de doorzoeking - te weten de aangetroffen cocaïne, de verklaringen van de verdachte en de resultaten van de nadien plaatsgevonden doorzoekingen in de woning van de verdachte en in de loods - niet tot het bewijs mogen worden gebezigd.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Op 1 juli 2009 heeft een eerste onderzoek plaatsgevonden naar de container. De douanebeambten waren hier ingevolge artikel 8j van de Opiumwet juncto artikel 5:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht toe bevoegd. Hierbij is van belang dat de Hoge Raad in zijn arrest van 2 oktober 2007, NJ 2007, 645 heeft bepaald dat voor de in artikel 8j bedoelde controlebevoegdheid niet is vereist dat er sprake is van een verdenking ter zake van enig strafbaar feit. Na het eerste onderzoek aan de container is op 3 juli 2009 besloten om de container aan een nader onderzoek te onderwerpen op grond van artikel 9 Opiumwet. Dit gelet op de omstandigheden dat:

• de ontvanger, de verdachte [ ], respectievelijk in november 2006 en in juli 2007 goederen, te weten paprikapoeder, heeft ontvangen van een afzender, te weten Operaciones Comerciales E&F S.A.C., die in september 2007 betrokken was bij de smokkel van cocaïne;

• de verzender van de huidige container bij de douane niet eerder was gezien;

• deze container op 27 juni 2009 in Nederland was aangekomen. Het betrof hier een vriescontainer met bederfelijke waren, waarvoor zich tot de dag van vrijdag 3 juli 2009 nog steeds niemand had gemeld;

• het op de Bill of Lading vermelde telefoonnummer van de verdachte [ ], te weten 0365345408 niet operationeel was. Het nummer was niet in gebruik;

• bij nazien in de systemen van de Belastingdienst naar voren kwam dat de verdachte [ ] in de periode 2006 tot en met heden geen enkel inkomen gegenereerd heeft en hij voor zijn onderneming [ ] voor de omzetbelasting nihil-aangiften heeft gedaan .

Gelet op deze feiten en omstandigheden - alsmede gezien de niet-professionele wijze van verpakking van de lading - bestond er een redelijke verdenking dat sprake was van overtreding van de Opiumwet. De container met inhoud was vatbaar voor inbeslagneming en de douanebeambten waren dan ook bevoegd om op grond van artikel 9 Opiumwet de container in beslag te nemen en op de aanwezigheid van verdovende middelen te onderzoeken op de wijze waarop zij daar in het onderhavige geval uitvoering aan hebben gegeven.

VORDEREN OVERIGE GEGEVENS EX ARTIKEL 126ND WETBOEK VAN STRAFVORDRING

Tevens is door de raadsman aangevoerd dat in het onderzoek meerdere malen door de officier van justitie mondeling vorderingen ex artikel 126nd Wetboek van Strafvordering zijn gedaan, maar dat uit de inhoud van het dossier niet blijkt dat deze vorderingen achteraf eveneens op schrift zijn gesteld en aan de verstrekkers van de gegevens zijn verzonden. Dit maakt de vorderingen onrechtmatig en al de gegevens die door deze vorderingen zijn verkregen dienen van het bewijs te worden uitgesloten, aldus de raadsman.

Dit verweer wordt verworpen, nu de schriftelijke vorderingen ex artikel 126nd Wetboek van Strafvordering wel degelijk onderdeel uitmaken van het dossier. Deze bevinden zich bij de “Stukken Bijzondere Opsporingsbevoegdheden”.

MOTIVERING VRIJSPRAAK FEIT 3 EN 5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank (ook) de feiten 3 en 5 wettig en overtuigend bewezen zal verklaren. De officier van justitie baseert zich daarbij op het feit dat de betrokkenen bij de transporten in 2006 en 2007 dezelfde personen zijn als bij het transport in 2009, de modus operandi dezelfde is, de verzender van de containers met paprikapoeder, te weten Operaciones Comerciales E&F S.A.C, eerder betrokken is geweest bij de smokkel van 191 kilogram cocaïne en ten slotte de eigen verklaring van de verdachte, inhoudende dat zijn onderneming [ ] uitsluitend in het leven is geroepen om drugs te smokkelen.

Tevens heeft de officier van justitie in dit verband gewezen op het arrest van het Hof Amsterdam van 15 augustus 2002, LJN AE7955, waarin - aldus de officier van justitie - is aanvaard dat voor een bewezenverklaring van een Opiumwetdelict, inbeslagname van verdovende middelen geen voorwaarde is.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit - zoals verwoord in zijn pleitnota op pagina 5 en 6 - dat de verdachte van de feiten 3 en 5 dient te worden vrijgesproken aangezien de eigen verklaring van de verdachte het enige bewijsmiddel is, hetgeen onvoldoende is om wettig en overtuigend bewezen te achten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de invoer van cocaïne.

Als volgt wordt overwogen

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de periode van 13 november 2006 tot en met 30 november 2006 alsmede in de periode van 6 juli 2007 tot en met 19 juli 2007 heeft schuldig gemaakt aan de invoer van cocaïne. Weliswaar leveren de door de officier van justitie genoemde feiten en omstandigheden sterke aanwijzingen op voor betrokkenheid van de verdachte bij de import van cocaïne in voormelde perioden, maar de rechtbank kent doorslaggevende betekenis toe aan het feit dat bij beide transporten op geen enkele wijze is vastgesteld dat zich in de containers met paprikapoeder tevens cocaïne bevond. Evengoed kan sprake zijn geweest van proefzendingen – zoals de verdachte ten aanzien van één zending later zegt te hebben vernomen – of van zendingen met andere smokkelwaar dan cocaïne. Immers, dat cocaïne is ingevoerd kan enkel blijken uit de (wisselende) verklaringen van de verdachte, die zich hierbij niet op eigen wetenschap baseert maar op wat anderen hem hebben verteld.

Een vergelijking met het voormelde arrest waarnaar de officier van justitie heeft verwezen gaat niet op, aangezien de casus in dat arrest een andere betrof. In voornoemd arrest achtte het Hof, ondanks dat geen cocaïne was aangetroffen, wettig en overtuigend bewezen dat cocaïne was ingevoerd, nu niet aannemelijk was geworden dat die groep zich ook had beziggehouden met de invoer van iets anders dan cocaïne. Echter, in dit geval is sprake van één aantoonbare invoer van cocaïne. Het zou te ver gaan om daaruit met zekerheid vast te stellen dat in het verleden ook sprake geweest moet zijn van cocaïnetransporten. Het dossier bevat in dat verband te weinig informatie over de organisatie van en achter deze transporten.

Gezien het vorenstaande dient de verdachte van de feiten 3 en 5 te worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING TEN AANZIEN VAN FEIT 1 EN 2

De bekennende verklaringen van de verdachte

De verdachte heeft bekend dat hij wist dat in de voor hem bestemde container met bevroren pomtayer en cassave, afkomstig uit Suriname, een hoeveelheid cocaïne zou meekomen, welke bestemd was voor anderen. De verdachte was voor zijn medewerking bij deze smokkel een beloning toegezegd van € 10.000 . De verdachte diende ervoor te zorgen dat deze zending bij de douane werd vrijgemaakt en naar een vrieshuis zou worden gebracht, alwaar de cocaïne uit de zending zou worden verwijderd .

De verdachte is bij de smokkel van cocaïne betrokken geraakt doordat hij door iemand werd benaderd met de vraag of hij op een gemakkelijke wijze geld wilde gaan verdienen door op diens kosten een eenmanszaak op te richten met als doelstelling im- en export van exotische vruchten en etenswaren. De verdachte wist dat er ook cocaïne als bijpak gesmokkeld zou worden. Vervolgens heeft de verdachte [ ], gevestigd te [ ], bij de Kamer van Koophandel als zijn eenmanszaak laten inschrijven. Op genoemd adres is een loods gesitueerd en ene Greg gaf hem maandelijks geld voor de huur van deze loods .

Op enig moment heeft de verdachte op zijn emailaccount [ ] een navraag vanuit Suriname ontvangen of hij wilde bevestigen dat hij belangstelling had voor de aankoop van een partij pomtayer cassave, hetgeen hij heeft gedaan. Vervolgens heeft de verdachte een reactie terug gekregen waaruit bleek wanneer de verscheping zou plaatsvinden en dat de op de zending en verscheping betrekking hebbende bescheiden per koerier aan hem zouden worden toegezonden. Na ontvangst van deze bescheiden heeft de verdachte contact opgenomen met het cargadoorsbedrijf Cleve & Zonen B.V. te Rotterdam met het verzoek de zending voor hem bij de douane vrij te maken . De verdachte heeft de kosten voor het vrijmaken van de container aan Cleve & Zonen B.V. voldaan.

De verdachte heeft verklaard dat hij met de man die hij in zijn verklaring Greg noemt, [ ] bedoelt . [ ] had hem verzekerd dat hij zich aangaande de vrijmaking van de zending door de douane geen zorgen hoefde te maken, omdat de gesmokkelde cocaïne goed was gemaskeerd en verstopt waardoor het onvindbaar zou zijn. [ ] zou hem nog vertellen hoe en op welke wijze hij de foute dozen uit de zending kon halen en dat hij ervan uitging dat de foute dozen op enigerlei wijze gemerkt zouden zijn .

Inbeslagname en nader onderzoek dossier Cleve & Zonen B.V.

Op 10 juli 2009 werd telefonisch informatie ontvangen van het cargadoorsbedrijf CMA CGM (Holland) B.V., inhoudende dat de scheepvaartonderneming Cleve & Zonen B.V. te Rotterdam zich bij hun namens een klant had gemeld voor de afhandeling van voormelde container .

Diezelfde dag werd bij Cleve & Zonen B.V. een dossier betreffende container CGMU 2974481 in beslag genomen . In dit dossier betreffende voormelde container werd het volgende aangetroffen :

- een dossieromslag genummerd 7009093 met daarop de handgeschreven aantekeningen: "de verdachte [ ] met telefoonnummer [ ] en emailadres [ ], "Frigogroep levering Nieuw Vennep, IJweg 1635, 2151MR Nieuw Vennep 12.00 uur, ctc Alex Dol" .

- Bill of Lading nummer SR1251309 d.d. 10 juni 2009 met de volgende gegevens: Shipper Avik Export (Gayadin Aniel), Suzettestraat nr 25 Paramaribo Suriname, Tel. 597 8757714 Paramaribo, Consignee/notify: [ ] te [ ] Tel. [ ] Nederland. Goederen: 198 ctns block cassave-3168 kg, 308 cnts grate cassave-5852 kg, 117 cnts grate pomtayer-2223 kg .

- Factuur van Avik-Export nummer 00276 (c.i.f.), geen datum en geen geadresseerde, betreffende container CGMU 297448-1 voor 198 cnts cassaveblokjes, 308 cnts geraspte cassave en 117 cnts geraspte pomtayer. Het totaalbedrag van de factuur is 13185,18 euro .

- Een phytosanitary certificate nummer PB-06043 d.d. 05 juni 2009 betreffende exporteur Aniel Gayadien, Suzettestraat 25 Paramaribo Suriname en consignee [ ] .

- Afrekening van Cleve & Zonen B.V. aan [ ] d.d. 08-07-2009 betreffende de afhandeling van container CGMU 297448-1 voor een totaalbedrag van 2382,48 euro .

- Toestemming tot wegvoering van container CGMU 297448-1 uit het systeem Sagitta van de Douane d.d. 10-07-2009, aangifte IM4 nummer 0076.16.120/0009 20091952 .

- Ongedateerde aanvraag voor een certificaat voor de invoer van 2106 kgs pomtayer op naam van [ ] aan het productschap Akkerbouw . - ongedateerde aanvraag voor een certificaat voor de invoer van 8514 kgs

cassave op naam van [ ] aan het productschap Akkerbouw . - Brief van het productschap Akkerbouw d.d. 6 juli 2009 aan [ ] met

een vraag om nadere (Kamer van Koophandel) gegevens van [ ]

omdat de firma onbekend is bij het productschap .

- Brief van het productschap Akkerbouw d.d. 8 juli 2009 aan C.I.T. b.v. (Cleve) met betrekking tot de verstrekking van een certificaat aan [ ] voor het product/GN code 07141091, documentnummer 265490 geldig tot en met 30-09-2009 .

Uit dit dossier van Cleve & Zonen B.V. komt naar voren dat voormelde container op 13 juli 2009, om 12.00 uur, moest worden afgeleverd bij de Frigogroep, een vrieshuis in Nieuw Vennep .

Vrieshuis Frigo Nieuw-Vennep B.V.

Op 13 juli 2009 verklaarde de bedrijfsleider [ ] van het vrieshuis Frigo Nieuw-Vennep B.V. dat op 13 juli 2009, om 12:00 uur, een nieuwe klant genaamd [ ] uit [ ] met een vriescontainer geladen met cassave en pomtayer zou komen. Deze nieuwe klant had op 8 juli 2009, telefonisch contact gezocht met het bedrijf.

Ook werd emailcorrespondentie aangetroffen tussen [ ] en Frigo Nieuw- Vennep B.V. omtrent de betreffende container, die op 13 juli 2009 om 12.00 uur zou worden aangeleverd .

Doorzoeking woning [ ]

Op 13 juli 2009 vond een doorzoeking plaats in de woning van de verdachte. Bij deze doorzoeking werden, naast diverse mobiele telefoons, ook diverse bescheiden aangetroffen aangaande de zending pomtayer en cassave uit Suriname. Voorts werd een tweetal stortingsbewijzen aangetroffen die duiden op de betaling van een borgsom en huur t.n.v. [ ], zijnde de verhuurster van een in [ ] aan de verdachte verhuurde loods .

Inbeslagname huurcontract loods in [ ]

Op 13 juli 2009 werd uit handen van [ ], wonende [ ], zijnde de verhuurster van een loods gelegen op het adres [ ], het huurcontract in beslag genomen aangaande de verhuur van de loods aan [ ], gevestigd te [ ] .

Yahoo e-mail account met betrekking tot pomtayer en cassave uit Suriname

Met toestemming van de verdachte werd op 16 juli 2009 onderzoek verricht naar zijn e-mailaccount [ ]. Aangaande de handelstransactie met betrekking tot pomtayer en cassave uit Suriname werd in deze e-mailaccount een drietal e-mailberichten gevonden. Het eerste e-mailbericht d.d. 20 mei 2009 gaat over een offerte van Avik Export gericht aan [ ]. Er is sprake van een aanbieding van geraspte pomtayer, geraspte cassave en blokken cassave. De in de email genoemde prijzen corresponderen met de prijzen genoemd in de factuur die bij de douane bij invoer is gebezigd.

In de periode volgend op 20 mei 2009 tot en met 5 juli 2009 is sprake van regelmatig e-mail verkeer tussen Avik Export en [ ]. Alle communicatie gaat over de zending pomtayer en cassave die is verzonden en in Nederland moet arriveren .

Ook is er een e-mail betreffende afspraken die zijn gemaakt tussen [ ] en het vrieshuis in Nieuw Vennep waar de zending na vrijmaking opgeslagen zou gaan worden .

Onderzoek naar betaalde zeevrachtkosten met betrekking tot container CGMU 2974481

Op 21 juli 2009 werd telefonisch contact opgenomen met de rederij CMA CGM, gevestigd Achterdijk 51-55 te Rhoon, onder wiens verantwoordelijkheid container CGMU 2974481 van Paramaribo naar Nederland is getransporteerd, en navraag gedaan naar de zeevrachtkosten die op dit transport drukken. Blijkens de Bill of Lading, nr. SR1251309, die voor dit transport was afgegeven zouden de zeevrachtkosten in Suriname vooruit zijn voldaan. Op de Bill of Lading staat aangetekend de vermelding "Freight Prepaid " .

Het gaat hier om een totaal bedrag van USD 2997. Dit bedrag is voorafgaand aan de verscheping van onderhavige container in Paramaribo bij de vertegenwoordiging van CMA CGM aldaar, te weten Suriname Global Agencies N.V., voldaan. Door wie, hoe en op welke wijze, deze zeevrachtkosten zijn voldaan is bij CMA CGM niet bekend .

Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien,

acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met medeverdachte [ ] heeft schuldig gemaakt aan de hierna onder feit 1 en 2 te noemen misdrijven.

Voorts is de rechtbank ten aanzien van feit 2 van oordeel dat hierbij, behoudens de verdachte en de genoemde medeverdachte, ook anderen betrokken zijn geweest aangezien de cocaïne in Suriname in de deklading cassave is verpakt. Daarnaast blijkt uit de door Cleve & Zonen B.V. ten behoeve van [ ] opgemaakte factuur niet dat de zeevrachtkosten door de verdachte zijn voldaan en verklaart de verdachte hier ook niet over. Gelet hierop kan het niet anders zijn dan dat de afzender in Suriname (Avik Export) deze kosten voor zijn rekening heeft genomen zonder ze bij de koper (de verdachte) in rekening te brengen.

Ten aanzien van de samenloop van de voltooide invoer van feit 1 en de voorbereidingshandelingen van feit 2 is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat sprake is van een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht, aangezien de voorbereidingshandelingen van feit 2, die blijkens de toelichting van de officier van justitie zien op hetzelfde transport als in feit 1, in zodanig verband staan tot dat geslaagde transport in feit 1 dat zij als één voortgezette handeling moeten worden beschouwd. Immers, beide feiten zijn voortgekomen uit één ongeoorloofd wilsbesluit.

BEWIJSMOTIVERING TEN AANZIEN VAN FEIT 4 EN 6

De bekennende verklaringen van de verdachte

De verdachte heeft onder andere verklaard dat zijn onderneming [ ] zowel in 2006 als in 2007 vanuit Peru een container met een lading paprikapoeder heeft ontvangen en dat hij bij deze zendingen zijn medewerking heeft verleend om anderen in de gelegenheid te stellen om de cocaïne, die met de paprikapoeder zou zijn meegekomen, in ontvangst te nemen. De verdachte heeft voor zijn hulp bij deze zendingen € 10.000 respectievelijk

€ 15.000 ontvangen . Alle kosten met betrekking tot de invoer van de twee zendingen paprikapoeder alsmede de huur van de loods in [ ] werden vooruit aan de verdachte betaald . De verdachte heeft beide zendingen paprikapoeder door Cleve & Zonen B.V. bij de douane laten vrijmaken .

De verdachte heeft in 2006 en in 2007 meerdere MMS berichten verzonden naar Peru en deze berichten hadden betrekking op de twee zendingen paprikapoeder die hij toen heeft ontvangen .

Operaciones Comerciales E&F S.A.C

Uit onderzoek bleek dat Operaciones Comerciales E&F S.A.C. in de periode 2006 tot en met 2008 twee keer eerder afzender was van een tweetal containers met paprikapoeder, die respectievelijk in november 2006 (feit 4) en in juli 2007 (feit 6) bestemd waren voor een eenmanszaak met de handelsnaam [ ], gevestigd te [ ] , welke onderneming volgens het Handelsregister van de Kamer van Koophandel wordt gedreven voor rekening van de verdachte, geboren op [ ] te [ ] en wonende op het adres [ ] .

1e zending paprikapoeder in 2006 (feit 4)

Bij de in 2006 door [ ] vanuit Peru geïmporteerde zending paprikapoeder, met Operaciones Comerciales E&F S.A.C., gevestigd te Lima (Peru), als afzender , gaat het om 10 paletten paprikapoeder in 10 bigbags. Deze zending is op 21 november 2006 bij de douane ten invoer aangegeven en op 13 november 2006 Rotterdam binnengekomen met container AMFU 3006773 .

Op 30 november 2006 werd het paprikapoeder van Cleve & Zonen B.V. te Rotterdam vervoerd naar de door verdachte gehuurde loods in [ ] en daar gelost .

Cleve & Zonen B.V. heeft de kosten voor het vrijmaken van de zending gefactureerd aan [ ] .

2e zending paprikapoeder in 2007(feit 6)

Bij de in 2007 door [ ] vanuit Peru geïmporteerde zending paprikapoeder, met Operaciones Comerciales E&F S.A.C., gevestigd te Lima (Peru), als afzender , gaat het om 28 bigbags paprikapoeder met een brutogewicht van 14.550 kg. Deze zending is op 26 juli 2007 bij de douane ten invoer aangegeven en op 9 juli 2007 Rotterdam binnengekomen met container TCKU 9451074 .

Op 19 juli 2007 werd de container met het paprikapoeder in opdracht van Cleve & Zonen B.V. aangeleverd in [ ] en daar gelost. Voorts blijkt uit een emailbericht van Cleve & Zonen B.V. in combinatie met een bankafschrijving van [ ] dat de kosten die na aankomst in Nederland op deze zending drukten door [ ] zijn betaald .

Doorzoeking woning [ ]

Op 13 juli 2009 vond een doorzoeking plaats in de woning van de verdachte. Hierbij werden een aantal bescheiden in beslag genomen waaronder onderstaande bescheiden die op Peru betrekking hebben :

• een Engelstalige correspondentie omtrent paprikapoeder. Voornoemd schrijven is afkomstig van de verdachte en gericht aan Peruana de Production Distribucion S.R.L. - Mr. Sandro Pastor Cateriano. In dit schrijven wordt een order geplaatst voor een container met paprikapoeder. Ook wordt geïnformeerd naar de betalingsvoorwaarden;

• een Spaanstalige tekst omtrent paprikapoeder ;

• een uitgeprint (lay-out) schrijven aangaande een order met betrekking tot Palmitos en Pina ;

• een handgeschreven schrijven (lay-out) in het Nederlands aan Mr. Sandro Pastor Cateriano ;

• Een schrijven met betrekking tot agrarische producten, afkomstig van een Peruaans bedrijf .

Voorts werden een drietal stortingsbewijzen aangetroffen die duiden op de betaling van een borgsom en huur t.n.v. [ ] in [ ], zijnde de verhuurster van een in [ ] aan de verdachte verhuurde loods .

Inbeslagname huurcontract loods in [ ]

Op 13 juli 2009 werd uit handen van [ ], wonende te [ ], zijnde de verhuurster van een loods gelegen op het adres [ ], het huurcontract in beslag genomen aangaande de verhuur van de loods aan [ ], gevestigd te [ ] .

Doorzoeking loodsruimte te [ ]

Naar aanleiding van het aantreffen van een hoeveelheid cocaïne in container CGMU 297448-1 (feit 1), heeft op 13 juli 2009 een doorzoeking plaatsgevonden in de loodsruimte te [ ] .

Bij deze doorzoeking werden bigbags met restanten paprikapoeder aangetroffen alsmede een vrachtbrief, die een levering op 30 november 2006 van een zending van 10 paletten paprikapoeder vermeldt. De afzender van deze zending is Cleve & Zonen B.V. te Rotterdam en de ontvanger is [ ] .

Verhoor getuige [ ]

Op 22 juli 2009 werd [ ] als getuige gehoord in haar hoedanigheid als verhuurster van de loods in gebruik bij [ ]. Zij heeft - kort samengevat - verklaard dat zij haar loods met ingang van 13 maart 2006 heeft verhuurd aan eenmanszaak [ ] te [ ]. [ ] heeft wetenschap van twee zendingen paprikapoeder die respectievelijk in 2006 en in 2007 in haar loods in opslag hebben gelegen .

Yahoo e-mail account met betrekking tot paprikapoeder uit Peru

In deze e-mailaccount van de verdachte werden aangaande de Peruaanse onderneming Operaciones Comerciales E&F S.A.C. diverse e-mailberichten gevonden.

In een e-mailbericht d.d. 17 oktober 2006 vraagt Edith Flores, van de onderneming Operaciones Comerciales E&F S.A.C. in Peru, aan [ ] gegevens te verifiëren die gaan over het opmaken van een Bill of Lading .

Een e-mailbericht d.d. 13 juni 2007 gaat over het toezenden door Operaciones Comerciales E&F S.A.C. in Peru aan [ ] van pro forma Bill of Ladinggegevens aangaande de verscheping van 14.550 kg paprikapoeder met het verzoek of e.a. OK is .

De verdachte heeft in zijn e-mailaccount ook een Yahoo Address Book bijgehouden. In dit adresboek komen onder andere de namen voor van de afzenders in Peru van het paprikapoeder .

MMS berichten

Bij de doorzoeking op 13 juli 2009 op het woonadres van de verdachte werd onder andere onder de code 009 een mobiele telefoon Nokia 9300 met het nummer [ ] in beslag genomen . Bij onderzoek van deze telefoon werden daarin met betrekking tot de periode 16 juni 2006 tot en met 10 augustus 2007 een negental MMS berichten met herkomst Peru aangetroffen .

Onderzoek rekening [ ]

Blijkens de dagafschriften van de bankrekening bij de ABN-AMRO bank op naam van [ ] bleek dat er sprake was van regelmatige kasstortingen. Het gaat over de periode van 31 augustus 2006 tot en met 9 juli 2009 in totaal om een bedrag van € 64.840 .

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hierna onder feit 4 en 6 te noemen misdrijven.

BEWEZENVERKLARING

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 27 juni 2009 tot en met 13 juli 2009 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander , opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), een hoeveelheid cocaïne, , zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I .

2.

hij in de periode van 1 april 2009 tot en met 13 juli 2009, te Rotterdam en/of Hoofddorp en/of [ ] en/of Nieuw-Vennep en/of Paramaribo, , tezamen en in vereniging met anderen, , om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk , verkopen, afleveren, , vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, , zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een ander heeft getracht te bewegen om die feiten te

plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en,

- zich en een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, en

- voorwerpen en stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader:

- - contact onderhouden met de leverancier van de deklading en

- -

- contact onderhouden met zijn mededader en

- inklaringskosten, betreffende de container, waarin de cocaïne was verborgen, aan CMA te betalen en

- vervoer van de container laten regelen door Cleve en Zonen B.V. en

- kosten van het vervoer van de container voldaan aan Cleve en Zonen B.V. en

- correspondentie gevoerd met het productschap Akkerbouw aangaande het

verkrijgen van toestemming voor de invoer van 2106 kilo pomtayer en 8514

kilo cassave en

- een loods (Frigo Nieuw-Vennep) geregeld ten

behoeve van de op en overslag van voornoemde hoeveelheid verdovende

middelen en de bijbehorende deklading;

4.

hij in de periode van 16 juni 2006 tot en met 30 november 2006, te Rotterdam en/of Hoofddorp en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of [ ] en/of Lima,

, tezamen en in vereniging met anderen, , om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk , verkopen, afleveren,

vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (handels)hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een ander heeft getracht te bewegen om die feiten te

plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en,

- zich en een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, en

- voorwerpen en stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte en/of een of meer van zijn, verdachtes, mededaders:

- - contact onderhouden met de leverancier van de deklading en

- een (aan)betaling verricht aan de leverancier van de deklading en-

- contact onderhouden met zijn mededaders en- inklaringskosten, betreffende de container, waarin de cocaïne was verborgen, te (laten) betalen en

- vervoer van de container laten regelen door Cleve en Zonen B.V. en

- kosten van het vervoer van de container voldaan aan Cleve en Zonen B.V. en

- een loods (te [ ])

geregeld ten behoeve van de op en overslag van voornoemde hoeveelheid

verdovende middelen en de bijbehorende deklading;

6.

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 19 juli 2007, te Rotterdam en/of Hoofddorp en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of [ ] en/of Lima, , tezamen en in vereniging met een ander ,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (handels)hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een ander heeft getracht te bewegen om die feiten te

plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en

- zich en (een) ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, en

- voorwerpen en stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader:

- - contact onderhouden met de leverancier van de deklading en

- voornoemde hoeveelheid verdovende middelen in Peru laten verpakken in de

deklading en deze deklading laten inladen in container (met nummer

TCKU 9451074) met als eindbestemming Nederland en

- contact onderhouden met zijn mededader en

- inklaringskosten, betreffende de container, waarin de cocaïne was verborgen, te betalen en

- vervoer van de container laten regelen door Cleve en Zonen B.V. en

- kosten van het vervoer van de container voldaan aan Cleve en Zonen B.V. en

- een loods (te [ ])

geregeld ten behoeve van de op en overslag van voornoemde hoeveelheid

verdovende middelen en de bijbehorende deklading;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

de voortgezette handeling van:

2.

medeplegen van het misdrijf om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en door zich en een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

en

1.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

4. en 6.

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden en/of bevorderen door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en door zich en een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met een ander per zeeschip een container met een deklading cassave en pomtayer met daarin verstopt een hoeveelheid cocaïne vanuit Suriname in Nederland gebracht. De rechtbank beschouwt de verdachte weliswaar niet als de initiator van dit transport, maar hij heeft wel geheel vrijwillig een eenmanszaak op zijn naam opgericht teneinde cocaïne in te voeren en hij heeft zich bovendien ook actief ingespannen om de zeecontainer met daarin cocaïne in te voeren. De verdachte heeft dan ook een cruciale rol gespeeld bij het hele transport en met name bij de daadwerkelijke invoer van de lading.

Voorts heeft de verdachte zich tweemaal samen met (een) ander(en) schuldig gemaakt aan de voorbereiding van de invoer van een (handels)hoeveelheid cocaïne per zeecontainer.

Cocaïne is een voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid moet naar het oordeel van de rechtbank - gelet op de wijze van transport per zeecontainer - tenminste enige kilo’s hebben bedragen. Gelet hierop moet de cocaïne bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel, hetgeen ook blijkt uit de verklaringen van de verdachte. De verspreiding van en handel in cocaïne is bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee gepaarde gaande door verslaafden gepleegde vormen van criminaliteit en door hen veroorzaakte overlast. De verdachte is geheel aan deze gevolgen voorbij gegaan en heeft alleen oog gehad voor zijn eigen financieel gewin.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte, blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. [ ], niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, en de verdachte openheid van zaken heeft gegeven.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 47, 56 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 3 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 4 en 6 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 (vijf) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van den Hurk, voorzitter,

en mrs. Wurzer-Leenhouts en Den Hollander, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Maat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 februari 2010.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 2 februari 2010:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 27 juni 2009 tot en met 13 juli 2009 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), een hoeveelheid van ongeveer 62,5 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art. 2/A OW jo. art 47 Sr)

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2009 tot en met 13 juli 2009, te Rotterdam en/of Hoofddorp en/of [ ] en/of Nieuw-Vennep en/of Paramaribo, althans in Nederland en/of Suriname, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 62,5 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te

plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of,

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- de deklading welke ter maskering van de voornoemde hoeveelheid verdovende

middelen (te weten cassave en pomtayer) (aan)gekocht en/of

- contact onderhouden met de leverancier van de deklading en/of

- (een) aanbetaling(en) verricht aan de leverancier van de deklading en/of

- voornoemde hoeveelheid verdovende middelen in Suriname (laten) verpakken

in de deklading en deze deklading (laten) in(ge)laden in container (met

nummer CGMU 297448-1) met als eindbestemming Nederland en/of

- contact onderhouden met zijn mededader(s) en/of

- inklaringskosten, betreffende de container(s), waarin de cocaïne (tussen de

lading) was verborgen, aan CMA te (laten) betalen en/of

- vervoer van de container (s) (laten) regelen door Cleve en Zonen B.V. en/of

- kosten van het vervoer van de container voldaan aan Cleve en Zonen B.V. en/of

- correspondentie gevoerd met het productschap Akkerbouw aangaande het

verkrijgen van toestemming voor de invoer van 2106 kilo pomtayer en/of 8514

kilo cassave en/of

- een bedrijfsterrein en/of loods en/of pand (Frigo Nieuw-Vennep) geregeld ten

behoeve van de op en/of overslag van voornoemde hoeveelheid verdovende

middelen en/of de bijbehorende deklading;

(art. 10a OW jo. art. 47 Sr)

3.

hij in of omstreeks de periode van 13 november 2006 tot en met 30 november 2006 te Rotterdam en/of Hoofddorp en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of [ ] in

elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (hieronder mede te

verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), een (handels)hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art. 2/A OW jo. art 47 Sr)

4.

hij in of omstreeks de periode van 16 juni 2006 tot en met 30 november 2006, te Rotterdam en/of Hoofddorp en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of [ ] en/of Lima,

althans in Nederland en/of Peru, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (handels)hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te

plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of,

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- de deklading welke ter maskering van de voornoemde hoeveelheid verdovende

middelen (te weten paprikapoeder) (aan)gekocht en/of

- contact onderhouden met de leverancier van de deklading en/of

- (een) aanbetaling(en) verricht aan de leverancier van de deklading en/of

- voornoemde hoeveelheid verdovende middelen in Peru (laten) verpakken in de

deklading en deze deklading (laten) in(ge)laden in container (met nummer

AMFU 3006773) met als eindbestemming Nederland en/of

- contact onderhouden met zijn mededader(s) en/of

- inklaringskosten, betreffende de container(s), waarin de cocaïne (tussen de

lading) was verborgen, te (laten) betalen en/of

- vervoer van de container (s) (laten) regelen door Cleve en Zonen B.V. en/of

- kosten van het vervoer van de container voldaan aan Cleve en Zonen B.V. en/of

- een bedrijfsterrein en/of loods en/of pand (te [ ])

geregeld ten behoeve van de op en/of overslag van voornoemde hoeveelheid

verdovende middelen en/of de bijbehorende deklading;

(art. 10a OW jo. art. 47 Sr)

5.

hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2007 tot en met 19 juli 2007 te

Rotterdam en/of Hoofddorp en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of [ ] in

elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (hieronder mede te

verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), een (handels)hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art. 2/A OW jo. art 47 Sr)

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 19 juli 2007, te Rotterdam en/of Hoofddorp en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of [ ] en/of Lima, althans in Nederland en/of Peru, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (handels)hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te

plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of,

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- de deklading welke ter maskering van de voornoemde hoeveelheid verdovende

middelen (te weten paprikapoeder) (aan)gekocht en/of

- contact onderhouden met de leverancier van de deklading en/of

- (een) aanbetaling(en) verricht aan de leverancier van de deklading en/of

- voornoemde hoeveelheid verdovende middelen in Peru (laten) verpakken in de

deklading en deze deklading (laten) in(ge)laden in container (met nummer

TCKU 9451074) met als eindbestemming Nederland en/of

- contact onderhouden met zijn mededader(s) en/of

- inklaringskosten, betreffende de container(s), waarin de cocaïne (tussen de

lading) was verborgen, te (laten) betalen en/of

- vervoer van de container (s) (laten) regelen door Cleve en Zonen B.V. en/of

- kosten van het vervoer van de container voldaan aan Cleve en Zonen B.V. en/of

- een bedrijfsterrein en/of loods en/of pand (te [ ])

geregeld ten behoeve van de op en/of overslag van voornoemde hoeveelheid

verdovende middelen en/of de bijbehorende deklading;

(art. 10a OW jo. art. 47 Sr)