Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL0118

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
10/641119-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Bevelsbevoegdheid van politie op grond van de APV in geval van verstoring openbare orde verbindend geacht. Voldoende uitdrukkelijke bevoegdheidsbepaling. Geoorloofde attributie door gemeenteraad aan politieambtenaren. Niet opvolgen bevel levert misdrijf van artikel 184, eerste lid, Wetboek van Strafrecht op. Mishandeling van politieambtenaar in cel bewezen. Beroep op noodweer gehonoreerd wegens disproportioneel geweld door politieambtenaar voorafgaand aan handelen verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/641119-09

Datum uitspraak: 21 januari 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Rotterdam

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres

[adres],

gemachtigd raadsman mr. D.H. van Tongerlo, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juli 2009 (zulks op de voet van artikel 377, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering) en van

7 januari 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de laatste terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie opnieuw is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte:

- een politie agent heeft mishandeld (onder 1 ten laste gelegd)

- twee politie agenten heeft beledigd (onder 2 ten laste gelegd)

- zich niet heeft verwijderd na een door politie ambtenaren gegeven bevel of vordering (onder 3 ten laste gelegd)

- een vrouw heeft mishandeld (onder 4 ten laste gelegd)

- heeft ingebroken in wijkgebouw waarbij LCD beeldschermen zijn weggenomen (onder 5 ten laste gelegd).

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Pols heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 63 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van Bouman GGZ, afdeling reclassering.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Feit 1

Van de volgende feiten en omstandigheden wordt uitgegaan.

Op 1 mei 2009 is de verdachte ingesloten in een Voorlopige Arrestanten Verblijf (VAV) van het hoofdbureau van de politie aan het Doelwater te Rotterdam. De verdachte gedroeg zich daar kort gezegd recalcitrant, naar eigen zeggen omdat hij niet samen met iemand anders in de VAV “cel” wilde zitten en omdat hij nog wat wilde drinken. Op de camerabeelden (overigens zonder geluid) is door de rechtbank waargenomen dat de verdachte herhaalde malen tegen de deur van het VAV aantrapt en op de intercom drukt. Er zijn verschillende politieambtenaren die de verdachte tot rust proberen te manen. Op een gegeven moment wordt de mede-arrestant naar een naastgelegen VAV verplaatst.

Rond 12:09 staan zowel politieambtenaar [verbalisant 1] als politieambtenaar [verbalisant 2] in het VAV bij de verdachte. [verbalisant 2] pakt verdachte met beide handen bij zijn linkerschouder en duwt hem naar achteren. [verbalisant 1] loopt weg bij de verdachte richting toegangsdeur en trekt met zijn linkerhand [verbalisant 2] aan zijn linkerelleboog mee.

Om 12:09:32:73 is op de beelden te zien dat [verbalisant 1] het VAV heeft verlaten, [verbalisant 2] staat nagenoeg in de deuropening en de verdachte maakt met zijn linker voet een trappende beweging in de richting van [verbalisant 2]/ de deurpost en schopt een in het kozijn staand plastic bekertje weg. [verbalisant 2] draait zich om en duwt herhaald met beide handen tegen de borst/schouderpartij van de verdachte. Deze belandt op de bank achterin het VAV en geeft dan [verbalisant 2] een duw.

Om 12:09:40:09 is te zien dat [verbalisant 2] voor de bank staat waarop de verdachte zit. Hij maakt dan een duwende/slaande beweging naar de verdachte, waarna de verdachte met zijn bovenlichaam opzij valt. De verdachte staat dan op van de bank en hij en [verbalisant 2] duwen elkaar over en weer tegen het bovenlichaam.

Om 12:09:42:79 is te zien dat de verdachte met zijn linkerschouder tegen de muur staat terwijl hij zijn hoofd naar links gedraaid houdt. [verbalisant 2] staat voor hem en maakt met zijn rechter been/voet een trappende beweging in de richting van de benen/het onderlichaam van de verdachte.

Om 12:09:45:19 laten de beelden zien dat [verbalisant 2] in worsteling is met de verdachte. In het VAV zijn inmiddels ook een arrestantenbewaarder en eerdergenoemde [verbalisant 1] binnengekomen.

De verdachte staat dan helemaal in de rechterhoek van het VAV tegen de muur bovenop de bank. [verbalisant 2] pakt hem met beide handen ter hoogte van zijn hals vast. De verdachte houdt zijn rechterarm gebogen en maakt een beweging.

Betwist wordt wat er daarna precies is gebeurd en of de op camera vastgelegde beweging inderdaad een klap of stomp oplevert tegen het hoofd van [verbalisant 2].

De officier van justitie heeft aangevoerd dat alleen al op grond van de beelden kan worden bewezen dat de verdachte -zoals is tenlastegelegd- politieambtenaar [verbalisant 2] heeft mishandeld.

Door de raadsman is als (subsidiair) standpunt naar voren gebracht dat de mishandeling niet kan worden bewezen nu op de camerabeelden van het VAV niet daadwerkelijk te zien zou zijn dat de verdachte heeft geslagen.

De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie, het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

De verdachte heeft ter zitting bij de politierechter van 7 juli 2009 zelf verklaard dat hij [verbalisant 2] op 1 mei 2009 in Rotterdam heeft geslagen. Bovendien is zowel uit eigen waarneming van de rechtbank van de ter zitting vertoonde camerabeelden als op grond van het proces-verbaal uitwerking camerabeelden van 2 december 2009 komen vast te staan dat op deze beelden te zien is (tijdstippen 12:09:47:77 t/m 12:09:47:38) dat de verdachte nadat hij door [verbalisant 2] met beide handen is vastgepakt ter hoogte van zijn hals, een slaande/stompende beweging met zijn arm maakt in de richting van het hoofd van [verbalisant 2]. Uit de FARR-verklaring en bijbehorende foto van 1 mei 2009 blijkt dat de forensisch arts op die dag links op het voorhoofd van [verbalisant 2] een zwelling heeft geconstateerd van circa 5 bij 3 centimeter. [verbalisant 2] heeft verklaard dat de zwelling pijnlijk was.

Op grond van het bovenstaande trekt de rechtbank de conclusie dat de zwelling op het voorhoofd van [verbalisant 2] het gevolg is van de daaraan voorafgaande klap/stomp van de verdachte.

Feit 1 kan daarom wettig en overtuigend worden bewezen.

Feit 2

Van het volgende wordt uitgegaan:

Op 1 mei 2009 omstreeks 04.40 uur hebben twee opsporingsambtenaren van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, [verbalisant 3] en [verbalisant 4], op het Weena te Rotterdam gezien dat de verdachte tegen diverse mensen en een buschauffeur aan het schelden was. Ter plekke zijn zij aangesproken door een controleur van de RET die hen vertelde dat de buschauffeur de verdachte had gevraagd te stoppen met het uitschelden en bespuwen van mensen die bij de nachtbus stonden. De bedoelde opsporingsambtenaren zagen dat verdachte zeer onvast ter been was en hebben hem verzocht naar huis te gaan. Omdat de verdachte hieraan geen gehoor gaf werd hij aangehouden. De verdachte is meegenomen naar het hoofdbureau van politie aan het Doelwater te Rotterdam. Tijdens de insluitingsfouillering van de verdachte hoorde hoofdagent [verbalisant 3] dat de verdachte meerdere malen tegen haar riep: “je bent een kankerhoer.” De verdachte heeft dit ter terechtzitting ook bekend. Nadat de verdachte was ingesloten in het VAV, hoorde [verbalisant 2], politieambtenaar van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, later die dag, dat de verdachte in het VAV iets luid tegen hem riep.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte de beide opsporingsambtenaren gedurende de uitoefening van hun functie heeft beledigd zoals ten laste gelegd.

De verdachte heeft echter ontkend dat hij tegen verbalisant [verbalisant 2] “kankernazi en kankerlijer“ heeft geroepen, mogelijk heeft hij wel “kankerjoden”geroepen. Namens de verdachte is daarom van dat onderdeel vrijspraak bepleit.

Dit tot deelvrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

Uit de op ambtseed opgemaakte verklaring van aangever [verbalisant 2] komt naar voren dat de verdachte in het arrestantenverblijf luid tegen hem riep: “Blijf van mij af kankernazi. Kankerlijer”. Deze verklaring wordt ondersteund door de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] die zich op dat moment ook in het VAV bevond. Overigens heeft ook de verdachte in zijn verklaring bij de politie van 2 mei 2009 verklaard dat hij misschien wel kankerlijers heeft gezegd.

Op grond van genoemde verklaringen wordt daarom tevens bewezen geacht dat de verdachte [verbalisant 2] heeft beledigd

Feit 3

De officier van justitie heeft zich -voor zover van belang- op het standpunt gesteld dat het door de politie gegeven bevel of vordering (hierna: bevel) is gegeven krachtens wettelijk voorschrift in de zin van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Voorts heeft hij betoogd dat dit wettelijke voorschrift, artikel 2.1.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Rotterdam (hierna: de APV), verbindend is. Daarnaast heeft de officier van justitie aangevoerd dat op grond van het dossier bewezen kan worden verklaard dat zich een situatie heeft voorgedaan als omschreven is in artikel 2.1.1 van de APV én dat de verdachte zich niet heeft gehouden aan een op grond van dat voorschrift gegeven bevel.

De raadman van de verdachte heeft -voor zover van belang- daar tegenover gemotiveerd gesteld dat artikel 2.1.1 van de APV niet kan worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 184 Sr. Subsidiair is de raadsman van mening dat het gegeven bevel onbevoegd is gegeven.

Krachtens wettelijk voorschrift

Aan de verdachte is op grond van artikel 184 Sr -kort gezegd- ten laste gelegd dat hij niet heeft voldaan aan een door een politieambtenaar gegeven bevel om zich te verwijderen. Eén van de in artikel 184 Sr opgenomen bestanddelen van de delictsomschrijving is dat een dergelijk bevel dient te zijn gegeven ‘krachtens wettelijk voorschrift’.

Artikel 2 Politiewet als basis

Het wettelijk voorschrift waar het gegeven bevel in het onderhavige geval volgens de tenlastelegging primair op is gegrond, is artikel 2.1.1 van de APV.

Voor zover hier van belang luidt dat artikel als volgt:

Artikel 2.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden

2.

Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor wanordelijkheden

ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende

gebeurtenis, waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan dan wel zich

bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend

bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem

aangewezen richting te verwijderen.

In de toelichting op dit artikel is -voor zover hier van belang- het volgende opgenomen.

Volgens de jurisprudentie impliceert de in de artikelen 2 en 12 van de Politiewet omschreven taak van de politie de bevoegdheid tot het geven van bevelen ter handhaving van de openbare orde c.a. Deze bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling een bevel van een politieambtenaar een element vormt. Het gaat dus niet om nieuwe politiebevoegdheden.

Uit het artikel noch uit de daarop gegeven toelichting volgt dat het de gemeentelijke wetgever bij de totstandkoming van 2.1.1 van de APV voor ogen heeft gestaan om expliciet een nieuwe bevelsbevoegdheid voor de politie te creëren. De tekst van de bepaling geeft aan dat onder bepaalde omstandigheden voor een burger de rechtsplicht bestaat zich te verwijderen dan wel zijn weg te vervolgen. Volgens de toelichting gaat het om een bestaande bevelsbevoegdheid van de politie die haar grondslag - met name - vindt in artikel 2 Politiewet (hierna: Pw) zodat in genoemd artikel van de APV slechts op deze bepaling wordt voortgeborduurd.

Het wettelijk voorschrift krachtens welke het in de tenlastelegging omschreven bevel is gegeven is derhalve weliswaar strikt genomen artikel 2.1.1 van de APV maar materieel artikel 2 Pw.

Inmiddels is het vaste jurisprudentie (zie o.m. Hoge Raad 29 januari 2008, NJ 2008, 206 met noot. P.A.M. Mevis en AB 2008, 147 met noot. Brouwer, LJN BB4108) dat artikel 2 Pw niet kan worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven die bij het niet daaraan voldoen een misdrijf als bedoeld in artikel 184, eerste lid, Sr opleveren. Het taakomschrijvende artikel 2 Pw houdt volgens de Hoge Raad niet uitdrukkelijk in dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het geven van het bevel.

Aldus lijkt in casu géén sprake van een bevel krachtens wettelijk voorschrift in de zin van artikel 184 Sr en zou daarom een vrijspraak moeten volgen.

Andere grondslag

Deze conclusie zou anders kunnen zijn indien zou komen vast te staan dat de gemeentelijke wetgever - zonder dit zelf voor ogen te hebben gehad - met de invoering van artikel 2.1.1

a) een nieuwe bevelsbevoegdheid voor ambtenaren van politie heeft gecreëerd die

b) verbindend is en c) uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaren gerechtigd zijn tot het geven van een bevel.

Ad a) bevelsbevoegdheid

Als gezegd biedt de tekst van de bepaling geen aanknopingspunten voor de vaststelling van een expliciete bevoegdheidstoedeling. Wel is de in artikel 2.1.1 neergelegde rechtsplicht onmiskenbaar te zien als een impliciete bevoegdheidstoedeling aan de politie. Uit het gegeven dat men op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie verplicht is zich te verwijderen of zijn weg te vervolgen kan immers niet anders worden geconcludeerd dan dat ambtenaren van politie bevoegd zijn die bevelen te geven.

Ad b) verbindendheid

De bevelsbevoegdheid die aan de politie wordt geattribueerd komt er -voor zover van belang- op neer dat de politie in een beperkt aantal gevallen van (dreigende) schending van de openbare orde de bewegingsvrijheid van personen mag beperken. Die beperking kan er uit bestaan dat de politie eenieder kan bevelen zich in een bepaalde richting te verwijderen of zijn weg te vervolgen.

De gemeentelijke wetgever heeft aldus voor de politie een bevelsbevoegdheid gecreëerd, die beperkt is tot de genoemde gevallen van (dreiging) van openbare orde schendingen, waarin voor de politie slechts een kleine (zelfstandige) beoordelingsruimte is gelaten en die in zijn algemeenheid slechts tot beperkte inbreuken op de bewegingsvrijheid zal leiden.

De rechtbank heeft onder ogen gezien dat het niet vanzelfsprekend is dat de gemeentelijke wetgever bevoegd is een dergelijke nieuwe bevoegdheid te scheppen (attributie). Dit betreft in het bijzonder twee aspecten, te weten in de eerste plaats de omstandigheid dat het primaat van handhaving van de openbare orde door de Gemeentewet bij de Burgemeester is gelegd en in de tweede plaats dat een dergelijke attributie complicaties kan opleveren in verband met de gezagsverhoudingen waarbinnen politieambtenaren werken.

Wat betreft deze aspecten stelt de rechtbank vast dat de Burgemeester op grond van artikel 172 van de Gemeentewet (waarin is bepaald dat de Burgemeester belast is met de handhaving van de openbare orde en zich daarbij kan bedienen van de onder zijn gezag staande politie) bevoegd is en blijft tot het geven van instructies aan politieambtenaren. Zulks vloeit rechtstreeks voort uit artikel 12 Pw, dat voor zover hier van belang luidt dat 'indien de politie in een gemeente optreedt ter handhaving van de openbare orde, zij onder gezag van de burgemeester staat'. Zou er al twijfel bestaan over de vraag of dit ook geldt indien opsporingsambtenaren handelen op grond van een hen door de gemeenteraad toegekende bevoegdheid, dan wordt deze weggenomen door het bepaalde in artikel 10:22 in verbinding met artikel 10:23 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin het volgende is bepaald.

Artikel 10:22

1. Indien een bevoegdheid tot het nemen van besluiten bij wettelijk voorschrift is toegedeeld aan een persoon of college, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan, kan dit bestuursorgaan per geval of in het algemeen instructies geven ter zake van de uitoefening van de toegedeelde bevoegdheid.

Artikel 10:23

Artikel 10:22 is van overeenkomstige toepassing indien bij wettelijk voorschrift een bevoegdheid tot het verrichten van andere handelingen dan besluiten is toegedeeld aan een persoon of college, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan

Daarnaast heeft de rechtbank als gezegd onderkend dat artikel 2.1.1 van de APV een beperking van het recht op bewegingsvrijheid meebrengt, welk recht is vast gelegd in artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en in artikel 2 van het Vierde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Deze verdragsbepalingen staan op dit recht beperkingen toe, mits die zijn voorzien van een wettelijke basis, voldoen aan het bepaaldheidsgebod, een legitieme doelstelling hebben en noodzakelijk zijn.

De APV als zodanig biedt een voldoende wettelijke basis voor een beperking van de bewegingsvrijheid. De legitieme doelstelling van de beperking kan gevonden worden in de tekst van het artikel en de plaatsing daarvan in het hoofdstuk "Openbare orde en veiligheid" en is de handhaving van de openbare orde, waaronder ook het voorkomen van een schending van de openbare orde te brengen is. De noodzakelijkheid van de beperking van de bewegingsvrijheid is erin gelegen dat de politie in de genoemde gevallen van dreigende openbare ordeschendingen een instrument voorhanden moet hebben ter (voorkoming of) bestrijding van die (dreigende) schending van de openbare orde. Hiervoor is reeds aan de orde gekomen dat in de artikel 2.1.1 van de APV neergelegde bepaling voldoende duidelijk is. Daarmee is voldaan aan de laatstgenoemde eis van het bepaaldheidsgebod.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat van een ongeoorloofde beperking van het recht op bewegingsvrijheid geen sprake is.

Tegen de achtergrond van het voorgaande is de gemeentelijke wetgever binnen de haar toekomende verordenende bevoegdheden gebleven en concludeert de rechtbank dat sprake is van een verbindend voorschrift.

Ad c) voldoende uitdrukkelijk

Zoals hiervoor reeds is aangegeven eist de Hoge Raad voor een wettelijk voorschrift als omschreven in artikel 184 Sr dat dat voorschrift uitdrukkelijk moet inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering. Hoe uitdrukkelijk dat dient te zijn wordt in voornoemd arrest niet nader uitgewerkt. Daarvoor moet aansluiting worden gezocht bij een beschikking die een klein jaar eerder door de Hoge Raad werd gewezen (Hoge Raad 24 april 2007, NJ 2007, 266 en AB 2008, 327 met noot Brouwer, LJN AZ3309). In die beschikking stond in een soortgelijk geval ter beoordeling of artikel 7 van het Algemeen Reglement Vervoer (hierna: ARV) voldoende uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het geven van een aanwijzing.

Artikel 7 van het ARV luidt:

Een ieder is verplicht de aanwijzingen betreffende de orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang op te volgen, die door of vanwege de spoorweg duidelijk kenbaar zijn gemaakt.

De Hoge Raad overwoog:

Deze bepaling zelf houdt niet in dat en welke (rechts)personen zijn belast met de wettelijke taak van het toezicht op de naleving van dit voorschrift, terwijl zij evenmin inhoudt dat opsporingsambtenaren dergelijke aanwijzingen mogen geven.

Op het eerste gezicht lijkt ook artikel 2.1.1 niet te voldoen aan alle eisen die de Hoge Raad stelt. In het artikel wordt in tegenstelling tot de bepaling uit het ARV wel de politieambtenaar uitdrukkelijk genoemd en wordt aan hem impliciet een bevelsbevoegdheid vergeven, maar niet wordt aangegeven dat de opsporingsambtenaar belast is met de wettelijke taak van toezicht. Deze wettelijke taak tot toezicht heeft de gemeentelijke wetgever geregeld in een ander artikel van de APV, te weten artikel 6.2 dat -voor zover hier van belang- luidt als volgt:

2.

Tevens zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen andere ambtenaren.

Het aanwijzingsbesluit toezichthouders Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam gebaseerd op artikel 6.2 lid 2 luidt -voor zover hier van belang-

Burgemeester en wethouders, alsmede de burgemeester, elk voor wat betreft hun eigen bevoegdheden:

Besluiten aan te wijzen als belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde in de hoofdstukken 1 tot en met 5 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam de opsporingsambtenaren van de Politieregio Rotterdam-Rijnmond bedoeld in artikel 141 Wetboek van Strafvordering.

Wanneer artikel 2.1.1 in samenhang wordt gelezen met artikel 6.2 en het aanwijzingsbesluit is daarmee aan de eis van uitdrukkelijkheid die de Hoge Raad aan een wettelijk voorschrift in de zin van 184 stelt voldaan. Kort en goed regelen beide artikelen en het besluit in onderlinge samenhang uitdrukkelijk dat een opsporingsambtenaar bevoegd is in bepaalde situaties bevelen te geven en zijn deze opsporingsambtenaren belast met het toezicht op de naleving daarvan belast.

Het wettelijk voorschrift waar het in casu gegeven bevel zijn grondslag vindt is derhalve artikel 2.1.1. jo. 6.2 van de APV jo het aanwijzingsbesluit. Nu subsidiair ten laste is gelegd ‘krachtens enig wettelijk voorschrift’ kan dat bestanddeel op die wijze worden bewezenverklaard.

Bewijsmotivering in enge zin

Uit het procesverbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] (hoofdagent van de politie Rotterdam-Rijnmond) en [verbalisant 4] komt naar voren dat zij door de meldkamer op pad waren gestuurd omdat de verdachte rond 4:40 uur ’s nachts op het Weena zowel tegen een buschauffeur als tegen mensen op straat stond te schelden. Ook zou hij de buschauffeur hebben bespuwd. Verzoeken van de buschauffeur om met dit gedrag te stoppen heeft de verdachte genegeerd. De verdachte heeft vervolgens met zijn mobiele telefoon een aantal vrienden gebeld met het verzoek om naar hem toe te komen. De verdachte heeft ook ruzie geprobeerd te zoeken met een groep RET-controleurs die om hem heen stond. Vervolgens heeft [verbalisant 3] de verdachte in het kader van de handhaving van de openbare orde op grond de Rotterdamse APV een aantal keer gevorderd zich te verwijderen in de richting van het Kruisplein. De verdachte heeft hieraan geen gevolg gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat er onder de geschetste omstandigheden sprake was van een voorval waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan zoals bedoeld in artikel 2.1.1 van de APV.

Feit 4

De rechtbank gaat uit van het volgende.

Uit de verklaringen van de verdachte, getuige [getuige] en van aangeefster [aangeefster] blijkt dat de verdachte op 14 januari 2009 samen met twee vrienden op de trap van het Piet Paaltjesplein (bij de ingang van het metrostation Marconiplein) te Rotterdam stond. Er is tussen de verdachte en aangeefster een woordenwisseling ontstaan, uitmondend in een vechtpartij. Vast staat ook dat de verdachte aangeefster op een gegeven moment aan haar haren heeft vastgepakt en daaraan heeft getrokken en haar vervolgens in ieder geval een klap in het gezicht heeft gegeven. In de medische informatie opgemaakt door een oogarts uit het oogziekenhuis te Rotterdam is vermeld dat aangeefster op 14 januari 2009 een pijnlijk oog had en daarnaast was er sprake van letsel in de vorm van een lichte bloeduitstorting onder het linkeroog en oppervlakkige hoornvliesbeschadigingen aan haar linkeroog.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld.

De verdachte heeft ter terechtzitting bekend in een reactie aangeefster een klap te hebben gegeven nadat zij hem eerst had geslagen. Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit omdat er geen sprake zou zijn geweest van een strafbaar feit.

De rechtbank kan de raadsman niet volgen in zijn verweer aangezien dit zonder nadere onderbouwing niet begrijpelijk is. Nu geen sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt behoeft dit verweer geen nadere bespreking.

Feit 4 kan wettig en overtuigend worden bewezen.

Feit 5

De rechtbank gaat uit van het volgende:

Op maandag 20 oktober 2009 is aangifte gedaan van een inbraak eerder die dag tussen 00.45 uur en 01.15 uur in het wijkgebouw aan het [adres] te Rotterdam. De eigenaar van het pand is Sport en Recreatie Rotterdam. De bedrijfsleider constateerde dat er twee ruiten waren ingegooid, één aan de zijde Bilderdijkstraat en één aan de zijde van het [adres] en dat er drie LCD beeldschermen, die aan genoemde eigenaar toebehoorden, uit het pand waren weggenomen. Het pand was zondagmiddag 19 oktober deugdelijk afgesloten.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] die vlak na de inbraak op de plaats delict was, blijkt dat beide ingegooide ramen zich op de begane grond bevonden. In het raam aan de Bilderdijkstraat zat een gat van ongeveer 15 centimeter, in het raam aan de zijde van het [adres] zat -zoals blijkt uit een zich in het dossier bevindende foto- een veel groter gat. In de achterliggende met glas bezaaide kantoorruimte is op de grond een stuk stoeptegel gevonden. Op grond hiervan wordt door de rechtbank aangenomen dat de dader(s) via laatstgenoemd verbroken raam het pand is/zijn binnengegaan. De drie weggenomen LCD-beeldschermen behoorden bij computers die zich in die kantoorruimte bevonden.

Door getuige [getuige 2], die boven het wijkgebouw woont, zijn rond 00.45 uur twee harde klappen en glasgerinkel gehoord. Vanaf het balkon zag deze getuige dat drie jongens, van wie er een gekleed was in een opvallend rood trainingsjack terwijl de anderen donkere kleding droegen, wegrenden. Enige tijd later hoorde hij de jongens weer terug komen. Deze getuige heeft twee maal met de politie gebeld om zijn bevindingen door te geven. Toen hij uit het raam keek, zag hij dat een vierde jongen, gekleed in een wit trainingsjack en lichtblauwe spijkerbroek, aan de overkant bij een lantaarnpaalstond. Deze jongens hadden een Marokkaans uiterlijk. Op een gegeven moment renden de jongens weg in de richting van de [straat]. Ook de jongen met de rode jas was hierbij. Een van de andere jongens was gekleed in een donkerblauw vest met capuchon, donkere broek en een pet. Bij het wegrennen zag hij dat de jongen met het witte trainingjack iets op de rijbaan liet vallen en later weer oppakte. Het was toen rond 01:05 uur. Uit de verklaring van getuige [getuige 2] leidt de rechtbank af dat er meer personen bij de inbraak betrokken waren.

Even later zijn de verdachte en diens medeverdachte [medeverdachte] rond 1.30 uur aangehouden in de buurt van het wijkcentrum, te weten op de [adres] op de hoek met de [adres]. [medeverdachte] had onder andere een rood trainingsjasje aan terwijl de verdachte een donker blauwe sweater met capuchon, een blauwe spijkerbroek en een zwart baseball petje droeg.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte als medeplichtige betrokken was bij de inbraak.

De raadsman van de verdachte heeft daarentegen vrijspraak bepleit nu het voor een bewezenverklaring aanwezige potentiële bewijsmateriaal al met al te mager is.

De rechtbank verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer.

Daartoe wordt het volgende overwogen.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij toevallig in de buurt was die nacht op het [adres] en dat hij daar op straat een jointje heeft gerookt, maar ontkent ook maar iets met de inbraak te maken te hebben.

Aan die ontkenning wordt geen geloof gehecht gelet op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] waarin deze heeft gezegd dat hij samen met de verdachte bij de inbraak op de uitkijk heeft gestaan. Bovendien wordt de verdachte, die qua kleding en uiterlijk voldoet aan het signalement van een van de bij de inbraak betrokken jongens zoals door ooggetuige [getuige 2] aan de politie gemeld, korte tijd na de inbraak in de nabije omgeving van het Wijkcentrum samen met de medeverdachte [medeverdachte] door de politie aangehouden.

Op grond van deze feiten en omstandigheden in samenhang bezien, wordt bewezen geacht dat de verdachte als medeplichtige betrokken is geweest bij de inbraak in Wijkgebouw [naam].

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op of omstreeks 01 mei 2009 te Rotterdam, opzettelijk mishandelend een

ambtenaar, te weten [verbalisant 2], zijnde een politieambtenaar van de Regiopolitie

Rotterdam-Rijnmond, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van

zijn/haar bediening, op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt,

waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 01 mei 2009 te Rotterdam opzettelijk beledigend (een)

ambtena(a)r(en), te weten [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3], gedurende en/of ter

zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, zijnde

politieambtenaar en/of hoofdagent van de Regiopolitie te Rotterdam-Rijnmond)

in diens/dier tegenwoordigheid meermalen, althans eenmaal mondeling heeft

toegevoegd de woorden "kankerlijer" en/of "kankernazi" en/of "kankerhoer",

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 01 mei 2009 te Rotterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan

een bevel of een vordering, krachtens artikel 2.1.1onder 2 juncto 6.2 Algemene

Plaatselijke Verordening, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift

gedaan door [verbalisant 3], zijnde hoofdagent van de Regiopolitie

Rotterdam-Rijnmond, die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of

die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken

van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat

deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd zich te

verwijderen (in de richting van het Kruisplein), geen gevolg gegeven aan dit

bevel of die vordering;

4.

hij op of omstreeks 14 januari 2009 te Rotterdam

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangeefster]),

- (met kracht) bij en/of aan haar (hoofd)haren heeft vastgepakt en/of heeft

getrokken en/of

- (meermalen) in/op/tegen haar gezicht heeft geslagen en/of gestompt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 20 oktober 2008 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand (gelegen op/aan het PC Hooftplein) hebben/heeft weggenomen drie, althans één of meer LCD beelscherm(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Sport en Recreatie Rotterdam en/of Wijkgebouw [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of hun/zijn medeverdachte(n) en/of aan verdachte, waarbij die een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of hun/zijn medeverdachte(n) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben/heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder hun/zijn bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf

verdachte op of omsteeks 20 oktober 2008 te Rotterdam en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door in de nabijheid van dat pand op de uitkijk te staan;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De rechtbank heeft met betrekking tot feit 3 ambtshalve de vraag aan de orde gesteld in hoeverre er sprake is van een (systematische) specialis verhouding tussen de strafbepaling van de artikelen 2.1.1 juncto 6.2 van de APV en artikel 184 Sr

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen reden is om aan te nemen dat er een systematische specialiteitsverhouding bestaat tussen artikel 2.1.1 van de APV en artikel 184 Sr.

In deze zaak is door het openbaar ministerie bewust gekozen voor het vervolgen van de verdachte langs de weg van artikel 184 Sr. Niet alleen omdat het opzettelijk niet voldoen aan artikel 2.1.1 van de APV wordt gezien als een directe aantasting van het openbaar gezag, maar ook omdat bij eventuele recidive in de toekomst gebruik kan worden gemaakt van de strafverhogende regeling in het vierde lid van artikel 184 Sr.

De rechtbank neemt evenmin een specialis-verhouding aan tussen beide genoemde bepalingen.

De bepaling van artikel 2.1.1 van de APV (de specialis) bevat niet alle bestanddelen van artikel 184 Sr (de generalis) terwijl er in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten zijn te vinden voor de opvatting dat artikel 2.1.1 van de APV niettemin moet worden beschouwd als een bijzondere strafbepaling.

Het ligt ook niet voor de hand dat een misdrijf door een overtreding zou worden verdrongen. De twee bepalingen bestaan dus naast elkaar. De keus is daarom telkens aan de officier van justitie om gelet op alle omstandigheden van het geval het feit hetzij als overtreding te vervolgen hetzij als misdrijf.

De bewezen feiten leveren op:

1. Mishandeling;

2. Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

3. Opzettelijk niet voldoen aan vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast;

4.Mishandeling;

5.Medeplichtigheid aan diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van de strafbaarheid van feit 1

Door en namens de verdachte is - meer subsidiair - naar voren gebracht dat hij ter zake van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte het bewezen verklaarde geweld heeft gepleegd als noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid Sr. Immers de verdachte heeft de klap gegeven omdat hij bijna geen lucht meer kreeg toen hij door [verbalisant 2] bij de keel werd gegrepen en zich door die klap van die wurggreep wilde bevrijden. Het bewezen verklaarde geweld was aldus geboden ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf tegen die ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich niet op noodweer kan beroepen nu het door politieambtenaar [verbalisant 2] tegen hem gebruikte politiegeweld noodzakelijk was om hem in bedwang te houden.

Het door de verdediging gevoerde beroep op noodweer slaagt.

Op grond van artikel 8 van de Politiewet is de politieambtenaar bevoegd tot het gebruik van fysiek geweld voorzover dat noodzakelijk en onvermijdelijk is voor de uitvoering van de politietaak. Politieel geweldsgebruik is slechts geoorloofd wanneer het voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Zolang het geweldsgebruik binnen die marges blijft, mag een burger zich daartegen niet straffeloos verzetten. In deze zaak ligt daarom de vraag voor of het handelen van [verbalisant 2] de toets aan die criteria doorstaat.

[verbalisant 2] heeft verklaard dat hij de verdachte een - niet harde - klap heeft gegeven om hem te corrigeren op zijn gedrag en zijn - beledigende (zie feit 2) - uitlatingen, dat hij hem later bij zijn keel pakte om afstand te creëren tussen hen beiden en dat er eigenlijk sprake was van “afduwen”.

Zowel op grond van de eigen waarneming van de rechtbank van de ter zitting vertoonde camerabeelden als op grond van het proces-verbaal uitwerking camerabeelden blijkt dat de verdachte zich weliswaar recalcitrant gedroeg tijdens zijn verblijf in het VAV, maar dat het eerste daadwerkelijke fysieke geweld (duwen van de verdachte op de bank achter in het VAV) door [verbalisant 2] is uitgeoefend nadat hij had besloten niet evenals zijn collega [verbalisant 1] het VAV uit te gaan, maar terug naar binnen te gaan, kennelijk om de verdachte aan te spreken op zijn gedrag.

Vervolgens escaleert het conflict tussen de verdachte en [verbalisant 2] in snel tempo, alles vindt plaats in nog geen minuut tijd. Na de duw volgt een klap tegen het hoofd van de verdachte, uit de beelden blijkt - anders dan [verbalisant 2] heeft verklaard - dat dit een stevige oplawaai is geweest. Daarna een zogenaamd “knietje” in het kruis van de verdachte, waarover door [verbalisant 2] in zijn verklaring niet eens wordt gerept, en tot slot het door [verbalisant 2] tegen de muur aanduwen van de verdachte met beide handen om diens keel/hals.

Dit fysieke geweldsgebruik kan niet meer proportioneel worden genoemd, er was geen sprake van noemenswaardig verzet aan de zijde van de verdachte waartegen [verbalisant 2] zich op deze wijze diende de verweren. Bovendien is uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting evenmin gebleken dat het door [verbalisant 2] omschreven doel -het corrigeren en tot rust manen van de verdachte -niet op een andere, minder ingrijpende manier kon worden bereikt.

De direct aan de klap door de verdachte voorafgaande geweldshandelingen worden daarom niet door artikel 8 Politiewet gelegitimeerd. Er is daarmee sprake van een wederrechtelijke aanranding door [verbalisant 2] van de verdachte.

Aannemelijk is geworden dat de verdachte inderdaad in ademnood kwam toen hij tegen de muur van het VAV werd gedrukt terwijl [verbalisant 2] hem met beide handen om zijn keel vastgreep. De daaropvolgende klap/stomp door de verdachte was in dat licht gepast en geboden als verdediging.

Het beroep op noodweer wordt daarom gehonoreerd, wat meebrengt dat het hierboven onder 1 bewezen verklaarde feit niet strafbaar is. De verdachte wordt derhalve voor dit feit van alle rechtsvervolging ontslagen.

Ten aanzien van de strafbaarheid van feit 4

Namens de verdachte is -subsidiair- een beroep gedaan op noodweer nu hij aangeefster [aangeefster] pas heeft geslagen nadat zij eerst hem had geslagen.

De officier van justitie heeft gesteld dat het beroep op noodweer dient te worden verworpen, alleen al omdat de verdachte zelf de confrontatie met aangeefster heeft gezocht zodat hij zich vervolgens niet tegen het daaropvolgende geweld mocht verdedigen.

Het beroep op noodweer wordt verworpen nu dit onvoldoende feitelijk is onderbouwd.

Door de verdediging is aan dit verweer immers alleen het feit ten grondslag gelegd dat aangeefster de verdachte als eerste zou hebben geslagen. Daarmee is nog niet aannemelijk geworden dat de verdachte op dat moment ook in een situatie is komen te verkeren waarin hij zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41 Sr.

Voor wat betreft de overige bewezen verklaarde feiten zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid daarvan uitsluiten.

De feiten 2 tot en met 5 zijn derhalve strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van het slachtoffer [aangeefster]. Hij heeft haar aan haar hoofdharen getrokken en haar in het gezicht geslagen/gestompt waardoor zij een bloeduitstorting onder haar oog en in ieder geval tijdelijk oogletsel opliep. Dit is een naar feit waar het slachtoffer ook enige tijd zichtbaar moet zijn herinnerd telkens als zij in de spiegel keek. Een dergelijk feit op een openbare plek als de ingang van een metrostation kan voor eventuele omstanders ook bijdragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Voorts heeft de verdachte geweigerd gehoor te geven aan een bevel van een politieagent zich aanstonds te verwijderen. Ook heeft hij twee ambtenaren van politie beledigd door tegen hen te roepen “kankerhoer, kankernazi en kankerlijer”.

Tenslotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid bij een inbraak door op de uitkijk te staan. Zijn medeverdachten hebben met een steen twee ruiten van een wijkgebouw ingegooid, waarbij zin naar binnen zijn geklommen en waarbij ze vervolgens drie LCD schermen hebben weggenomen. Door dergelijke feiten wordt niet alleen materiële schade toegebracht aan de benadeelde, maar wordt ook afbreuk gedaan aan een veilig leefklimaat in de buurt.

Op dergelijke feiten feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van beperkte duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 december 2009 reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De straf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd omdat er minder feiten bewezen worden geacht dan waarop de eis van de officier van justitie is gebaseerd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [verbalisant 2], domicilie kiezende te 3011 AH Rotterdam, p.a. Doelwater 5, terzake van de feiten 1 en 2. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250,=. De vordering is niet uitgesplitst naar de feiten 1 en 2.

De benadeelde partij zal in de vordering voor zover deze feit 1 betreft niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte voor dit feit geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a Sr evenmin toepassing heeft gevonden.

De rechtbank ziet zowel gelet op de relatieve ernst van feit 2 alsmede gelet op de feiten en omstandigheden zoals hierboven vermeld bij de bespreking van het geslaagde beroep op noodweer, geen aanleiding om ambtshalve een immateriële schadevergoeding vast te stellen voor de onder 2 bewezenverklaarde belediging.

De benadeelde partij zal voorzover de vordering ziet op feit 2 niet-ontvankelijk worden verklaard nu de vordering zonder nadere toelichting niet eenvoudig van aard is.

Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal worden bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 48, 57, 184, 266, 267, 300, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het onder 1 bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

stelt vast dat het onder 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 7 (zeven) weken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

verklaart de benadeelde partij voor zover deze feit 1 betreft niet-ontvankelijk in de vordering;

verklaart de benadeelde partij voor zover deze feit 2 betreft niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van den Hurk, voorzitter,

en mrs. Janssen en Trotman, rechters,

in tegenwoordigheid van Wilsing, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 januari 2010.

Bijlage bij vonnis van 21 januari 2010:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 01 mei 2009 te Rotterdam, opzettelijk mishandelend een

ambtenaar, te weten [verbalisant 2], zijnde een politieambtenaar van de Regiopolitie

Rotterdam-Rijnmond, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van

zijn/haar bediening, op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt,

waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

(Artikel 300 jo 304 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 01 mei 2009 te Rotterdam opzettelijk beledigend (een)

ambtena(a)r(en), te weten [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3], gedurende en/of ter

zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, zijnde

politieambtenaar en/of hoofdagent van de Regiopolitie te Rotterdam-Rijnmond)

in diens/dier tegenwoordigheid meermalen, althans eenmaal mondeling heeft

toegevoegd de woorden "kankerlijer" en/of "kankernazi" en/of "kankerhoer",

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

Artikel 266 jo 267 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 01 mei 2009 te Rotterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan

een bevel of een vordering, krachtens artikel 2.1.1/1 jo 2.1.1/2 Algemene

Plaatselijke Verordening, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift

gedaan door [verbalisant 3], zijnde hoofdagent van de Regiopolitie

Rotterdam-Rijnmond, die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of

die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken

van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat

deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd zich te

verwijderen (in de richting van het Kruisplein), geen gevolg gegeven aan dit

bevel of die vordering;

(Artikel 184 Wetboek van Strafrecht) (pknr.641119-09)

4.

hij op of omstreeks 14 januari 2009 te Rotterdam

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangeefster]),

- (met kracht) bij en/of aan haar (hoofd)haren heeft vastgepakt en/of heeft

getrokken en/of

- (meermalen) in/op/tegen haar gezicht heeft geslagen en/of gestompt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Artikel 300 Wetboek van Strafrecht (parketnummer 631013-09)

5.

een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 20 oktober 2008 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand (gelegen op/aan het [adres]) hebben/heeft weggenomen drie, althans één of meer LCD beelscherm(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Sport en Recreatie Rotterdam en/of Wijkgebouw [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of hun/zijn medeverdachte(n) en/of aan verdachte, waarbij die een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of hun/zijn medeverdachte(n) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben/heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder hun/zijn bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf

verdachte op of omsteeks 20 oktober 2008 te Rotterdam en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door in de nabijheid van dat pand op de uitkijk te staan;

(Artikel 310 juncto 311 juncto 48 Wetboek van Strafrecht)