Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BK9622

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-01-2010
Datum publicatie
18-01-2010
Zaaknummer
346310 / KG-ZA 10-20 en 346307 / F2 RK 10-14
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beroep tegen tijdelijk huisverbod ongegrond. Verzoek om schadevergoeding afgewezen. Verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Voorzieningenrechter

Reg.nrs.: 346310 / KG ZA 10-20 (voorlopige voorziening) en 346307 / F2 RK 10-14 (beroep)

Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

in de gedingen tussen

[naam verzoeker], verzoeker,

wonende te [adres],

gemachtigde mr. D.H. van den Elzen,

en

de burgemeester van de gemeente Vlaardingen, verweerder,

zetelende te Vlaardingen,

in welke zaken belanghebbende is:

[naam partner], partner van verzoeker, hierna: de vrouw,

wonende te [adres].

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 8 januari 2010 heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen, geldend van 8 januari 2010, 16.33 uur tot 18 januari 2010, 16.33 uur.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoeker op 11 januari 2010 beroep ingesteld, inhoudende het beroep gegrond te verklaren, te bepalen dat het bestreden besluit onrechtmatig is gegeven alsook aan verzoeker een schadevergoeding toe te kennen van € 50,- voor iedere dag dat verzoeker onrechtmatig in zijn vrijheid is beperkt.

Voorts heeft verzoeker op 11 januari 2010 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende het bestreden besluit op te heffen.

Van de zijde van verweerder is een brief met bijlagen ingekomen, gedateerd 13 januari 2010.

De minderjarige [naam kind], geboren op [datum] 1995, is gehoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2010. Ter terechtzitting is verschenen de gemachtigde van verzoeker. Voor verweerder zijn verschenen mr. L. ten Broek, senior juridisch medewerker en mevr. Baljeu, ambtenaar huisverbod beiden van de gemeente Vlaardingen. Voorts zijn verschenen dhr. Evsen, hulpofficier van de politie, dhr. Holstwilder, zorgcoördinator van het steunpunt huiselijk geweld, en de vrouw.

2 Overwegingen

Op grond van artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

Verzoeker heeft aangevoerd dat hij zijn vrouw noch enig ander gezinslid op enigerlei wijze kwaad heeft gedaan. Hij heeft ze niet bedreigd, mishandeld of misbruikt.

Bij de belangenafweging zijn de belangen van verzoeker niet, althans onvoldoende meegewogen. Met verzoeker is voorafgaande aan de oplegging ervan niet gesproken over het opleggen van het huisverbod. Verzoeker heeft zijn belangen bij verblijf in de echtelijke woning derhalve niet kenbaar kunnen maken.

Daarnaast heeft de vrouw de echtelijke woning verlaten met de kinderen. Zij verbleef ten tijde van het opleggen van het huisverbod met haar kinderen bij haar zus in [plaatsnaam].

Inmiddels heeft de vrouw zelf contact opgenomen met verzoeker met het verzoek om haar en de kinderen te komen halen om samen naar huis te gaan.

Verder is er geen hulpverlening opgestart voor verzoeker. Deze hulp dient zo spoedig mogelijk binnen 24 uur na oplegging van het huisverbod op gang te komen, zo blijkt uit de geschiedenis van de Wth. Dit leidt er toe dat het huisverbod onrechtmatig dient te worden geacht.

Ter zitting heeft verweerder gesteld dat het Risico-taxatie instrument Huiselijk Geweld (RiHG), ingevuld door drie personen, ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Deze personen hebben geadviseerd aan verzoeker een huisverbod op te leggen, welk advies verweerder heeft gevolgd. Aanleiding voor het opleggen van het huisverbod is dat er op 6 januari 2010 een melding bij de politie is ingekomen ter zake van bedreiging van de vrouw met de dood door verzoeker en verdenking van verkrachting van de minderjarige door verzoeker. Verzoeker is in verzekering gesteld. Daarop volgend is hem het huisverbod opgelegd. De dreiging is nog niet weggenomen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder ingevolge de in het RiHG neergelegde informatie, waaronder de verklaringen van de vrouw en de minderjarige, in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het opleggen van het huisverbod. Uit het RiHG is onder meer gebleken dat de minderjarige heeft verklaard dat zij eerst door verzoeker werd mishandeld en daarna door verzoeker seksueel is misbruikt, dat zij over dit misbruik kort geleden aan de vrouw heeft verteld en vervolgens op 6 januari 2010 aan verzoeker heeft verteld dat de vrouw ervan wist. Daarop heeft verzoeker volgens de minderjarige gezegd dat hij de vrouw zou gaan vermoorden en daarna is hij met de vrouw alleen een eindje gaan rijden in de auto. De minderjarige is toen naar de buren gegaan en daarop is de melding naar de politie gedaan. De minderjarige en de vrouw hebben verklaard dat zij heel erg bang waren dat verzoeker hen iets zou aandoen. Verzoeker heeft hiertegen ingebracht dat hij niet precies weet wat er is verklaard maar dat de verklaringen van de minderjarige mogelijk ongeloofwaardig zijn omdat zij op school enige tijd geleden ook onware verklaringen heeft afgelegd, dat zij toen is doorverwezen naar een psycholoog en dat vermoed werd dat sprake zou zijn van een psychiatrische aandoening.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is uit feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning een ernstig vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven. Er bestaat onvoldoende grond om de verklaringen van de minderjarige bij de politie als ongeloofwaardig terzijde te stellen -wat er overigens ook zij van de stellingen van verzoeker daaromtrent- nu de dreiging van het gevaar als bedoeld in de Wth ook uit de verklaringen van de vrouw is af te leiden.

Uit de stukken is af te leiden dat mevrouw P. Wuisman van de CVD Rotterdam Rijnmond op 8 januari 2010 met verzoeker in gesprek is gegaan over de opgestarte huisverbodprocedure. Verzoeker heeft te kennen gegeven alleen te willen praten als zijn advocaat er was en hij heeft mevr. Wuisman gevraagd om een andere keer terug te komen. Aan verzoeker is uitgelegd dat zij het gesprek op dat moment met hem wilde voeren en wat de gevolgen konden zijn als er geen rapportage kon worden geschreven over het gesprek. Verzoeker gaf aan dat hij deze gevolgen zou accepteren maar niet wilde praten over hetgeen er was gebeurd.

Verzoeker heeft er zelf van afgezien specifieke belangen in het gesprek met genoemde Wuisman naar voren te brengen en hij was voorts op de hoogte gesteld dat er geen andere gelegenheid zou zijn om zijn belangen naar voren te brengen vóórdat een beslissing omtrent het huisverbod zou worden genomen. Aldus kan reeds daarom het aangevoerde over het ontbreken van een zorgvuldige belangenafweging niet slagen. Gelet op de feiten en omstandigheden is de voorzieningenrechter tevens van oordeel dat het opgelegde huisverbod niet disproportioneel is. De stelling van verzoeker dat er geen geschiedenis is van huiselijk geweld, wat daar ook van zij, leidt niet tot een ander oordeel, gelet op het voorgaande. Het gestelde dat de vrouw en de kinderen niet in de woning aanwezig waren zodat reeds op die grond een huisverbod niet noodzakelijk was, treft evenmin doel. Het huisverbod is er juist mede op gericht de achterblijvers in de gelegenheid te stellen in de vertrouwde omgeving tot rust te komen. De vrouw heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt toen zij op maandag 11 januari 2010 weer is teruggekeerd naar huis.

Uit de stukken is voorts af te leiden dat reeds op 8 januari 2010 een afspraak is gemaakt voor 22 januari 2010 om 9.30 uur voor verzoeker bij de Waag, zodat ook de stelling dat er geen hulpverlening voor verzoeker is opgestart geen doel treft.

Ten aanzien van de vraag of er thans feiten en omstandigheden zijn voor het opheffen van de opgelegde maatregel vóór het verstrijken van de termijn, overweegt de voorzieningenrechter dat weliswaar verzoeker heeft laten weten dat hij de vrouw en de kinderen met rust zou laten en dat de vrouw en de minderjarige hebben verklaard niet langer te vrezen voor verzoeker. Echter, met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat vooralsnog voldoende sprake is van dreiging en dat de verklaringen van de vrouw en de minderjarige onvoldoende zijn om erop te vertrouwen dat alle dreiging is weggenomen nu niet kan worden ingeschat onder welke omstandigheden zij tot die verklaringen zijn gekomen. Daarbij is voorts van belang dat verzoeker eerst op 22 januari 2010 met de behandeling bij De Waag begint. Gelet op het voorgaande bestaat thans geen grond voor opheffing van de maatregel.

Ook hetgeen namens verzoeker overigens naar voren is gebracht leidt niet tot het oordeel dat het besluit dient te worden vernietigd. Het beroep wordt derhalve ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Nu de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, brengt dit in het onderhavige geval mee dat verzoeker geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn verzoek om voorlopige voorziening, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

3 Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst af het verzoek om schadevergoeding;

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2010.

Aldus gedaan door mr. Engbers, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, en door deze en mr. De Regt, griffier, ondertekend.