Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL1723

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
327395 / HA ZA 09-839
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Langlopende lening. De vordering tot betaling van rente over de periode tot 12 januari 2002 is verjaard. Na verjaring van de rente-vordering resteert een natuurlijke verbintenis als bedoeld in artikel 6:3 BW. Er kan geen rente worden gevorderd over een natuurlijke verbintenis die ontstaan is als gevolg van verjaring van een rechtsvordering. Voor de rente over de periode na 12 januari 2002 wordt eiser toegelaten tot het bewijs dat afgesproken is dat rente op rente berekend zou worden (geen analoge toepassing artikel 6:119 lid 2 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010, 245

Uitspraak

VONNIS

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 327395 / HA ZA 09-839

Uitspraak: 27 januari 2010

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOFMAN & HOFMAN B.V.,

gevestigd te Vlaardingen,

eiseres,

advocaat mr. L. Lagumdžija,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. E.A. de Waart.

Partijen worden hierna aangeduid als: Hofman en [gedaagde].

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding d.d. 24 februari 2009 en de door Hofman overgelegde producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 8 juli 2009, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de brief van mr. Lagumdžija d.d. 24 augustus 2009, met bijlagen;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 14 september 2009;

- de akte aan de zijde van Hofman, met producties;

- de antwoordakte aan de zijde van [gedaagde], met productie.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 [gedaagde] dreef tot 1993 een eenmanszaak en Hofman verrichte voor hem diverse accountantswerkzaamheden. Op voorstel en met advies van Hofman is de eenmanszaak omgezet in een structuur van vier besloten vennootschappen.

2.2 Hofman heeft op 9 mei 1995 een bedrag van fl. 65.000,- en op 17 juli 1995 een bedrag van fl. 60.000,- betaald op de bankrekening met nummer 68.89.64.109. Deze rekening stond op naam van [gedaagde] of op naam van een van de vennootschappen van [gedaagde].

2.3 Daarnaast heeft Hofman diverse betalingen gedaan, waaronder in ieder geval:

- op 26 juli 1997 fl. 15.492,63 aan Cadans inzake "voorheffing 1997 [X] Fysiotherapie b.v.",

- op 26 juli 1997 fl. 5.594,- aan de Belastingdienst inzake "omzetbelasting eerste kwartaal [X] Medisch Training Centrum b.v." (hierna: MTC).

2.4 [gedaagde] heeft op 5 september 1995 fl. 100.000,- betaald aan Hofman vanaf de bankrekening met nummer 68.89.64.109 onder de vermelding "lening".

2.5 Vanaf (in ieder geval) begin 2000 heeft Hofman meerdere keren per jaar rentenota's aan [gedaagde] verzonden. Ieder van deze nota's bevat een renteberekening en een opgave van het volgens Hofman openstaande saldo.

2.6 Hofman heeft [gedaagde] op 11 januari 2007 in gebreke gesteld en hem een termijn van veertien dagen gesteld om tot betaling over te gaan. Op 16 februari 2007 heeft Hofman nogmaals aangedrongen op een betalingsvoorstel. Op 1 maart 2007 heeft [gedaagde] aan Hofman bericht dat hij niets verschuldigd is.

3 Het geschil

3.1 Hofman vordert - na eiswijziging en verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 65.405,44, vermeerderd met € 1.500,-- wegens buitengerechtelijke incassokosten en met rente en kosten.

3.2 Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering van Hofman, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Hofman in de kosten van het geding.

3.3 Op de stellingen van partijen wordt, voor zover nodig, ingegaan bij de beoordeling.

4 De beoordeling

A. Inleiding

4.1 Partijen twisten over een aantal geschilpunten. Kern van het geschil is of er sprake is van een geldlening of niet, en zo ja, aan wie er geld is geleend en voor welk bedrag. Dit geschilpunt zal hierna in § B behandeld worden. Vervolgens zal in § C worden ingegaan op het beroep van [gedaagde] op verjaring. De vraag of de vordering van Hofman in strijd is met de redelijkheid en billijkheid komt daarna in § D aan de orde. Tenslotte worden de geschilpunten met betrekking tot de rente in § E behandeld.

B. Geldlening of schadevergoeding en als er sprake is van een lening: aan wie en voor welk bedrag?

4.2 Hofman stelt dat er sprake is van een lening aan [gedaagde] in persoon en dat dit blijkt uit de door haar overgelegde boekhoudkundige bescheiden van haar bedrijf. In het grootboek en op de balans is de post [gedaagde] namelijk als lening opgenomen. Het rekeningnummer 68.89.64.109 is van [gedaagde] zelf, dus ook daaruit blijkt dat er aan hem is betaald en niet aan een van zijn vennootschappen. Ook uit de rentenota's blijkt dat er sprake is van een geldlening aan [gedaagde]. Aldus steeds Hofman.

4.3 [gedaagde] erkent dat er een lening van fl. 100.000.-- is verstrekt door Hofman, maar voert aan dat deze lening is afgelost (zie hiervoor onder 2.4). Voor het overige betreft het geen lening, maar gaat het om een tussen partijen afgesproken schadevergoeding omdat Hofman bij de advisering aan [gedaagde] een fout had gemaakt bij het opstellen van de exploitatiebegroting. Als er al sprake is van een lening, dan is dat aan MTC. De bankrekening met nummer 68.89.64.109 was een rekening van MTC, terwijl de diverse betalingen van belastingen e.d. zien op de verschillende vennootschappen. De rentenota's zijn teruggezonden omdat [gedaagde] het er niet mee eens was. Aldus steeds [gedaagde].

4.4 De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) rust op Hofman tegenover de betwisting door [gedaagde] de bewijslast van haar stellingen dat alle door haar betaalde gelden een lening betreffen aan [gedaagde] in persoon. Zij verbindt hieraan immers rechtsgevolgen, namelijk het rechtsgevolg dat [gedaagde] het resterende gedeelte van de openstaande lening aan haar dient te voldoen. Met de producties die tot dus ver in het geding zijn gebracht, is vooralsnog niet bewezen dat er sprake is van een lening aan [gedaagde] in persoon, nu deze gemotiveerd worden betwist door [gedaagde]. Gelet op haar bewijsaanbod zal zij tot dit bewijs worden toegelaten.

4.5 Over de hoogte van de gestelde lening wordt als volgt overwogen. De hiervoor onder 2.2 en 2.3 bedoelde betalingen zijn als zodanig niet in geschil. Hofman stelt dat zij daarnaast op 9 september 1996 aan de belastingdienst fl. 32.971,-- inzake de aanslag inkomstenbelasting (IB/PVV 20002) heeft betaald. [gedaagde] betwist dit. Gelet op haar bewijsaanbod zal Hofman worden toegelaten tot het bewijs dat zij dit bedrag van fl. 32.971,-- heeft betaald.

4.6 In de navolgende paragraven wordt ingegaan op de overige geschilpunten, met de kanttekening dat deze geschilpunten alleen relevant zijn indien Hofman slaagt in het bewijs dat er sprake is van een geldlening aan [gedaagde]. Indien Hofman in dit bewijs niet slaagt, zal haar vordering worden afgewezen.

C Verjaring van de hoofdsom

4.7 [gedaagde] voert subsidiair het verweer dat de vordering verjaard is op grond van artikel 3:307 lid 1 BW gezien het tijdsverloop van minimaal twaalf jaar en het feit dat er geen stuitinghandelingen zijn geweest voor 11 januari 2007. Hofman stelt dat de vordering niet verjaard is op grond van artikel 3:307 lid 2 BW en betoogt daarnaast dat de verzonden rentenota's gelden als een stuitinghandeling.

4.8 Hierover wordt als volgt geoordeeld. Indien Hofman erin slaagt te bewijzen dat zij een lening heeft verstekt aan [gedaagde], zal door de rechtbank aangenomen worden dat het een lening voor onbepaalde tijd betreft. Immers, de betalingen zijn gedaan in 1995, 1996 en 1997 en zijn niet eerder dan bij brief van 11 januari 2007 opgeëist, terwijl er wel jaarlijkse meerdere rentenota's met vermelding van rente en openstaand saldo zijn verzonden. Kennelijk was opeisbaarheid op korte termijn niet de bedoeling van partijen en [gedaagde] heeft ook geen feiten en omstandigheden gesteld die daar op wijzen. De vordering van Hofman tot terugbetaling van de hoofdsom is dus niet verjaard.

D. Redelijkheid & Billijkheid

4.9 Meer subsidiair voert [gedaagde] het verweer dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is om twaalf jaar na dato de betaalde bedragen terug te vorderen. Nu in het geval Hofman slaagt in het bewijs van de lening aangenomen moet worden dat het een geldlening voor onbepaalde tijd betrof, lag het in de lijn der verwachting dat de geldlening een keer opgeëist zou worden. Het is daarom niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat dit pas twaalf jaar na dato gebeurt.

E. Rente

4.10 Hofman stelt dat afgesproken is dat de (door haar gestelde) lening rentedragend zou zijn tegen een rente gelijk aan de basisrente van de ING Bank plus 2%. In haar akte ter rolle houdende standpunt ten aanzien van de rente en in het geding brengen van stukken wijzigt Hofman haar vordering, in die zin dat zij erkent de gevorderde rente van vóór 12 januari 2002 verjaard is. Daarnaast handhaaft zij haar standpunt dat zij gerechtigd is tot samengestelde rente. [gedaagde] voert als verweer primair aan dat er geen rente overeengekomen is en subsidiair dat de rente van vóór 2002 verjaard is en dat er geen rente over rente berekend mag worden en meer subsidiair dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is om alsnog rente te vorderen.

4.11 De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Op grond van artikel 150 Rv rust op Hofman de bewijslast van haar stelling dat partijen overeengekomen zijn dat er over de lening een rente gelijk aan de basisrente van de ING Bank plus 2% vergoed zou worden door [gedaagde]. Gelet op haar bewijsaanbod zal Hofman tot dit bewijs toegelaten worden.

4.12 Indien Hofman niet slaagt in dit bewijs, dan is de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW van toepassing. Behoudens in het geval als bedoeld in artikel 7A:1805 BW is deze rente verschuldigd vanaf het moment dat [gedaagde] in verzuim is, en gelet op de sommatie d.d. 11 januari 2007 om binnen 14 dagen te betalen, is dat vanaf 26 januari 2007. Verdere beslissingen over de vraag wat rechtens is als Hofman niet slaagt in het bewijs, of indien Hofman wel bewijst dat er rente overeengekomen is maar geen percentage kan bewijzen, worden aangehouden.

4.13 Indien Hofman wel slaagt in het bewijs dat de door haar gestelde rente afgesproken is, dan geldt het navolgende. In dat geval geldt dat is voldaan aan de eis van een "bij geschrifte" bepaalde rente als bedoeld in artikel 7A:1804 BW, gelet op de inhoud van de rentenota's. Tussen partijen is niet in geschil dat de rente tot 12 januari 2002 verjaard is en Hofman heeft haar vordering dienovereenkomstig verminderd. Tussen partijen is wel in geschil of er gerekend moet worden met een enkelvoudige rente (rente alleen over de hoofdsom) of met een samengestelde rente (rente over hoofdsom en over eerder vervallen rente). In het laatste geval (samengestelde rente) is verder in geschil hoe dit berekend moet worden. Hierover wordt als volgt overwogen:

a. De wet bepaalt ten aanzien van de wettelijke rente dat deze op jaarbasis samengesteld wordt berekend (artikel 6:119 lid 2 BW). De wet bepaalt dit niet voor een contractueel bepaalde rente en de rechtbank ziet onvoldoende grond voor een analoge toepassing van artikel 6:119 lid 2 BW. Dat betekent dat "rente op rente" bij een contractueel bepaalde rente alleen geldt indien dit overeengekomen is. Hofman zal tot het bewijs daarvan worden toegelaten. Volledigheidshalve wordt overwogen dat op grond van artikel 6:119 lid 3 BW de wettelijke (samengestelde) rente toepasselijk wordt vanaf het moment van verzuim indien de wettelijke (samengestelde) rente hoger is dan de overeengekomen rente. Bij de huidige stand van het processuele debat geldt dat Hofman onbetwist stelt dat de (volgens haar) contractueel bepaalde rente hoger is dan de wettelijke rente, zodat toepassing van artikel 6:119 lid 3 BW vooralsnog niet aan de orde is. Voor zover Hofman bedoeld heeft te stellen dat artikel 6:119 lid 3 BW met zich meebrengt dat na verzuim de rente op rente regeling ook geldt voor een contractueel bepaalde rente die hoger is dan de wettelijke rente, berust dit op een verkeerde lezing van het artikel.

b. Indien vast komt te staan dat samengestelde rente afgesproken is, dan is tussen partijen verder in geschil hoe deze rente vanaf 12 januari 2002 berekend moet worden. Hofman betoogt dat de rente die vóór 12 januari 2002 opeisbaar werd weliswaar is verjaard, maar wel de basis vormt van de rente die na 12 januari 2002 verschuldigd werd. Met andere woorden: de rente tot 12 januari 2002 kan Hofman niet vorderen, de rente die na 12 januari 2002 verschuldigd is, moet volgens Hofman worden berekend over de som van (i) de hoofdsom en (ii) de samengestelde rente tot 12 januari 2002. [gedaagde] betwist dit. De rechtbank is van oordeel dat de inmiddels verjaarde rente van vóór 12 januari 2002 geen basis kan vormen voor samengestelde rente na 12 januari 2002. Na verjaring van een rechtsvordering, ook van een rechtsvordering tot betaling van de jaarlijkse rente, resteert een natuurlijke verbintenis als bedoeld in artikel 6:3 BW. Over een natuurlijke verbintenis die is ontstaan door verjaring van een rechtsvordering kan geen rente gevorderd worden. Immers, als dat anders zou zijn dan zou over iedere verjaarde rechtsvordering nog steeds rente gevorderd kunnen worden en dat is strijdig met de aard en strekking van de verjaring, namelijk het sluiten van de boeken na het verstrijken van de verjaringstermijn. Dit geldt te meer in geval van de verjaring van een vordering als bedoeld in artikel 3:308 BW (zoals in dit geval aan de orde is), omdat de bedoeling van dat wetsartikel is te voorkomen dat de schuld te sterk oploopt. De slotsom is dat als Hofman slaagt in het bewijs dat rente op rente afgesproken is, deze rente vanaf 12 januari 2002 berekend dient te worden zonder de verjaarde rente van vóór die periode in acht te nemen.

4.14 Nu de rechtbank reeds heeft overwogen dat het niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat een als langlopende bedoelde lening twaalf jaar na dato opgeëist wordt, is het eveneens niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de daarover verschuldigde rente opgeëist wordt. Dit geldt te meer, nu Hofman rentenota's heeft verzonden.

4.15 Alle overige beslissingen omtrent de rente worden aangehouden in afwachting van de uitkomst van de bewijsvoering.

Overig

4.16 Met betrekking tot de bewijsopdrachten wordt nog als volgt overwogen. Indien Hofman er in slaagt te bewijzen dat het geld ten titel van lening is verstrekt, dan ligt vooralsnog in de reden dat zij tevens slaagt in de andere bewijsopdrachten, gelet op de inhoud van de rentenota's en de overige administratieve bescheiden.

4.8 De rechtbank houdt alle overige beslissingen aan.

5 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

a. laat Hofman toe tot het bewijs:

(i) dat zij het onder 4.5 bedoelde bedrag van fl. 32.971,-- heeft betaald;

(ii) dat de door haar betaalde bedragen zoals bedoeld in 2.2, 2.3 en 4.5 een lening aan [gedaagde] in persoon vormen;

(iii) dat partijen zijn overeengekomen dat over de lening een rente gelijk aan de basisrente van de ING Bank plus 2% vergoed zou worden door [gedaagde];

(iv) dat partijen overeengekomen dat rente op rente verschuldigd zal zijn;

b. bepaalt dat indien Hofman dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. N. Doorduijn;

c. bepaalt dat de advocaat van Hofman binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in de maanden maart, april en mei 2010 en dat de advocaat van Hoogenboom binnen dezelfde termijn opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

d. bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Doorduijn.

Uitgesproken in het openbaar.