Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL1680

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-02-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
10/6112020-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BY3553, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hoek van Holland-zaken: openlijk geweld tijdens strandrellen. LJN-nummers medeverdachten BL1681, BL1682 en BL1683.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/6112020-09

Datum uitspraak: 2 februari 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

[geboortedatum verdachte] te Rotterdam,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [woonadres verdachte],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Rijksinrichting voor Jongens De Hartelborgt Opvang te Spijkenisse,

raadsman mr. J.C. Spigt, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 januari 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Klip heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 12 maanden met aftrek van

voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en als

bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van

Reclassering Nederland en dat de verdachte dient te voldoen aan

een locatieverbod, een middelenverbod en een meldingsgebod.

BEWIJSVERWEREN

De raadsman heeft in de eerste plaats een beroep gedaan op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Salduz tegen Turkije (EHRM 27 november 2008, nr. 336391/02) en het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2009 (LJN BH 3079).

De eerste twee verhoren van de verdachte, respectievelijk op 7 en 8 oktober 2009, hebben plaatsgevonden zonder de aanwezigheid van een advocaat danwel een wettelijk vertegenwoordiger. Pas na het verhoor op 8 oktober 2009 is de verdachte gewezen op het recht een wettelijk vertegenwoordiger aanwezig te laten zijn bij de verhoren. De verdachte heeft geen afstand van dit recht gedaan cq. heeft de reikwijdte van het doen van afstand niet kunnen overzien. De verdachte heeft tijdens de eerste twee verhoren door de suggestieve en indringende wijze van verhoren belastend over zichzelf verklaard en is daar in de latere verhoren op terug teruggekomen. De eerste twee verhoren dienen op grond van de voornoemde jurisprudentie te worden uitgesloten van het bewijs en de verdachte dient, nu geen ander wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt als volgt.

De verdachte heeft zich, nadat hij zichzelf had herkend van beelden die bij het televisieprogramma “Opsporing verzocht” zijn getoond, op 7 oktober 2009 gemeld op het politiebureau. Daar is hij aangehouden en op dezelfde dag in verzekering gesteld. Een raadsman is in kennis gesteld van die inverzekeringstelling. Deze heeft de verdachte dezelfde dag bezocht om 11.55 uur. Het verhoor van de verdachte is vervolgens om 14.23 uur aangevangen. Op 8 oktober is de verdachte opnieuw gehoord. Diezelfde dag constateert de politie dat de verdachte ten tijde van het plegen van de aan hem ten laste gelegde feiten nog net minderjarig was. Zij confronteren de verdachte met dat gegeven, en vragen hem of hij zijn verklaringen in het bijzijn van zijn ouders wenst te lezen en/of te wijzigen. De verdachte geeft aan van dat recht geen gebruik te willen maken. Na het verhoor van 8 oktober 2009 is de verdachte gehoord op 29 oktober 2009, in het bijzijn van een advocaat, en op 5 november 2009.

Vooropgesteld dient te worden dat uit het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2009 volgt, dat een minderjarige verdachte niet alleen recht heeft om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen, maar tevens recht heeft op bijstand van een advocaat of een andere vertrouwenspersoon tijdens het verhoor door de politie. Voor aanvang van het eerste verhoor dient de minderjarige verdachte daarop te worden gewezen. De rechtbank is van oordeel dat een zeventienjarige minderjarige in beginsel van dit recht zelfstandig afstand kan doen. Daarbij is wel van belang dat de bescherming die het recht op raadpleging en aanwezigheid van een advocaat de zeventienjarige verdachte biedt, alleen effectief is wanneer de verdachte heeft begrepen welke rechten hij heeft en wat de consequenties zijn van het doen van afstand.

Vast dat de verdachte voor het eerste verhoor is bezocht door een raadsman. Tijdens dat bezoek heeft de verdachte met de raadsman kunnen bespreken wat zijn rechten zijn en wat de consequenties zijn van het niet effectueren van die rechten. De raadsman heeft niet aangegeven bij de verhoren aanwezig te willen zijn. Onder die omstandigheden alsmede gezien de leeftijd van de verdachte (ten tijde van de verhoren was hij inmiddels meerderjarig) komt de verdachte een beroep op de Salduz-jurisprudentie niet toe.

Het verweer wordt verworpen.

De raadsman heeft eveneens vrijspraak bepleit omdat de door de verdachte afgelegde verklaringen van 7 en 8 oktober 2009 niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden, nu tijdens het verhoor door de politie het pressieverbod, als bedoeld in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, geschonden is. Volgens de raadsman is er ongeoorloofde psychische druk op de verdachte uitgeoefend, hetgeen ontoelaatbaar is. Bij gebreke aan andersoortig bewijs dient de verdachte te worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten.

Gezien de leeftijd van de verdachte en mede gelet op de door de raadsman aangehaalde passages uit de verhoren, is de rechtbank van oordeel dat de wijze van verhoor bij tijd en wijle indringend lijkt te zijn geweest. Echter, niet gezegd kan worden dat daarmee een ontoelaatbare druk op de verdachte is uitgeoefend, teneinde een bekennende verklaring te verkrijgen. In een strafzaak als de onderhavige is een zekere druk toelaatbaar. De rechtbank is niet van oordeel dat de verdachte onder een dusdanige druk heeft verkeerd dat hij in weerwil van de door hem gewenste proceshouding, gebracht is tot een bekentenis.

Ook dit verweer wordt verworpen.

De raadsman heeft ten slotte betoogd dat het openbaar ministerie in strijd heeft gehandeld met de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving, vastgesteld door het college van procureurs-generaal en in werking getreden op 6 maart 2009.

Volgens deze aanwijzing moet het openbaar ministerie bij de vraag of een foto van de verdachte gepubliceerd mag worden het opsporingsbelang afwegen tegen het privacybelang van de verdachte. De hoofdofficier van justitie moet bovendien toestemming verlenen voor de inzet van dit opsporingsmiddel. Nu deze toestemming niet is aangetroffen en de belangenafweging in casu verkeerd is uitgevallen, dient uitsluiting van het bewijs te volgen.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De inzet van opsporingsberichtgeving zoals hier aan de orde, levert onmiskenbaar een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte op. Bij het inzetten van een dergelijk middel dient het openbaar ministerie dan ook een zorgvuldige afweging te maken van het belang van de strafrechtelijke handhaving enerzijds en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. In die afweging is van betekenis dat de gebeurtenissen op het strandfeest in Hoek van Holland in de volle openbaarheid hebben plaatsgevonden en de rechtsorde ernstig hebben geschokt. Er is beroering door ontstaan in de maatschappij. Verder is in de afweging van belang dat zich geen getuigen hebben gemeld en andere manieren om de zaak op te lossen het openbaar ministerie niet ten dienste stonden. Ten slotte speelt in de afweging de aard van de verdenking een rol.

De rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie in de belangenafweging tot de uitkomst heeft kunnen komen waartoe het openbaar ministerie is gekomen. Ook is er door het openbaar ministerie voldaan aan alle formele eisen die de aanwijzing stelt. Hoewel uit het dossier niet blijkt van toestemming van de hoofdofficier van justitie voor de inzet van opsporingsberichtgeving, heeft de officier van justitie ter terechtzitting aangegeven dat die toestemming voorafgaand aan de inzet is verleend. Van strijdig handelen met de Aanwijzing is dan ook geen sprake, zodat ook niet gesproken kan worden van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafrecht dat tot strafvermindering zou moeten leiden.

Dit verweer wordt eveneens verworpen.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

(hij

in de periode van 22 augustus 2009 tot en met 23 augustus 2009

te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam,

op de openbare weg, op/nabij het strand van Hoek van Holland,

openlijk in vereniging geweld heeft

gepleegd tegen politieambtenaren, [namen verbalisanten],

welk geweld bestond uit het:

- gooien van glazen en bekers bier en

met zand gevuldeflessen en lampjes/lichtjes tegen en/of naar en/of

in de richting van die politieambtenaren en- schoppen van (los) zand naar en/of in de richting van die

politieambtenaren en- zich opdringen aan/tegen envervolgens achtervolgen/achternalopen van

die politieambtenarenenvervolgensdie politieambtenaren

te dwingen achteruit naar en/of in de richting van dranghekken te lopen en

- daarbij dreigendluid scanderen en roepen van de woorden:

"Rotterdam Hooligans" en/of "(Kanker)Joden", althans woorden van gelijke aard en/of

strekking;

2.

hij

in de periode van 22 augustus tot en met 23 augustus 2009

te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam,

tezamen en in vereniging met anderen,

politieambtenaren [namen verbalisanten], heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte

en zijn mededadersopzettelijk dreigend

- gooien van glazen en bekersbier en

met zand gevuldeflessen en lampjes/lichtjes tegen en/of naar en/of

in de richting van die politieambtenaren en- schoppen van (los) zand naar en/of in de richting van die

politieambtenaren en- zich opdringen aan/tegen envervolgens achtervolgen/achternalopen van

die politieambtenarenenvervolgensdie politieambtenaren

te dwingen achteruit naar en/of in de richting van dranghekken te lopen en

- daarbij dreigendluid scanderen en roepen van de woorden:

"Rotterdam Hooligans" en/of "(Kanker)Joden" , althans woorden van gelijke aard en/of

strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaar¬de heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

De eendaadse samenloop van

1. Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

en

2. Medeplegen van bedreiging met zware mishandeling

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in de avond/nacht van 22 augustus op 23 augustus 2009 op het strandfeest “Veronica’s Sunset Grooves” te Hoek van Holland schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen en bedreiging van politieagenten door leuzen te scanderen, met lampjes naar politieagenten te gooien en zand naar hen te schoppen. Hij maakte deel uit van een groep die de in linie opgestelde agenten opdreef, waarbij de verdachte op enig moment zelfs vooraan in die groep en op korte afstand van de agenten heeft gestaan. De agenten hebben daarbij voor hun leven gevreesd. De slachtofferverklaringen ter zitting beschrijven de angst en paniek die zich van hen meester maakte. Zij hadden het gevoel in een oorlog te zijn terechtgekomen en betwijfelden of zij hun gezinnen nog zouden zien. Hoewel de verdachte een korte tijdsspanne in de groep is meegelopen en niet heeft deelgenomen aan de latere geweldsescalaties, is het wel ook door zijn handelen die bewuste nacht zo uit de hand gelopen. De rechtbank rekent hem dat zwaar aan.

Openlijke geweldpleging en bedreiging zijn ernstige strafbare feiten die niet alleen gevoelens van onveiligheid en angst in het leven roepen bij de slachtoffers, maar ook bij degenen die er getuige van zijn. Voor velen is dat wat een plezierig feest had kunnen zijn, geëindigd in een vervelende en angstige ervaring. De verdachte heeft door zijn handelwijze hieraan bijgedragen. Bovendien heeft hij door die handelwijze het gezag van de politiefunctionarissen ernstig ondermijnd.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van jeugddetentie van enige duur.

Op 9 december 2009 is door Reclassering Nederland over de verdachte gerapporteerd. Uit dit rapport komt naar voren dat het recidiverisico laag is, ondermeer door de stabiele thuissituatie, de goede sociale vaardigheden van de verdachte en zijn opleiding. De reclassering heeft de indruk dat de verdachte, door zijn jeugdige leeftijd en onder invloed van alcohol, zich heeft laten meeslepen in het delict. Gedragsinterventies en begeleiding zijn volgens de reclassering niet geïndiceerd.

In een aanvullend rapport van 19 januari 2010 heeft de reclassering aangegeven als bijzondere voorwaarden een locatieverbod, een meldingsgebod en een middelenverbod te adviseren.

De officier van justitie heeft in zijn eis oplegging van deze bijzondere voorwaarden gevraagd. De verdediging heeft zich daartegen gemotiveerd verzet.

De rechtbank stelt voorop het niet onbegrijpelijk te achten dat het openbaar ministerie in het kader van de bestrijding en preventie van geweld en vandalisme bij grote evenementen voorstander is van oplegging van dergelijke voorwaarden aan ordeverstoorders.

Daarbij dient echter in ogenschouw te worden genomen dat in het bijzonder de aan een evenementenverbod gekoppelde meldingsplicht, aanmerkelijke gevolgen heeft voor de vrijheid van de betrokkene om op de evenementdagen de door hem gewenste (privé-)activiteiten te ontplooien. Een meldingsplicht in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling valt zonder meer als een (zelfstandige) punitieve sanctie aan te merken. Mede in verband daarmee dient naar het oordeel van de rechtbank steeds een zorgvuldige afweging te worden gemaakt tussen enerzijds de noodzaak om vanuit generaal preventief oogpunt een evenementenverbod met meldingsplicht en middelenverbod op te leggen en anderzijds de in het geding zijnde belangen van de betrokkene.

De reclassering heeft in haar advies niet gemotiveerd waarom zij een evenementenverbod met meldingsplicht en middelenverbod noodzakelijk acht. Sterker nog, haar conclusies dat het recidiverisico laag is en dat begeleiding niet geïndiceerd is, lijken niet te stroken met het advies verboden als voornoemd als bijzondere voorwaarden op te leggen.

Ook de officier van justitie heeft niet aangegeven dat - en zo ja, waarom - een strafrechtelijk evenementenverbod met meldingsgebod en middelenverbod een relevante toegevoegde waarde heeft. De officier van justitie kon ter zitting ook niet aangeven om welke (risicovolle) evenementen het zou gaan en het aantal van die evenementen. Dit laatste maakt dat het locatieverbod zoals voorgesteld te onbepaald is.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 8 oktober 2009, is de verdachte niet eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. In het strafblad van de verdachte kan derhalve ook geen aanleiding worden gevonden voor oplegging van voornoemde bijzondere voorwaarden.

De rechtbank is - alles afwegende- van oordeel dat er onvoldoende gronden zijn om de verdachte naast de na te vermelden straf nog een verdere punitieve sanctie in de vorm van een evenementenverbod met meldingsplicht en middelenverbod in het kader van een bijzondere voorwaarde op te leggen. Volstaan kan worden met een onvoorwaardelijke jeugddetentie, naast een voorwaardelijke.

De op te leggen straf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank de rol van deze verdachte minder groot acht dan de officier van justitie.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJEN / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd ter vordering van schadevergoeding ter zake van het feit als in onderstaande tabel opgenomen:

Volgnr. Naam Woonplaats Immaterieel

1 XX Rotterdam € 200,--

2 YY Rotterdam € 200,--

3 YY Rotterdam € 200,--

4 XX Rotterdam € 200,--

5 XX Rotterdam € 200,--

6 XX Rotterdam € 200,--

7 XX Rotterdam € 200,--

8 XX Rotterdam € 200,--

9 XX Rotterdam € 200,--

10 XX Rotterdam € 200,--

11 XX Rotterdam € 200,--

12 XX Rotterdam € 200,--

13 XX Rotterdam € 200,--

14 XX Rotterdam € 200,--

15 XX Rotterdam € 200,--

16 XX Rotterdam € 200,--

17 XX Rotterdam € 200,--

18 XX Rotterdam € 200,--

19 XX Rotterdam € 200,--

20 XX Rotterdam € 200,--

21 XX Rotterdam € 200,--

22 XX Rotterdam € 200,--

23 XX Rotterdam € 200,--

24 XX Rotterdam € 200,--

25 XX Rotterdam € 200,--

26 XX Rotterdam € 200,--

27 XX Rotterdam € 200,--

28 XX Rotterdam € 200,--

29 XX Rotterdam € 200,--

30 XX Rotterdam € 200,--

31 XX Rotterdam € 200,--

32 XX Rotterdam € 200,--

33 XX Rotterdam € 200,--

34 XX Rotterdam € 200,--

35 XX Rotterdam € 200,--

36 XX Rotterdam € 200,--

37 YY Rotterdam € 200,--

De benadeelde partijen YY zullen in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu thans niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten.

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen YY niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zal de benadeelde partijen YY worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vorderingen gemaakt.

Nu is komen vast te staan dat aan de overige benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoedingen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen zullen de vorderingen als voorschot worden toegewezen.

Nu de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met één dan wel meerdere mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader(s) de benadeelde partijen betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd.

Nu de vordering van de benadeelde partijen (in overwegende mate) zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 47, 55, 77a, 77c, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77gg, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de tijd van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden;

beveelt de onmiddellijke invrijheidsstelling;

wijst de vorderingen van de benadeelde partijen als voorschot toe als opgenomen in onderstaande tabel en veroor¬deelt de verdachte deze bedragen tegen kwijting te betalen eveneens als opgenomen in onderstaande tabel, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader(s) betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partijen voornoemd te betalen de bedragen zoals in onderstaande tabel opgenomen, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van het aantal dagen zoals eveneens opgenomen in onderstaande tabel, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partijen en omgekeerd;

Nr. naam wonende bedrag zegge vervangende

hechtenis

1 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

2 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

3 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

4 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

5 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

6 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

7 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

8 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

9 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

10 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

11 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

12 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

13 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

14 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

15 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

16 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

17 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

18 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

19 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

20 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

21 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

22 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

23 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

24 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

25 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

26 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

27 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

28 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

29 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

30 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

31 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

32 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

33 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

34 XX Rotterdam € 200,-- Tweehonderd euro 4 dagen

verklaart de benadeelde partijen YY niet-ontvankelijk in de vorderingen; bepaalt dat de vorderingen slechts kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partijen YY in de kosten door de verdachte ter verdedi¬ging tegen de vorderingen gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Leinarts, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. Van Dijke en Benaissa, rechters,

in tegenwoordigheid van Wilsing, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 februari 2010.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 2 februari 2010:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING .

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

(Zaak Linie)

hij

in of omstreeks de periode van 22 augustus 2009 tot en met 23 augustus 2009

te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam,

op of aan de openbare weg, op/nabij het strand van Hoek van Holland,

in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft

gepleegd tegen één of meer politieambtena(a)r(en) en/of [namen verbalisanten], welk geweld bestond uit het:

- hoorbaar voor die politieambtena(a)r(en) en/of schreeuwend aftellen en/of

(vervolgens)

- gooien en/of werpen van één of meer glas/glazen en/of beker(s) bier en/of

(met zand gevulde) fles(sen) en/of lampje(s)/lichtje(s) en/of (een)

ste(e)n(en) en/of (een) hek(ken) en/of (strand)bed(den)/stoel(en) en/of

(een) fiets(en) en/of (andere) (zware) voorwerp(en) tegen en/of naar en/of

in de richting van die politieambtena(a)r(en) en/of

- schoppen en/of gooien van (los) zand naar en/of in de richting van die

politieambtena(a)r(en) en/of

- zich opdringen aan/tegen en/of (vervolgens) achtervolgen/achternalopen van

die politieambtena(a)r(en) en/of (vervolgens) die politieambtena(a)r(en)

te dwingen achteruit naar en/of in de richting van (gesloten) (een)

(drang)hek(ken) te lopen en/of (vervolgens)

- omver trappen/schoppen en/of duwen van die/dat (drang)hek(ken) (waarachter

die politieambtena(a)r(en) schuilden) en/of (vervolgens) die

politieambtena(a)r(en) te dwingen (verder) achteruit de duinen in te lopen

en/of

- (daarbij) (dreigend) (luid) scanderen en/of roepen van de woorden:

"Rotterdam Hooligans" en/of "(Kanker)Joden" en/of "Kutwouten" en/of "Ik maak

je af" en/of "Kankerlijers", althans woorden van gelijke aard en/of

strekking;

(artikel 141 Wetboek van Strafrecht)

2.

(Zaak Linie)

hij

in of omstreeks de periode van 22 augustus tot en met 23 augustus 2009

te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

één of meer politieambtena(a)r(en) en/of [namen verbalisanten] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend

- hoorbaar voor die politieambtena(a)r(en) en/of schreeuwend afgeteld en/of

(vervolgens)

- één of meer glas/glazen en/of beker(s) bier en/of (met zand gevulde)

fles(sen) en/of lampje(s)/lichtje(s) en/of (een) ste(e)n(en) en/of (een)

hek(ken) en/of (strand)bed(den)/stoel(en) en/of (een) fiets(en) en/of

(andere) (zware) voorwerp(en) gegooid tegen en/of naar en/of in de richting

van die politieambtena(a)r(en) en/of

- geschopt en/of gegooid van (los) zand naar en/of in de richting van die

- geschopt en/of gegooid van (los) zand naar en/of in de richting van die

politieambtena(a)r(en) en/of

- zich opgedrongen aan/tegen en/of (vervolgens) achtervolgd/achternagelopen

van die politieambtena(a)r(en) en/of (vervolgens) die

politieambtena(a)r(en) gedwongen achteruit naar en/of in de richting van

(gesloten) (een) (drang) hek(ken) te lopen en/of (vervolgens)

- die/dat (drang)hek(ken) omver getrapt/geschopt en/of geduwd (waarachter

die politieambtena(a)r(en) schuilden) en/of (vervolgens) die

politieambtena(a)r(en) gedwongen (verder) achteruit de duinen in te lopen

en/of (daarbij) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, deze dreigend de woorden toegevoegd: "Rotterdam Hooligans"

en/of "(Kanker)Joden" en/of "Kutwouten" en/of "Ik maak je af" en/of

"Kankerlijers", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(artikel 285/47 Wetboek van Strafrecht)