Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BL0117

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
10/632566-09 + TUL
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Bevelsbevoegdheid van politie op grond van de APV in geval van verstoring openbare orde verbindend geacht. Voldoende uitdrukkelijke bevoegdheidsbepaling. Geoorloofde attributie door gemeenteraad aan politieambtenaren. Niet opvolgen bevel levert misdrijf van artikel 184, eerste lid, Wetboek van Strafrecht op. In casu niet voldaan aan vereisten in APV. In afwijking van NJ 1987,851 ten tijde van aanhouding ter zake 184 Sr. geen redelijk vermoeden van schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010, 101 met annotatie van J.G. Brouwer en A.E. Schilder

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/632566-09

Parketnummer TUL: 10/631129-08

Datum uitspraak: 21 januari 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Kaapverdië), ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsman mr. J.D.G. Rutten, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

2 september 2009 (zulks op de voet van artikel 377, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering) en van 7 januari 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte:

- cocaïne in zijn bezit heeft gehad (onder 1 ten laste gelegd);

- een busje pepperspray in zijn bezit heeft gehad (onder 2 ten laste gelegd);

- zich niet heeft verwijderd na een door politie ambtenaren gegeven bevel of vordering (onder 3 ten laste gelegd);

- zich heeft verzet tijdens de aanhouding en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid (onder 4 ten laste gelegd).

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Pols heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken voorwaardelijk, alsmede een werkstraf van 50 uur subsidiair 25 dagen hechtenis.

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van het gedeelte van de straf groot twee maanden dat aan de verdachte voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis d.d. 24 september 2008 van de meervoudige kamer van deze rechtbank.

De officier van justitie heeft ter zitting verzocht de eerder gedane vordering aldus toe te wijzen dat, in plaats van de gevorderde tenuitvoerlegging, de proeftijd met een jaar wordt verlengd.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

De officier van justitie heeft zich -voor zover hier van belang- op het standpunt gesteld dat het door de politie gegeven bevel of vordering (hierna: bevel) is gegeven krachtens wettelijk voorschrift in de zin van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Voorts heeft hij betoogd dat dit wettelijke voorschrift, artikel 2.1.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Rotterdam (hierna: APV), verbindend is. Daarnaast heeft de officier van justitie aangevoerd dat op grond van het dossier bewezen kan worden verklaard dat zich een situatie heeft voorgedaan als omschreven is in artikel 2.1.1 van de APV én dat de verdachte zich niet heeft gehouden aan een op grond van dat voorschrift gegeven bevel.

De raadsman van de verdachte heeft -voor zover van belang- daar tegenover gemotiveerd gesteld dat artikel 2.1.1 van de APV niet kan worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 184 Sr. Subsidiair is de raadsman van mening dat het gegeven bevel onbevoegd is gegeven.

Krachtens wettelijk voorschrift

Aan de verdachte is op grond van artikel 184 Sr -kort gezegd- ten laste gelegd dat hij niet heeft voldaan aan een door een politieambtenaar gegeven bevel om zich te verwijderen. Eén van de in artikel 184 Sr opgenomen bestanddelen van de delictsomschrijving is dat een dergelijk bevel dient te zijn gegeven ‘krachtens wettelijk voorschrift’.

Artikel 2 Politiewet als basis

Het wettelijk voorschrift waar het gegeven bevel in het onderhavige geval volgens de tenlastelegging primair op is gegrond, is artikel 2.1.1 van de APV.

Voor zover hier van belang luidt dat artikel als volgt:

Artikel 2.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden

2.

Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

In de toelichting op dit artikel is -voor zover hier van belang- het volgende opgenomen.

Volgens de jurisprudentie impliceert de in de artikelen 2 en 12 van de Politiewet omschreven taak van de politie de bevoegdheid tot het geven van bevelen ter handhaving van de openbare orde c.a. Deze bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling een bevel van een politieambtenaar een element vormt. Het gaat dus niet om nieuwe politiebevoegdheden.

Uit het artikel noch uit de daarop gegeven toelichting volgt dat het de gemeentelijke wetgever bij de totstandkoming van 2.1.1 van de APV voor ogen heeft gestaan om expliciet een nieuwe bevelsbevoegdheid voor de politie te creëren. De tekst van de bepaling geeft aan dat onder bepaalde omstandigheden voor een burger de rechtsplicht bestaat zich te verwijderen dan wel zijn weg te vervolgen. Volgens de toelichting gaat het om een bestaande bevelsbevoegdheid van de politie die haar grondslag -met name- vindt in artikel 2 Politiewet (hierna: Pw) zodat in genoemd artikel van de APV slechts op deze bepaling wordt voortgeborduurd.

Het wettelijk voorschrift krachtens welke het in de tenlastelegging omschreven bevel is gegeven is derhalve weliswaar strikt genomen artikel 2.1.1 van de APV maar materieel artikel 2 Pw.

Inmiddels is het vaste jurisprudentie (zie o.m. Hoge Raad 29 januari 2008, NJ 2008, 206 met noot P.A.M. Mevis en AB 2008, 147 met noot Brouwer, LJN BB4108) dat artikel 2 Pw niet kan worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven die bij het niet daaraan voldoen een misdrijf als bedoeld in art. 184, eerste lid, Sr opleveren. Het taakomschrijvende artikel 2 Pw houdt volgens de Hoge Raad niet uitdrukkelijk in dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het geven van het bevel.

Aldus lijkt in casu géén sprake van een bevel krachtens wettelijk voorschrift in de zin van artikel 184 Sr en zou daarom een vrijspraak moeten volgen.

Andere grondslag

Deze conclusie zou anders kunnen zijn indien zou komen vast te staan dat de gemeentelijke wetgever -zonder dit zelf voor ogen te hebben gehad- met de invoering van artikel 2.1.1 van de APV a) een nieuwe bevelsbevoegdheid voor ambtenaren van politie heeft gecreëerd die b) verbindend is en c) uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaren gerechtigd zijn tot het geven van een bevel.

Ad a) bevelsbevoegdheid

Als gezegd biedt de tekst van de bepaling geen aanknopingspunten voor de vaststelling van een expliciete bevoegdheidstoedeling. Wel is de in artikel 2.1.1 van de APV neergelegde rechtsplicht onmiskenbaar te zien als een impliciete bevoegdheidstoedeling aan de politie. Uit het gegeven dat men op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie verplicht is zich te verwijderen of zijn weg te vervolgen kan immers niet anders worden geconcludeerd dan dat ambtenaren van politie bevoegd zijn die bevelen te geven.

Ad b) verbindendheid

De bevelsbevoegdheid die aan de politie wordt geattribueerd komt er -voor zover van belang- op neer dat de politie in een beperkt aantal gevallen van (dreigende) schending van de openbare orde de bewegingsvrijheid van personen mag beperken. Die beperking kan er uit bestaan dat de politie eenieder kan bevelen zich in een bepaalde richting te verwijderen of zijn weg te vervolgen.

De gemeentelijke wetgever heeft aldus voor de politie een bevelsbevoegdheid gecreëerd, die beperkt is tot de genoemde gevallen van (dreiging) van openbare orde schendingen, waarin voor de politie slechts een kleine (zelfstandige) beoordelingsruimte is gelaten en die in zijn algemeenheid slechts tot beperkte inbreuken op de bewegingsvrijheid zal leiden.

De rechtbank heeft onder ogen gezien dat het niet vanzelfsprekend is dat de gemeentelijke wetgever bevoegd is een dergelijke nieuwe bevoegdheid te scheppen (attributie). Dit betreft in het bijzonder twee aspecten, te weten in de eerste plaats de omstandigheid dat het primaat van handhaving van de openbare orde door de Gemeentewet bij de Burgemeester is gelegd en in de tweede plaats dat een dergelijke attributie complicaties kan opleveren in verband met de gezagsverhoudingen waarbinnen politieambtenaren werken.

Wat betreft deze aspecten stelt de rechtbank vast dat de Burgemeester op grond van artikel 172 van de Gemeentewet (waarin is bepaald dat de Burgemeester belast is met de handhaving van de openbare orde en zich daarbij kan bedienen van de onder zijn gezag staande politie) bevoegd is en blijft tot het geven van instructies aan politieambtenaren. Zulks vloeit rechtstreeks voort uit artikel 12 Pw, dat voor zover hier van belang luidt dat indien de politie in een gemeente optreedt ter handhaving van de openbare orde, zij onder gezag van de burgemeester staat. Zou er al twijfel bestaan over de vraag of dit ook geldt indien opsporingsambtenaren handelen op grond van een hen door de gemeenteraad toegekende bevoegdheid, dan wordt deze weggenomen door het bepaalde in artikel 10:22 in verbinding met artikel 10:23 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin het volgende is bepaald.

Artikel 10:22

1. Indien een bevoegdheid tot het nemen van besluiten bij wettelijk voorschrift is toegedeeld aan een persoon of college, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan, kan dit bestuursorgaan per geval of in het algemeen instructies geven ter zake van de uitoefening van de toegedeelde bevoegdheid.

Artikel 10:23

Artikel 10:22 is van overeenkomstige toepassing indien bij wettelijk voorschrift een bevoegdheid tot het verrichten van andere handelingen dan besluiten is toegedeeld aan een persoon of college, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan.

Daarnaast heeft de rechtbank als gezegd onderkend dat artikel 2.1.1 van de APV een beperking van het recht op bewegingsvrijheid meebrengt, welk recht is vast gelegd in artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en in artikel 2 van het Vierde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Deze verdragsbepalingen staan op dit recht beperkingen toe, mits die zijn voorzien van een wettelijke basis, voldoen aan het bepaaldheidsgebod, een legitieme doelstelling hebben en noodzakelijk zijn.

De APV als zodanig biedt een voldoende wettelijke basis voor een beperking van de bewegingsvrijheid. De legitieme doelstelling van de beperking kan gevonden worden in de tekst van het artikel en de plaatsing daarvan in het hoofdstuk "Openbare orde en veiligheid" en is de handhaving van de openbare orde, waaronder ook het voorkomen van een schending van de openbare orde te brengen is. De noodzakelijkheid van de beperking van de bewegingsvrijheid is erin gelegen dat de politie in de genoemde gevallen van dreigende openbare ordeschendingen een instrument voorhanden moet hebben ter (voorkoming of) bestrijding van die (dreigende) schending van de openbare orde. Hiervoor is reeds aan de orde gekomen dat in de artikel 2.1.1 van de APV neergelegde bepaling voldoende duidelijk is. Daarmee is voldaan aan de laatstgenoemde eis van het bepaaldheidsgebod.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat van een ongeoorloofde beperking van het recht op bewegingsvrijheid geen sprake is.

Tegen de achtergrond van het voorgaande is de gemeentelijke wetgever binnen de haar toekomende verordenende bevoegdheden gebleven en concludeert de rechtbank dat sprake is van een verbindend voorschrift.

Ad c) voldoende uitdrukkelijk

Zoals hiervoor reeds is aangegeven eist de Hoge Raad voor een wettelijk voorschrift als omschreven in artikel 184 dat dat voorschrift uitdrukkelijk moet inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering. Hoe uitdrukkelijk dat dient te zijn wordt in voornoemd arrest niet nader uitgewerkt. Daarvoor moet aansluiting worden gezocht bij een beschikking die een klein jaar eerder door de Hoge Raad werd gewezen (Hoge Raad 24 april 2007, NJ 2007, 266 en AB 2008, 327 met noot Brouwer, LJN AZ3309). In die beschikking stond in een soortgelijk geval ter beoordeling of artikel 7 van het Algemeen Reglement Vervoer (hierna: ARV) voldoende uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het geven van een aanwijzing.

Artikel 7 van het ARV luidt:

Een ieder is verplicht de aanwijzingen betreffende de orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang op te volgen, die door of vanwege de spoorweg duidelijk kenbaar zijn gemaakt.

De Hoge Raad overwoog:

Deze bepaling zelf houdt niet in dat en welke (rechts)personen zijn belast met de wettelijke taak van het toezicht op de naleving van dit voorschrift, terwijl zij evenmin inhoudt dat opsporingsambtenaren dergelijke aanwijzingen mogen geven.

Op het eerste gezicht lijkt ook artikel 2.1.1 van de APV niet te voldoen aan alle eisen die de Hoge Raad stelt. In het artikel wordt in tegenstelling tot de bepaling uit het ARV wel de politieambtenaar uitdrukkelijk genoemd en wordt aan hem impliciet een bevelsbevoegdheid vergeven, maar niet wordt aangegeven dat de opsporingsambtenaar belast is met de wettelijke taak van toezicht.

Deze wettelijke taak tot toezicht heeft de gemeentelijke wetgever geregeld in een ander artikel van de APV, te weten artikel 6.2 dat -voor zover hier van belang- luidt als volgt:

2.

Tevens zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen andere ambtenaren.

Het aanwijzingsbesluit toezichthouders Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam gebaseerd op artikel 6.2 lid 2 luidt -voor zover hier van belang-

Burgemeester en wethouders, alsmede de burgemeester, elk voor wat betreft hun eigen bevoegdheden: Besluiten aan te wijzen als belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde in de hoofdstukken 1 tot en met 5 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam de opsporingsambtenaren van de Politieregio Rotterdam-Rijnmond bedoeld in artikel 141 Wetboek van Strafvordering.

Wanneer artikel 2.1.1 van de APV in samenhang wordt gelezen met artikel 6.2 van de APV en het aanwijzingsbesluit is daarmee aan de eis van uitdrukkelijkheid die de Hoge Raad aan een wettelijk voorschrift in de zin van 184 Sr stelt voldaan. Kort en goed regelen beide artikelen en het besluit in onderlinge samenhang uitdrukkelijk dat een opsporingsambtenaar bevoegd is in bepaalde situaties bevelen te geven en zijn deze opsporingsambtenaren belast met het toezicht op de naleving daarvan belast.

Het wettelijk voorschrift waar het in casu gegeven bevel zijn grondslag vindt is derhalve artikel 2.1.1. juncto 6.2 van de APV juncto aanwijzingsbesluit. Nu subsidiair ten laste is gelegd ‘krachtens enig wettelijk voorschrift’ zou dat bestanddeel op die wijze kunnen worden bewezenverklaard.

Vrijspraakmotivering feit 3

Toch zal de verdachte van het hem onder 3 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Op grond van hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen kan namelijk niet worden vastgesteld dat bij de confrontatie tussen de politie en de verdachte sprake is geweest van een van de situaties als omschreven in artikel 2.1.1 van de APV. Anders gezegd, niet blijkt dat de openbare orde bij die confrontatie op enig moment in het geding is geweest.

Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 augustus 2009 blijkt dat het vroeg in de ochtend was (circa 6:12 uur) toen verdachte op de Nieuwe Binnenweg een oplopende woordenwisseling kreeg met een van de politieambtenaren ([verbalisant 1]) die op dat moment samen met politieambtenaar [verbalisant 2] door afscherming, zijn collega’s assisteerde die bezig waren met de aanhouding van een kennis ([betrokkene 1]) van verdachte. Behalve een aantal politieagenten blijkt uit de camerastills niet dat er publiek of anderen op straat waren.

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is ook overigens niet terug te vinden op basis waarvan de politie van mening was dat aan de concrete situationele voorwaarden van artikel 2.1.1 van de APV was voldaan. Zo is niet gebleken dat er sprake was van een samenscholing of een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis. Evenmin kan worden volgehouden dat de aanhouding van [betrokkene 1] door een groep politieambtenaren een voorval is waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan. Dat de verdachte op agressieve toon schreeuwde naar politieambtenaar [verbalisant 1], maakt dat niet anders.

De politie was dan ook niet bevoegd de vordering op grond van artikel 2.1.1 van de APV te doen zodat niet bewezen kan worden verklaard dat deze vordering krachtens wettelijk voorschrift is gedaan.

Vrijspraakmotivering feit 4

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] wordt gerelateerd dat de verdachte op 13 augustus 2009 zich op de Nieuwe Binnenweg te Rotterdam heeft verzet tegen zijn aanhouding op verdenking van het overtreden van artikel 184 Sr.

Zo heeft hij zich met kracht te proberen los te rukken op het moment dat hij door hen werd vastgepakt. Ook heeft hij zich - terwijl de genoemde politieambtenaren hem de handboeien om deden - geprobeerd in een andere richting te manoeuvreren dan zij hem wilden brengen. De verdachte heeft zowel bij de politie als op de terechtzitting bekend dat hij zich met geweld heeft verzet tegen zijn aanhouding.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 4 ten laste gelegde kan worden bewezen verklaard zoals op de dagvaarding omschreven.

De raadsman heeft vrijspaak bepleit. Dit nu de verdachte zijns inziens al zou dienen te worden vrijgesproken van de onder feit 3 ten laste gelegde overtreding van artikel 184 Sr, omdat sprake zou zijn van een onbevoegd gegeven bevel. Doorredenerend kan - aldus de raadsman - dan evenmin bij feit 4 worden bewezen dat de op de dagvaarding genoemde politieambtenaren werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van de bediening toen zij de verdachte op verdenking van artikel 184 van het Wetboek van Sr hadden aangehouden.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 1987, NJ 1987, 851 vloeit voort dat van 'rechtmatige uitoefening van de bediening' ook nog sprake kan zijn als achteraf blijkt dat het strafbare feit waarvan verdachte verdacht werd en ter zake waarvan hij werd aangehouden toch niet door hem gepleegd is of dat feit niet een volgens de wet strafbaar feit oplevert.

Een eventuele latere vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging ter zake van een feit waarvoor ambtenaren iemand hebben aangehouden, brengt niet zonder meer mee dat deze ambtenaren ten tijde van de aanhouding niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren. Wederspannigheid daartegen blijft in dat geval dus strafbaar.

De beoordeling van de vraag of er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld dient volgens de Hoge Raad te geschieden aan de hand van de op het moment van de verdenking bekende feiten en omstandigheden.

De rechtbank honoreert het tot vrijspraak strekkende verweer en overweegt daartoe als volgt.

Op het moment van aanhouding bestond er bij de politie-ambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] met betrekking tot de verdachte een verdenking van overtreding van artikel 184 Sr nu de verdachte vlak daarvoor tot twee maal toe geen gehoor had gegeven aan een verwijderingsvordering op grond van artikel 2.1.1 van de APV.

Gelet op de zich toen voordoende feitelijke omstandigheden zoals hierboven vermeld bij de vrijspraak van feit 3, kan niet worden gezegd dat er ten tijde van de aanhouding sprake was van een situatie als vereist in artikel 2.1.1 van de APV. Immers van wanordelijkheden of samenscholingen was geenszins sprake. De politie was -zoals eerder overwogen- dan ook niet bevoegd de vordering op grond van artikel 2.1.1 van de APV te doen zodat dat de vordering niet krachtens wettelijk voorschrift is gedaan en van overtreding van artikel 184 Sr ook geen sprake is.

Dit brengt met zich dat ten tijde van de aanhouding in redelijkheid evenmin een vermoeden van schuld kon bestaan inzake overtreding van artikel 184 Sr. De ambtenaren van politie waren ten tijde van de aanhouding daarom niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. De verdachte wordt dan ook vrijgesproken van de hem onder 4 ten laste gelegde wederspannigheid.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Aangezien de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hierna bewezen verklaard, heeft bekend, wordt ten aanzien van die feiten volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

Feit 1:

- de bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

- het ambtsedig proces-verbaal van politie Rotterdam Rijnmond 28 juni 2009 nummer 2009221928-4 (bevindingen verbalisanten);

- het ambtsedig proces-verbaal van politie Rotterdam Rijnmond 28 juni 2009 nummer 2009221928-19 (weging en monsterneming);

- een ambtsedig rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 10 juli 2009,

nummer 20090706009.

Feit 2:

- de bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

- het ambtsedig proces-verbaal van politie Rotterdam Rijnmond 28 juni 2009 nummer 2009221928-4 (bevindingen verbalisanten);

- het ambtsedig proces-verbaal van politie Rotterdam Rijnmond 28 juni 2009 nummer 2009221928-17 (bevindingen verbalisanten).

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op of omstreeks 28 juni 2009 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,99 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 28 juni 2009 te Rotterdam een pepperspray-spuitbus, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

2.Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 1,99 gram cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid schadelijke stof en het gebruik ervan gaat gepaard met andere vormen van criminaliteit, vaak gepleegd door gebruikers in het kader van financiering van hun behoefte aan harddrugs. Het bezit daarvan moet dan ook krachtig worden bestreden. Verdachte heeft tevens een busje met pepperspray voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van pepperspray kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen.

Op dergelijke feiten feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van beperkte duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 december 2009 reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Tot slot is in het voordeel van de verdachte rekening gehouden dat het er op lijkt dat hij inmiddels zijn leven een wending ten goede heeft gegeven en serieus bezig is met het zoeken naar werk en school. Het is echter van belang dat de verdachte gemotiveerd blijft in zijn streven niet meer te recidiveren.

Tevens is acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte iets langer dan wenselijk op de berechting van de zaak heeft moeten wachten.

Onder deze omstandigheden wordt een werkstraf van beperkte duur passend en geboden geacht.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij op tegenspraak gewezen vonnis van 24 september 2008 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte terzake van poging zware mishandeling, het plegen van openlijk geweld tegen personen, handelen in strijd met artikel 13 van de Wet wapens en munitie en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd veroordeeld voor zover hier van belang tot een gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan een gedeelte groot 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

De proeftijd is op grond van artikel 14b, derde lid Sr ingegaan op 9 oktober 2008. De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd.

Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Er worden evenwel termen aanwezig geacht die last niet te geven, doch in plaats daarvan de proeftijd te verlengen met één jaar. Door een samenloop van omstandigheden die niet aan de verdachte te wijten is, is de reclassering immers pas kort voor de terechtzitting begonnen met de uitvoering van het toezicht dat reeds bij vonnis van 24 september 2008 was opgelegd.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op de artikelen 9, 14f, 14g, 22c, 22d, en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 10 van de Opiumwet en artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 en 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

legt de verdachte een taakstraf op bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uur, waarbij de Stichting Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 18 (achttien) uur te verrichten werkstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 9 (negen) dagen;

verlengt de proeftijd van de bij vonnis van 24 september 2008 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van den Hurk, voorzitter,

en mrs. Janssen en Trotman, rechters,

in tegenwoordigheid van Wilsing, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 januari 2010.

Bijlage bij vonnis van 21 januari 2010:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 28 juni 2009 te Rotterdam

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,99 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

[artikel 2/C jo 10 van de Opiumwet]

(pkt nr 632566-09)

2.

hij

op of omstreeks 28 juni 2009 te Rotterdam

een pepperspray-spuitbus, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van

personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of

traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft

gehad;

[artikel 26 jo 55 van de Wet Wapens en Munitie]

(pkt nr 632566-09)

3.

hij

op of omstreeks 13 augustus 2009 te Rotterdam

opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens

artikel 2.1.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening, in elk geval krachtens

enig wettelijk voorschrift gedaan door [verbalisant 1], agent van politie,

werkzaam bij de politie Rotterdam-Rijnmond, die was belast met de uitoefening

van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het

opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen

en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had

gevorderd die plaats te verlaten, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die

vordering;

(artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht)

(pkt nr 643171-09)

4.

hij

op of omstreeks 13 augustus 2009 te Rotterdam

toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] beiden agent van

poltie, werkzaam bij de politie Rotterdam-Rijnmond verdachte op verdenking van

het overtreden van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval op

verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad

ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde

hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem

daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten een politie

bureau, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde

opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening

zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig zich los te trekken /

rukken uit de greep van die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of (vervolgens) zich te

manoeuvreren en/of weg te lopen in een richting tegenovergesteld aan die

waarin die ambtena(a)r(en) hem trachtte(n) te brengen;

(artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht)

(pkt nr 643171-09)