Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL1159

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-01-2010
Datum publicatie
29-01-2010
Zaaknummer
346688 / J1 RK 10-28 en 346692 / J1 RK 10-29
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige ondertoezichtstelling gehandhaafd, spoedmachting uithuisplaatsing niet verlengd.

Onvoldoende duidelijk is of de moeder verwijtbaar inadequaat heeft gehandeld bij baby met RS-virus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 25 januari 2010

Zaak-/rekestnummer: 346688 / J1 RK 10-28 en 346692 / J1 RK 10-29

Beschikking in de zaak van:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam, hierna: de raad,

met betrekking tot de minderjarige:

[naam minderjarige], geboren op [datum] 2009 te [geboorteplaats],

kind van [naam vader], en van de met het gezag belaste ouder,

[naam moeder], wonende: [adres].

Het verloop van de procedure

Bij beschikking van 15 januari 2010 te 18.30 uur is de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden en is - zonder verhoor van belanghebbenden - machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige in een crisispleeggezin voor de duur van vier weken.

Van de zijde van mr. K. Logtenberg, advocaat van de moeder, is een brief met bijlagen d.d. 22 januari 2010 ontvangen.

De zaak is behandeld op 25 januari 2010.

De beoordeling

De raad heeft op 10 november 2009 een melding ontvangen van de zijde van de stichting waarbij zorgen werden geuit omtrent de opvoedingssituatie en de mogelijkheden van de moeder, die tijdens de melding 30 weken zwanger was. Moeder heeft zeven kinderen uit twee relaties. Alle kinderen zijn uithuis geplaatst. De stichting acht het verstandig dat de raad onderzoek doet om te beoordelen of moeder zich inmiddels zo heeft ontwikkeld dat zij in staat is zorg te dragen voor haar kind.

Drie dagen na de melding is de minderjarige ter wereld gekomen. De raad heeft vervolgens het onderzoek uitgevoerd en heeft onder meer informatie ingewonnen bij de kinderarts van het ziekenhuis waar de minderjarige na de geboorte verbleef. De raad heeft uiteindelijk geconcludeerd dat de ontwikkeling van de minderjarige niet wordt bedreigd. Wel heeft de raad vraagtekens geplaatst of het voor de moeder haalbaar is om geheel zelfstandig de dagelijkse verantwoordelijkheid van een kind te kunnen dragen en omtrent de pedagogische vaardigheden van de moeder en de mate van afhankelijkheid van haar partner om de juiste keuzes te kunnen maken om de veiligheid te kunnen waarborgen voor haar kinderen. Uit het onderzoek blijkt dat de ouders zorgzaam en betrokken zijn en dat er sprake is van een veranderde gezinssituatie waarin ouders laten zien dat zij de opvoeding van de minderjarige aankunnen en hem zorg, veiligheid en structuur zullen aanbieden.

De raad maakt de inschatting dat moeder hulpverlening nodig heeft, maar nu moeder aangeeft dat zij hulp in vrijwillig kader zal vragen en accepteren, heeft de raad het onderzoek op 5 januari 2010 afgesloten zonder verder vervolg.

Vervolgens is op 14 januari 2010 bij de raad een melding binnengekomen van het AMK met het verzoek om de minderjarige voorlopig onder toezicht te laten stellen en tevens om een machtiging uithuisplaatsing te verzoeken. De minderjarige is op 30 december 2009 opgenomen in het ziekenhuis met een RS-bronchiolitis en de kinderarts heeft ernstige zorgen over affectieve verwaarlozing. Naar aanleiding van de melding vindt bij de raad een Multi disciplinair overleg plaats waarna de raad meent dat de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling en gezondheid wordt bedreigd gelet op de problematiek van de moeder. De raad meent dat het onverantwoord is de minderjarige op dat moment naar huis te laten gaan en wil met moeder een vrijwillige pleeggezinplaatsing regelen, waarna thuisplaatsing onder het stellen van voorwaarden zal kunnen volgen. De voorwaarden bestaan uit de inzet van intensieve pedagogische ondersteuning, dagelijks toezicht op de minderjarige, medewerking van moeder aan medische zorg vanuit het ziekenhuis en het consultatiebureau en voorts moeten praktische zaken als de aanschaf van een baby-uitzet, huisvesting en verzekering geregeld zijn.

Ondanks dat zowel de moeder als de (biologische) vader van de minderjarige aangeven mee te willen werken aan hulpverlening en zelfs aan een pleeggezinplaatsing voor zolang als de raad dat nodig acht, weigert de stichting in het vrijwillig kader hulpverlening en een pleeggezinplaatsing te bieden. De raad acht zich hierdoor genoodzaakt met spoed een voorlopige ondertoezichtstelling te verzoeken alsmede een machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een pleeggezin.

Op 15 januari 2010 is de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden en is een machtiging uithuisplaatsing verleend voor de duur van vier weken.

Ter zitting is gebleken dat indien aan de moeder intensieve pedagogische ondersteuning in de thuissituatie wordt geboden naar het oordeel van de raad aan alle (overige) voorwaarden voor thuisplaatsing van de minderjarige wordt voldaan.

De stichting stelt zich op het standpunt dat de uithuisplaatsing dient te worden verlengd. De stichting stelt dat de minderjarige ten tijde van de opname in het ziekenhuis op 30 december 2009 bijna was gestikt en zijn longen leeggezogen moesten worden en dat moeder dus niet adequaat heeft gehandeld. Voorts heeft de stichting twijfels omtrent de vraag of moeder inmiddels een uitkering heeft en wijst de stichting op een aantal feiten en omstandigheden die in het verleden hebben gespeeld rondom de uithuisplaatsing van de andere kinderen van moeder. Eventueel zouden moeder en kind aan het project Uitwijk kunnen deelnemen om te bezien of thuisplaatsing van de minderjarige tot de mogelijkheden behoort.

De kinderrechter overweegt het volgende.

De feiten en omstandigheden zoals die blijken uit de stukken en uit hetgeen besproken is ter zitting vormen voor de kinderrechter vooralsnog geen aanleiding de (voorlopige) ondertoezichtstelling op te heffen.

Weliswaar heeft de moeder gesteld dat de minderjarige verkouden was maar geen koorts had en wel goed dronk, maar daar staat tegenover dat door de stichting is gesteld dat volgens de kinderarts de situatie van de minderjarige veel ernstiger was dan door moeder is ingeschat en dat de minderjarige minder had gedronken dan de voorgeschreven hoeveelheid waardoor sondevoeding gedurende een aantal dagen noodzakelijk was. Mede gelet op de vraagtekens die de raad heeft geplaatst of het voor de moeder haalbaar is om geheel zelfstandig de dagelijkse verantwoordelijkheid voor een kind te kunnen dragen, acht de kinderrechter voortzetting van de (voorlopige) ondertoezichtstelling geboden teneinde bedreiging van de gezondheid van de minderjarige te voorkomen.

De kinderrechter ziet echter geen aanleiding de machtiging uithuisplaatsing te verlengen. Allereerst lijkt het verzoek om de minderjarige met een machtiging uithuis te plaatsen vooral te zijn ingegeven door de weigering van de stichting om in het vrijwillig kader hulp te verlenen en een pleeggezin plaatsing te regelen voor zolang nodig is om aan de door de raad gestelde voorwaarden voor thuisplaatsing te voldoen.

Voorts lijkt vooral het gegeven dat de minderjarige is opgenomen geworden vanwege het RS-virus leidend te zijn in het verzoek om uithuisplaatsing en een ommekeer in de visie van de raad te hebben bewerkstelligd voor wat betreft de bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige. Immers, de problematiek van de moeder die de raad thans als belangrijke factor voor die bedreiging noemt en het gegeven dat de moeder een belaste voorgeschiedenis heeft, zijn niet anders dan ten tijde van het onderzoek dat de raad op verzoek van de stichting heeft verricht en waarin de raad heeft geconcludeerd dat er geen bedreiging voor de ontwikkeling van de minderjarige was.

Nu na de afronding van bedoeld onderzoek de gezondheid van de minderjarige bedreigd is geworden tengevolge van het RS-virus, rijst de vraag of evident voor de moeder had moeten zijn dat de minderjarige er slechter aan toe was dan op basis van een gewone verkoudheid kan worden verwacht en zij verwijtbaar de situatie onjuist heeft ingeschat en een uithuisplaatsing gerechtvaardigd moet worden geacht om (verdere) bedreiging van de gezondheid van de minderjarige te voorkomen.

Uit de informatie over het RS virus die namens de moeder is overgelegd, blijkt dat dit virus verwant is aan een griepvirus, het virus wat symptomen betreft erg op een verkoudheid lijkt en bij een baby meestal, anders dan bij peuters en kleuters, geen sprake is van koorts. Voorts valt in bedoelde informatie te lezen dat er geen behandeling is voor het virus, een kind goed moet uitzieken en het meestal vanzelf weer over gaat.

De moeder heeft verklaard dat de minderjarige de dag voordat zij met hem voor een controleafspraak naar het ziekenhuis zou gaan verkouden is geworden en zij daarover contact heeft opgenomen met de pleegmoeder van drie van haar andere kinderen. Zij hebben in gezamenlijk overleg gemeend dat, nu de minderjarige goed dronk en geen koorts had en de volgende dag voor een controle gezien zou worden door de kinderarts er geen reden was om eerder een arts te raadplegen.

Uit het AMK verzoek blijkt dat er contact is geweest met de kinderarts en op dit punt enkel wordt vermeld dat moeder eigenlijk de dag vóór de bewuste controleafspraak bij de eerste signalen naar de huisarts had moeten gaan. Onduidelijk is echter of moeder aanwijzingen heeft meegekregen van het ziekenhuis dat zij ingeval van verkoudheidsverschijnselen bij de minderjarige onmiddellijk een arts diende te raadplegen en zij door het ziekenhuis is gewaarschuwd voor het bewuste virus en zijn verschijningsvormen nu de minderjarige prematuur is geboren en bekend is dat prematuur geboren kinderen een groter risico lopen het virus op te lopen.

Dat van de zijde van het ziekenhuis thans zorgen worden geuit over affectieve verwaarlozing van de minderjarige door de moeder en dat tijdens de eerste opname al zou zijn opgevallen dat moeder nauwelijks aandacht had voor de minderjarige, staat haaks op de eerdere verklaring van de zijde van het ziekenhuis met betrekking tot bedoelde opname dat er geen verontrustende zaken zijn gesignaleerd op de afdeling rondom de ouders, zij adequaat reageren op de minderjarige en zij betrokken en zorgzaam zijn.

Het enkele feit dat de moeder een inschattingsfout heeft gemaakt ten aanzien van de gezondheid van de minderjarige acht de kinderrechter onvoldoende rechtvaardiging om de machtiging uithuisplaatsing te verlengen. Dit geldt te meer nu de raad, zoals hiervoor is vermeld, ter zitting heeft verklaard dat de minderjarige thuis geplaatst kan worden indien aan de door de raad gestelde voorwaarden is voldaan.

Met het oog op de door de raad gestelde voorwaarden voor thuisplaatsing en de tijd die benodigd zal zijn om invulling aan die voorwaarden te geven zal de kinderrechter de lopende machtiging uithuisplaatsing niet opheffen. De kinderrechter gaat er daarbij van uit dat niet langer dan strikt noodzakelijk van die machtiging gebruik zal worden gemaakt en de minderjarige bij de moeder zal worden teruggeplaatst zodra voldaan is aan bedoelde voorwaarden. Voorts gaat de kinderrechter ervan uit dat de stichting, zoals de raad ter zitting heeft voorgesteld, een zo ruim mogelijke indicatie zal geven opdat de voorwaarden die de raad voor thuisplaatsing van de minderjarige heeft gesteld, zo goed mogelijk kunnen worden ingevuld.

De kinderrechter zal de beslissing op het verzoek tot de definitieve ondertoezichtstelling aanhouden tot nader te noemen datum, nu het onderzoek door de raad nog niet is voltooid.

De beslissing

Wijst af het verzoek van de raad tot het verlenen van een machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een crisispleeggezin voor zover hierop niet eerder is beslist.

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

En alvorens verder te beslissen:

Bepaalt dat het verhoor van de raad in deze zaak zal plaatsvinden op 8 maart 2010 te 11.20 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125.

De zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. M.J. van den Broek-Prins, kinderrechter.

Bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de raad en belanghebbenden.

Verzoekt de raad uiterlijk twee weken voor de genoemde datum de kinderrechter de verzochte rapportage te doen toekomen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. van den Broek-Prins, kinderrechter, in bijzijn van H.P. Eekhout, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.