Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL1447

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
01-02-2010
Zaaknummer
347449 / HA RK 10-21
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Het verzoek mist feitelijke grondslag. Niet is gebleken van de door verzoeker gestelde, eerdere, succesvolle wraking van de rechter door verzoeker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 27 januari 2010

Zaaknummer: 347449

Rekestnummer: HA RK 10-21

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoeker],

wonende te [adres],

verzoeker,

strekkende tot wraking van [naam voorzieningenrechter], voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht (hierna: de voorzieningenrechter).

1. Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 27 januari 2010 is door de voorzieningenrechter aangevangen met de behandeling van het door de stichting [naam stichting] te [plaats van vestiging] als eiseres tegen verzoeker als gedaagde aanhangig gemaakte kort geding, dat als kenmerk heeft 346749 / KG ZA 10-32.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft verzoeker de voorzieningenrechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier van de hiervoor omschreven kort gedingprocedure, waarin zich onder meer bevindt:

- de dagvaarding d.d. 20 januari 2010;

- de van de zijde van eiseres in kort geding overgelegde producties.

Ter zitting van 27 januari 2010, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen: verzoeker, de voorzieningenrechter, alsmede de heer [naam] van [naam stichting] en mr. K. Aantjes, de advocaat van [naam stichting].

Verzoeker en de voorzieningenrechter hebben ieder hun standpunt toegelicht.

Behalve de hiervoor genoemde stukken heeft de wrakingskamer voorts nog kennis genomen van het archief van uitspraken van de wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam, zowel het papieren archief als het gecomputeriseerde administratie-systeem.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

In 2004 heeft de voorzieningenrechter een andere zaak van mij behandeld. Dat betrof een zaak van insolventie van mijzelf en mijn partner. In die zaak was [naam rechter-commissaris] de rechter-commissaris. Er waren klachten in die insolventiezaak. Een bewindvoerder maakte allerlei aanmerkingen naar de rechtbank toe. [Naam voorzieningenrechter] was toen het lijdend voorwerp, die de kwestie moest behandelen. Hij moest beslissen over de klachten. Er is toen contact geweest tussen [naam rechter-commissaris] en [naam voorzieningenrechter] over die bewindvoerder. Dat heb ik destijds niet geaccepteerd. Ik heb [naam voorzieningenrechter] toen gewraakt en dat is gelukt. De zaak is toen ook officieel voorgelegd aan de wrakingskamer. De wrakingskamer heeft toen een half uur de tijd genomen. Het duurde een week eer er een andere rechter was. [naam voorzieningenrechter] is er toen van de zaak afgehaald. De wrakingskamer deed een week later een nieuwe dagvaarding voor een nieuwe zitting, drie of vier weken later. Ik beschik thuis over documenten uit 2003 en 2004, waaruit dit blijkt.

2.1.2

Vandaag tref ik in het tegen mij aangespannen kort geding weer [naam voorzieningenrechter] als rechter. [Naam voorzieningenrechter] liet destijds bij aanvang van de zaak op voorhand al blijken dat hij bevooroordeeld was in de insolventiezaak. Daarom denk ik dat hij dat nu ook is jegens mij. Daarom heb ik hem gewraakt en eis ik een andere rechter.

In de te betrachten objectiviteit vind ik het ongewenst dat [naam voorzieningenrechter] nu dit kort geding gaat behandelen. Mijn verzoek van vandaag is dus een tweede wraking van [naam voorzieningenrechter]. Als een rechter wordt gewraakt, is dat vervelend als dat moet. Dan is de objectiviteit helemaal zoek. Je mag niet tweemaal dezelfde rechter treffen; dat valt overal te lezen.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren. Hij heeft daarbij - verkort en zakelijk weergegeven - meegedeeld:

2.2.1

Ik was in of rond de periode, die verzoeker noemt, voorzitter van het team, dat binnen de rechtbank Rotterdam de insolventiezaken behandelde. Ik behandelde toen ook zelf dat soort zaken als rechter. Nu verzoeker hier ter zitting van de wrakingskamer zijn verzoek tot wraking toelicht, herinner ik mij dat ik destijds verzoeker heb gesproken. Op geen enkel eerder moment - niet tijdens het tevoren bestuderen van de stukken van het kort geding en evenmin bij aanvang van de zitting in kort geding - kwam er bij mij enige herinnering aan verzoeker naar boven.

2.2.2

Nu ik zijn toelichting heb gehoord, herinner ik mij verzoeker heel goed. We konden destijds goed met elkaar praten. Dat ging vrij informeel en die gesprekken verliepen niet altijd soepel. Verzoeker zegt dat hij destijds bij mij op zitting is geweest. Dat kan ik niet ontkennen; dat zegt mij nu pas wat, nu ik zijn toelichting hier heb gehoord. Maar ik heb er geen negatieve gevoelens bij. Zodra dat het geval zou zijn, zou ik mij onmiddellijk van de zaak hebben teruggetrokken.

2.2.3

Van een wrakingsverzoek van verzoeker jegens mijzelf heb ik nooit gehoord. Ik ben 30 jaar rechter. In die tijd ben ik twee keer gewraakt. Ik zou het heus weten als ik zou zijn gewraakt in mijn tijd bij het insolventie-team. Het kan zijn dat er destijds een andere rechter op de kwestie is gezet. De behandeling van een klacht kan zijn aangehouden en een andere rechter kan de klacht daarna verder hebben behandeld, omdat ik geen tijd had. Maar ik ben toen niet van een zaak afgehaald naar aanleiding van een wrakingsverzoek.

Ik denk dat het destijds aldus is gegaan: de klacht, waarover verzoeker spreekt, werd eerst door een andere rechter behandeld. Die rechter zal mij hebben gevraagd de behandeling over te nemen. Ik was immers de voorzitter van die afdeling. Ik zal dat gesprek met verzoeker hebben voortgezet, maar daar is geen wraking aan te pas gekomen.

3. De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2

De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende:

Door de griffier van de wrakingskamer is onderzoek gedaan in het archief van zaken welke in de loop der tijd zijn behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingsverzoeken. Dit onderzoek omvatte zowel het archief van zaken op papier als het gecomputeriseerde administratiesysteem, waarin de gegevens van alle wrakingsverzoeken zijn opgenomen.

3.3

Vorenomschreven onderzoek heeft geen gegevens opgeleverd met betrekking tot een eerder in de tijd ingediend wrakingsverzoek van verzoeker jegens [naam voorzieningenrechter]. Evenmin leverde dit onderzoek gegevens op met betrekking tot een eerder in de tijd door of namens de partner van verzoeker, [naam partner], jegens [naam voorzieningenrechter] ingediend verzoek tot wraking. Daarom moet worden aangenomen dat een dergelijk wrakingsverzoek er niet is geweest.

Daarmee is de feitelijke grondslag aan het verzoek tot wraking van mr Poell als voorzieningenrechter komen te ontvallen.

3.4

Ook overigens is niet gebleken of aannemelijk geworden dat zich omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de voorzieningenrechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank,

wijst af het verzoek tot wraking van voorzieningenrechter [naam voorzieningenrechter].

Deze beslissing is gegeven op 27 januari 2010 door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. A.N. van Zelm van Eldik en mr. C. Bouwman, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van Faaij, griffier.