Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BK9789

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
AWB 09/385 WOB - T1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De belangenafweging bij de weigering de volledige stukken te overleggen, is onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank voorziet zelf en bepaalt dat de resterende stukken door verweerder worden overgelegd, omdat niet meer gesteld kan worden dat het belang van eiseres bij openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden, nu eiseres feitelijk zelf al bij machte is om de doorgehaalde tarieven op de resterende stukken te berekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/385 WOB - T1

Uitspraak in het geding tussen

[ ], wonende te Amsterdam, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard, verweerder,

gemachtigde mr. R.V.C.F. Dingemans, advocaat te Maarsen.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 5 maart 2008 heeft eiseres met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) bij verweerder documenten opgevraagd betrekking hebbende op de overeen-komst tussen CAI Albrandswaard en/of de gemeente enerzijds en de Vereniging Buma anderzijds, met betrekking tot de openbaarmaking van auteursrechtelijk beschermde werken via de kabel.

Bij besluit van 27 mei 2008 heeft verweerder het verzoek van eiseres afgewezen.

Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 december 2008, op schrift gesteld op 22 december 2008, heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en is besloten dat de gevraagde documenten inzake de CAI Albrandswaard worden overgelegd, waarbij de informatie over tarieven onleesbaar wordt gemaakt.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2009. Eiseres is met kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door diens gemachtigde en [medewerker verweerder].

2 Overwegingen

Eiseres heeft de navolgende informatie opgevraagd bij verweerder:

- de thans geldende overeenkomst tussen CAI Albrandswaard en/of de gemeente enerzijds en de Vereniging Buma anderzijds, met betrekking tot de openbaarmaking van auteursrechtelijk beschermde werken via de kabel;

- de (model-)overeenkomst die in of omstreeks december 2007 is overeengekomen tussen de vereniging Buma en de Vereniging Vecai (ook wel genoemd NLKabel) en, indien van toepassing, de door de CAI Albrandswaard en/of de gemeente ondertekende versie daarvan;

- alle onder de gemeente en/of CAI Albrandswaard berustende documenten die betrekking hebben op de in de voorgaande onderdelen bedoelde overeenkomsten, waaronder begrepen correspondentie, concepten, facturen en notities;

- alle overige onder de gemeente en/of CAI Albrandswaard berustende documenten, waaronder begrepen andere en/of oudere documenten, die betrekking hebben op auteursrechtelijke vergoedingen in verband met de verspreiding van radio- en televisiesignalen door CAI Albrandswaard.

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek afgewezen. Daartoe is overwogen dat de CAI geen bestuurlijke aangelegenheid is in de zin van de Wob. De gevraagde informatie betreft bedrijfsgegevens die vertrouwelijk aan de gemeente bekend gemaakt zijn. Voorts stelt verweerder dat het belang van eiseres niet opweegt tegen het financiële en economische belang van de gemeente bij het achterwege houden van de gevraagde informatie. Verweerder acht het niet ondenkbaar dat de gemeente door de wederpartij en/of derden aansprakelijk wordt gesteld voor de (financiële) consequenties van het openbaar maken van deze informatie. Tot slot stelt verweerder dat openbaarmaking van de gevraagde, concurrentiegevoelige informatie de contractpartijen, maar ook derden, onevenredig benadeelt of andere derden onevenredig bevoordeelt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres, onder verwijzing naar het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften (hierna: de commissie) van 11 september 2008, gedeeltelijk gegrond verklaard. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat in de te overleggen documenten inzake de CAI Albrandswaard de informatie over tarieven onleesbaar zal worden gemaakt. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een bestuursorgaan bij een verzoek op grond van de Wob per gevraagd document dient te motiveren of dit (gedeeltelijk) verstrekt kan worden of niet. Nu verweerder dit bij het primaire besluit heeft nagelaten is de commissie van mening dat het primaire besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel niet in stand kan blijven. Verweerder meent echter dat er wel degelijk wettelijke belemmeringen bestaan om de gevraagde documenten inzake de CAI Albrandswaard volledig openbaar te maken. Verweerder heeft besloten om de gevraagde documenten aan eiseres beschikbaar te stellen maar dat informatie over tarieven onleesbaar zal worden gemaakt. Verweerder is van mening dat tariefinformatie niet alleen de belangen van de gemeente treft, maar ook de belangen van derden zoals kabelmaatschappijen, omdat uit die informatie blijkt welke kosten de gemeente en de andere kabelmaatschappijen hebben. Dit heeft nadelige gevolgen voor de concurrentiepositie. Het achterhouden van die informatie baseert verweerder op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Wat betreft de verdere motivering heeft verweerder verwezen naar het advies van de commissie.

Eiseres bestrijdt het standpunt van verweerder en stelt daartoe - samengevat - dat verweerder zich ten onrechte heeft beroepen op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Verweerder betoogt ten onrechte dat de tariefinformatie de belangen van de gemeente en andere kabelexploitanten zou schaden. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bovendien acht eiseres het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en derhalve in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Waar het bestreden besluit ongemotiveerd afwijkt van het advies van de commissie, is het op dat punt ook in strijd met artikel 7:13, zevende lid, van de Awb, aldus eiseres.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit de stukken is de rechtbank gebleken dat verweerder bij brief van 16 februari 2009 een aanzienlijk deel van de door eiseres verzochte stukken - zonder de in geding zijnde doorhalingen van tarieven - naar de rechtbank heeft gezonden en daarbij niet heeft verzocht om beperkte kennisname van die stukken door eiseres. De rechtbank heeft alle stukken behorende bij de brief van 16 februari 2009 dan ook zonder enig voorbehoud doorgezonden naar eiseres. Het betreft:

- de modelovereenkomst van 1 oktober 2008;

- de brief van 5 juni 2008 betreffende aanpassing prijzen per 1 juli 2008;

- de kaderovereenkomst met brief van 16 december 2003;

- de modelovereenkomst van 15 april 2002; en

- de brief van 28 september 2007 betreffende opzegging overeenkomst.

Gesteld noch gebleken is dat eiseres thans nog procesbelang heeft bij haar beroep, voor zover dit beroep zich richt tegen het niet volledig verstrekken van voornoemde stukken. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

De rechtbank heeft verweerder verzocht om alle stukken waarvan om openbaarmaking is verzocht, zonder doorhaling van tarieven, naar de rechtbank te zenden met het verzoek tot beperking van de kennisname als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb. Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek van de rechtbank nadere stukken toegezonden met het verzoek om beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Awb. Eiseres heeft vervolgens aan de rechtbank toestemming verleend om wel kennis te nemen van de stukken, inclusief de tarieven. Het is de rechtbank evenwel gebleken dat de thans nog in geding zijnde stukken niet zonder doorhalingen aan de rechtbank zijn gezonden. Formeel gesproken kon de rechtbank ten aanzien van deze stukken niet beoordelen of beperking van de kennisneming gerechtvaardigd was. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan consequenties te verbinden, nu met behulp van de op 16 februari 2009 door verweerder toegezonden stukken, de doorgehaalde tarieven betrekkelijk eenvoudig zijn te achterhalen.

Thans staat slechts nog ter beoordeling de vraag of verweerder terecht en op goede gronden geweigerd heeft eiseres zonder doorhaling van tarieven, kennis te laten nemen van de brief van 16 mei 2007 betreffende de indexaanpassing per 1 juli 2007, een drietal facturen van

23 juli 2008 en twee facturen van 31 januari 2008.

Verweerder heeft kennisname van de in die stukken opgenomen tarieven geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient, welk belang de Wob vooronderstelt. De rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, wijkt echter niet af van de (redelijkheids)toetsing overeenkomstig het tweede lid van artikel 3:4 van de Awb. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is de regel - zwaar te wegen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hier aan de orde zijnde belangenafweging - mede gezien in het licht van het hiervoor overwogene - door verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Uit het advies van de afdeling Juridische Zaken en de ter zitting gegeven toelichting komt het beeld naar voren dat verweerders weigering met name is ingegeven door de intentie om schadeclaims te voorkomen. Om deze reden kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Het beroep van eiseres is mitsdien gegrond.

De rechtbank ziet evenwel aanleiding om zelf te voorzien en te bepalen dat de thans nog in geding zijnde stukken zonder beperkingen openbaar gemaakt worden aan eiseres. Hiertoe overweegt de rechtbank dat met de openbaarmaking van de modelovereenkomst van

1 oktober 2008, de brief van 5 juni 2008 betreffende aanpassing prijzen per 1 juli 2008, de kaderovereenkomst met brief van 16 december 2003, de modelovereenkomst van

15 april 2002 en de brief van 28 september 2007 betreffende opzegging overeenkomst, niet meer gesteld kan worden dat het belang van eiseres bij openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. Immers, eiseres is feitelijk zelf al bij machte om de doorgehaalde tarieven op de resterende stukken te berekenen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat verweerder de brief van 16 mei 2007 betreffende de indexaanpassing per 1 juli 2007, een drietal facturen van 23 juli 2008 en twee facturen van 31 januari 2008, zonder doorhalingen naar eiseres dient te zenden,

bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 145,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. P.C. Santema, voorzitter, en mr. P. Vrolijk en prof.mr. A.C. Hendriks, leden, in tegenwoordigheid van J. van Mazijk, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 7 januari 2010.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: