Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BK8888

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
AWB 08/5148 TELEC-T1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

boete en een last onder dwangsom opgelegd aan een internetaanbieder wegens het niet tijdig aansluiten op het informatiesysteem van het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie. Wegens een gedeelde verantwoordelijkheid van partijen heeft de rechtbank de boete gehalveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/5148 TELEC-T1

Uitspraak in het geding tussen

Plex Elektronische Informatie B.V., gevestigd te Tegelen, eiseres,

gemachtigde [naam], bestuurder van eiseres,

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Agentschap Telecom, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 4 juli 2008 heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van

€ 1.500,= wegens overtreding van artikel 13.4, derde lid, van de Telecommunicatiewet (hierna: Tw). Daarnaast heeft verweerder eiseres gesommeerd om binnen een termijn van zes weken aansluiting bij het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT) te realiseren op straffe van een dwangsom van € 5.000,= per geconstateerde overtreding per dag, met een maximum van € 50.000,=.

Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft eiseres bij brief van 12 augustus 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 november 2008 heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 15 december 2008 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 15 april 2009 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2009. De gemachtigde

van eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.A.B. Ohoioeloen.

2 Overwegingen

2.1 Juridisch kader

Artikel 13.4 van de Tw luidde ten tijde van het bestreden besluit als volgt:

“1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten voldoen aan een vordering op grond van artikel 126na, eerste lid, 126ua, eerste lid, of 126zi van het Wetboek van Strafvordering dan wel een verzoek op grond van artikel 29 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 tot het verstrekken van gegevens terzake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van een openbaar telecommunicatienetwerk dan wel een openbare telecommunicatiedienst.

2. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten voldoen aan een vordering op grond van artikel 126na, tweede lid, 126ua, tweede lid, of 126zi van het Wetboek van Strafvordering dan wel een verzoek op grond van artikel 29 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 tot het op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze achterhalen en verstrekken van de gegevens, bedoeld in het eerste lid. Teneinde aan deze verplichting te kunnen voldoen bewaren de aanbieders bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens voor een periode van drie maanden, vanaf het tijdstip waarop deze gegevens voor de eerste maal zijn verwerkt.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanbieders aan een vordering of een verzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, voldoen en de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar worden gehouden.”

Artikel 13.6 van de Tw luidde als volgt:

“1. De investerings-, exploitatie- en onderhoudskosten voor de technische voorzieningen die door aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten zijn of worden gemaakt teneinde te kunnen voldoen aan de artikelen 13.1, 13.4, en 13.5 komen te hunnen laste.

2. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten hebben aanspraak op vergoeding uit 's Rijks kas van de door hen gemaakte administratiekosten en personeelskosten rechtstreeks voortvloeiend uit het voldoen aan een bijzondere last dan wel een toestemming op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 als bedoeld in artikel 13.2, eerste en tweede lid, of artikel 13.2a dan wel een vordering of een verzoek als bedoeld in artikel 13.2a, artikel 13.2b of artikel 13.4, eerste of tweede lid.

3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de vaststelling en vergoeding van de kosten, bedoeld in het tweede lid.”

Ingevolge artikel 13.8 van de Tw kan Onze Minister (…) in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de verplichtingen die voortvloeien uit dit hoofdstuk.

Ingevolge artikel 15.1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Tw, zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren belast, voor zover het betreft de bepalingen die betrekking hebben op bevoegd aftappen als geregeld in hoofdstuk 13.

Ingevolge artikel 15.4, eerste lid, van de Tw kan, ingeval van overtreding van de bij of krachtens de in artikel 15.1, eerste lid, bedoelde voorschriften, alsmede van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, Onze Minister de overtreder een boete opleggen van ten hoogste € 450.000.

Op grond van artikel 15.2, eerste lid, van de Tw is Onze Minister bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van verplichtingen, gesteld bij of krachtens de in artikel 15.1, eerste lid, van de Tw bedoelde bepalingen.

Ingevolge artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan Onze Minister in plaats van bestuursdwang toe te passen aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Het Besluit verstrekking gegevens telecommunicatie (hierna: het Besluit) luidt voor zover hier relevant als volgt:

Artikel 1

“In dit besluit wordt verstaan onder:

a. wet: Telecommunicatiewet;

b. informatiepunt: het Centraal informatiepunt onderzoek telecommunicatie, bedoeld in artikel 2.

(..)”

Artikel 3

“1. Het informatiepunt, de bevoegde autoriteit en de aanbieder treffen ieder de technische voorzieningen die nodig zijn teneinde uitvoering te geven aan het tweede, derde en vierde lid. De technische voorzieningen voldoen aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen 4 en 5 en aan de specificaties die zijn opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

2. De bevoegde autoriteit verzoekt om verstrekking van informatie die is opgenomen in het bestand, bedoeld in artikel 4, door tussenkomst van het informatiepunt. De bevoegde autoriteit doet het verzoek langs geautomatiseerde weg.

3. De aanbieder verstrekt de informatie door tussenkomst van het informatiepunt. Daartoe verleent de aanbieder het informatiepunt langs geautomatiseerde weg gedurende 24 uur per dag rechtstreekse toegang tot een bestand als bedoeld in artikel 4, eerste lid.

(..)”

Artikel 4

“1. (…)

2. De aanbieder van openbare telecommunicatienetwerken of van openbare telecommunicatiediensten die uitsluitend bestaan in de verlening van toegang tot Internet en de door middel van Internet te leveren of te verrichten diensten beschikt over een bestand waarin de volgende gegevens zijn opgenomen van de gebruikers van een netwerk of dienst van de aanbieder:

a. de naam, het adres met nummer en eventuele toevoegingen, de postcode en de woonplaats,

b. de telecommunicatiedienst die wordt afgenomen, waaronder mede wordt verstaan de soort verbinding,

c. de gebruikersnaam, de inlognaam en de e-mail adressen van een gebruiker, de identificatienummers van randapparaten van een gebruiker, en de Internet-protocol-nummers die op het tijdstip, waarop de gegevens van het bestand worden geactualiseerd, aan een gebruiker zijn toegekend voor de verlening van toegang tot Internet of de door middel van Internet te leveren of te verrichten diensten, en

d. de naam van de aanbieder van het openbare telecommunicatienetwerk met behulp waarvan de aanbieder van de openbare telecommunicatiedienst de diensten aan de gebruiker heeft verleend.

3. De aanbieder actualiseert de gegevens in het bestand, bedoeld in het eerste respectievelijk het tweede lid, ten minste iedere 24 uur, door een aanpassing van de gegevens aan de meest actuele gegevens die hij gebruikt voor zijn bedrijfsvoering.”

Ingevolge het eerste lid van artikel 11 van het Besluit zijn de artikelen 2 tot en met 7 tot

1 september 2007 niet van toepassing op verzoeken om informatie gericht tot of verstrekkingen van informatie afkomstig van de aanbieder van een openbare telecommunicatiedienst die uitsluitend bestaat in de verlening van toegang tot Internet en de door middel van Internet te leveren of te verrichten diensten.

2.2 Achtergrond en feiten

Eiseres biedt vanaf 1995 aan particulieren en bedrijven internetdiensten aan.

Het CIOT is het informatiepunt als bedoeld in artikel 1b van het Besluit. Uit het hiervoor vermelde artikel 11, eerste lid, van de Tw volgt dat alle aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten die bestaan uit de verlening van toegang tot internet en de door middel van internet te leveren of te verrichten diensten, waaronder eiseres, per 1 september 2007 dienden aangesloten te zijn op het CIOT-informatiesysteem.

Bij brief van 24 januari 2007 heeft het CIOT aan eiseres een zogenaamd informatiepakket A toegezonden, waarin wordt aangekondigd dat de plicht tot verstrekking van gegevens voortvloeiende uit de Tw voortaan via een automatisch systeem van het CIOT plaats zou vinden. Daarin moeten internetaanbieders dagelijks NAW-gegevens van abonnees deponeren. De in het informatiepakket opgenomen geheimhoudingsverklaring is door de gemachtigde van eiseres op 1 februari 2007 ondertekend en retour gezonden aan het CIOT.

Bij brief van 7 februari 2007 heeft het CIOT de ontvangst van de ondertekende geheimhoudingsverklaring bevestigd. Daarbij is eiseres gevraagd om het CIOT te informeren over het e-mailadres waarnaar het informatiepakket B, bestaande uit onder andere technische gegevens ten behoeve van het aansluitproces, verstuurd kan worden.

Vervolgens heeft het CIOT telefonisch contact met de gemachtigde van eiseres gehad over het te gebruiken e-mailadres. Per e-mail van 12 maart 2007 is de ontvangst van de geheimhoudingsverklaring door het CIOT op het e-mailadres van eiseres nogmaals bevestigd. Daarbij is het informatiepakket B meegezonden. Op het verzoek om een bevestiging van de ontvangst van dit e-mailbericht heeft eiseres niet gereageerd. Vervolgens zijn op 3 mei, 16 mei, 13 juni, 20 juni en 9 augustus 2007 e-mailberichten door het CIOT aan eiseres verzonden, waarop zij evenmin heeft gereageerd.

Bij brief van 6 september 2007 heeft het CIOT een klacht bij verweerder ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder nader onderzoek verricht en is een rapport van bevindingen opgemaakt. Nadat eiseres haar zienswijze had ingediend heeft verweerder bij het primaire besluit aan eiseres een boete en een last onder dwangsom opgelegd.

Hiertoe heeft verweerder overwogen dat sprake is van een ernstige overtreding, aangezien het niet doorsturen van alle telecommunicatie het opsporen van strafbare feiten in ernstige mate kan belemmeren. De verwijtbaarheid vloeit voort uit het feit dat eiseres ruim voor

1 september 2007 op de hoogte is gebracht en gehouden van het feit dat zij per deze datum aangesloten moest zijn op het CIOT-informatiesysteem. De boete is vastgesteld op

€ 1.500,= vermenigvuldigd met een factor die afhankelijk is van de omzet van de onderneming. Er worden drie categorieën onderscheiden. Eiseres valt in de derde categorie (omzet van € 0,-- tot € 2 miljoen). Om die reden wordt aan haar een boete opgelegd van

€ 1.500,=. Doordat eiseres ten tijde van het primaire besluit nog steeds niet op het CIOT-informatiesysteem was aangesloten is haar bovendien gesommeerd om binnen een termijn van zes weken de aansluiting bij het CIOT-informatiesysteem te realiseren op straffe van een dwangsom van € 5.000,= per geconstateerde overtreding per dag, met een maximum van € 50.000,=.

2.3 Standpunt van verweerder

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een tijdige realisering van de aansluiting bij het CIOT een verplichting is die op de aanbieder rust. Van de aanbieder mogen inspanningen worden verwacht om aan deze verplichting te voldoen. Doordat het CIOT eiseres reeds op 24 januari 2007 van informatie heeft voorzien door toezending van het informatiepakket A was eiseres op de hoogte van deze aansluitverplichting.

Anders dan eiseres stelt, heeft het CIOT niet slechts per e-mail gecommuniceerd. Verweerder merkt op dat het CIOT eiseres ook telefonisch en schriftelijk heeft benaderd. Dat eiseres niet reageert op de e-mailberichten kan het CIOT niet worden tegengeworpen. Nadat eiseres de geheimhoudingsverklaring had toegezonden, is er telefonisch contact met eiseres geweest omtrent haar e-mailadres. Het door het CIOT gehanteerde e-mailadres waarmee de ontvangstbevestiging en het informatiepakket B is verstuurd is hetzelfde als het e-mailadres waarmee eiseres in een later stadium (vanaf november 2007) correspondeert.

De stelling van eiseres dat de e-mails van het CIOT wellicht in haar spambox terecht zijn gekomen maakt, wat er ook zij van de juistheid van die stelling, naar de mening van verweerder niet dat eiseres een afwachtende houding had mogen aannemen. Eiseres had zelf (tijdig) contact met het CIOT op moeten nemen. Bovendien mag, zo stelt verweerder, van een internetprovider worden verwacht dat hij per e-mail kan communiceren. Dit geldt hier te meer aangezien er blijkens de adressering (plex-ciot@plex.nl) speciaal voor de correspondentie met het CIOT een e-mailadres door eiseres is aangemaakt.

Bovendien laat de informatie van het CIOT er geen misverstand over bestaan dat de aansluiting op uiterlijk 1 september 2007 gerealiseerd had moeten zijn, te meer daar het informatiepakket A ook de betreffende regelgeving bevatte waaruit dit blijkt. Verweerder ziet geen reden om het verzoek van eiseres om haar uitstel te verlenen voor het realiseren van de aansluiting tot 3 december 2008, te honoreren.

2.4 Standpunt van eiseres

Eiseres merkt op eerst na eind november 2007 van verweerder begrepen te hebben dat het CIOT over haar een klacht zou hebben ingediend. Eiseres stelt vervolgens contact te hebben gezocht met het CIOT, waarna zij op 4 december 2007, via een alternatief e-mailadres buiten het anti-spam systeem om, van het CIOT een e-mail ontving met daarin informatiepakket B, met onder andere de technische gegevens voor de aansluiting. Een deel van de gegevens bleek beschadigd of onvolledig. Desgevraagd heeft het CIOT op 4 februari 2008 een bijgewerkte versie van een van de implementatiedocumenten naar eiseres per e-mail verzonden. Na ontvangst van de volledige en complete specificaties is eiseres in februari 2008 begonnen aan de implementatie van een softwaresysteem om de gegevens voor het CIOT te produceren. Doordat de administratieve software geheel binnenshuis is ontwikkeld, compliceerde dit het formatteren van de door het CIOT verlangde gegevens, want in de opzet van deze systemen was daar niet op geanticipeerd. Daarnaast was het nodig om gegevens uit verschillende deeladministraties op verschillende platforms te integreren en moest software ontwikkeld worden om bestaande informatie te converteren. De vraagstelling vanuit het CIOT is bovendien complex van aard. Gezien de omstandigheid dat er bij eiseres normaliter meer dan voldoende werk is, is de realisatie van de speciaal voor het CIOT vervaardigde software daarom pas rondom de jaarwisseling 2008/2009 voltooid. Er waren geen mogelijkheden om de benodigde werkzaamheden uit te besteden. De volledige aansluiting op het systeem van het CIOT is eind januari - begin februari 2009 voltooid.

Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat zij niet had kunnen weten dat de deadline voor aansluiting op het CIOT systeem 1 september 2007 was. Door de bewoording van de toelichting van het CIOT zelf, met name de zinsnede waarin werd aangegeven dat aanbieders benaderd zouden worden om daarna binnen een jaar aangesloten te worden, en daarnaast de geschiedenis van het project waarbij de overheid de implementatie herhaaldelijk uitstelde, werd bij eiseres een andere indruk gewekt. Hoewel zij hier formeel wellicht van op de hoogte had moeten zijn, acht eiseres de opgelegde boetes en dwangsommen, gelet op de presentatie vanuit het CIOT, buitensporig.

Evenmin kan eiseres zich vinden in het standpunt van verweerder dat eiseres niet op communicatie vanuit het CIOT had mogen wachten, maar dat zij zelf contact had moeten zoeken toen deze uitbleef. Immers in de bewoording van het CIOT is gesproken over een gefaseerde aansluiting van grote aantallen aanbieders in de loop van het jaar 2007, zodat het bij eiseres geen bevreemding wekte dat het CIOT langere tijd niets van zich liet horen.

Eiseres merkt verder op dat bij haar al het mogelijk wordt gedaan om op zo nauwkeurig mogelijk wijze spam e-mail van gewilde e-mail te scheiden. Gezien de anti-spam maatregelen die al jarenlang ingezet worden, moet bij het e-mail verkeer redelijkerwijs rekening gehouden worden dat een bericht mogelijk niet door de ontvanger wordt gezien. Uit het communicatieverslag van het CIOT blijkt dat het CIOT maar liefst zesmaal

e-mailberichten heeft verstuurd naar eiseres en dat in die berichten aan eiseres is verzocht een ontvangstbevestiging te geven. Omdat eiseres deze berichten niet zag kon daar niet op gereageerd worden. In reactie op vragen vanuit het Agentschap Telecom geeft het CIOT zelf aan in de toekomst van werkwijze te gaan veranderen en dat zij partijen die niet reageren op e-mailverkeer ook op andere wijze zal gaan benaderen. Daarbij is overigens aangegeven dat men alleen e-mailberichten verstuurde uit budgettaire overwegingen. De rekening voor deze onzorgvuldigheid in communicatie wordt dan vervolgens, ten onrechte, bij eiseres gelegd.

Eiseres wijst er verder op dat, doordat het CIOT direct een klacht bij verweerder heeft ingediend, er per omgaande een handhavingstraject is gestart waardoor er voor eiseres geen mogelijkheid meer resteerde om enig uitstel te verzoeken en te verkrijgen.

Voorts wijst eiseres er op dat het CIOT-systeem bedoeld is om opsporingsambtenaren op meer efficiënte wijze gegevens op te kunnen laten vragen ten opzichte van de situatie daarvoor, toen dat handmatig plaats vond. Dat eiseres nog niet op het systeem was aangesloten, betekende niet dat de gegevens niet opgevraagd konden worden. Dit kon immers via de oude procedure. Overigens zijn in de 13 jaar dat eiseres bestaat geen enkele keer gegevens over abonnees door Justitie opgevraagd. Dit komt mogelijk doordat er bij eiseres geen mogelijkheid is om snel of semi-anoniem een abonnement af te sluiten. Aanmelding kan alleen schriftelijk en inloggegevens worden vervolgens per post naar het huisadres van de abonnee verzonden. Daarnaast speelt de beperkte omvang van het abonneebestand van eiseres een rol. Er zijn minder dan 1000 actieve leden. De kans op een incident is bij eiseres gemiddel niet meer dan 1 keer in de 100 jaar. Het automatiseren van het opvragen van gegevens draagt in het geval van eiseres niet bij aan een verbeterde nationale veiligheid of een wezenlijk grotere opsporingsefficiëntie bij Justitie. De implementatie bij eiseres van het systeem zoals dat door het CIOT werd geëist is ten koste gegaan van andere activiteiten.

Eiseres meent reeds door de eis om het systeem in werking te stellen buitengewoon gestraft te worden. Om daarbovenop ook nog boetes en dwangsommen te moeten betalen acht eiseres onevenredig belastend en niet passend. Het streven is altijd geweest om het CIOT van dienst te zijn met de middelen die ter beschikking stonden. Dat de communicatie misliep wordt ook door eiseres betreurd.

2.5 Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt allereerst dat er op basis van de door het CIOT aan internetaanbieders verstrekte informatie redelijkerwijs bij internetaanbieders geen misverstand over kon bestaan dat hun aansluiting op het CIOT-informatiesysteem op uiterlijk 1 september 2007 gerealiseerd moest zijn, te meer daar het informatiepakket A ook de betreffende regelgeving bevatte waaruit dit blijkt. Vast staat dat eiseres het informatiepakket A heeft ontvangen. Eiseres had er dus van op de hoogte moeten zijn dat op uiterlijk 1 september 2007 de aansluiting op het CIOT-informatiesysteem diende plaats te vinden. Eiseres heeft geen beroep gedaan op de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een ontheffing als bedoeld in artikel 13.8 van de Tw, zodat de verplichtingen van artikel 13.4 e.v. Tw voor haar onverkort van toepassing waren.

Anders dan eiseres stelt volgt niet uit de brief van het CIOT van 24 januari 2007 dat de aanbieders na de aanbieding van de noodzakelijke informatie nog een jaar de tijd zouden hebben om zich aan te sluiten. Daarin wordt immers gesteld dat binnen een jaar na

1 september 2006 de aansluiting dient plaats te vinden. Dit zou (gefaseerd) in het jaar 2007 plaats moeten vinden. Mocht er bij eiseres ondanks de door het CIOT verstrekte informatie op dit punt toch onduidelijkheid zijn gerezen, dan had het op haar weg gelegen om zich tot het CIOT te wenden teneinde hierover duidelijkheid te verkrijgen. De door eiseres aangenomen afwachtende houding past niet bij de verantwoordelijkheden die op haar, als internetaanbieder, rustte.

De rechtbank stelt voorts vast dat met het feit dat de verplichtingen van artikel 13.4 e.v. Tw voor eiseres onverkort van toepassing waren, de door eiseres geschetste omstandigheden dat van de zijde van Justitie in het verleden geen bevraging heeft plaatsgevonden en dat de kans op een dergelijke bevraging onaannemelijk is, niet relevant is. Evenmin is relevant of de door Justitie gewenste informatie ook na 1 september 2007 door eiseres nog handmatig verstrekt kon worden.

De rechtbank stelt derhalve vast dat eiseres heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 13.4, derde lid, van de Tw en dat verweerder haar voor deze overtreding in beginsel een boete alsmede een last onder dwangsom kon opleggen om de feitelijke situatie alsnog in overeenstemming te brengen met de wet.

Ten aanzien van de mate waarin de overtreding aan eiseres kan worden verweten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank kan verweerder volgen waar hij heeft gesteld dat een tijdige realisering van de aansluiting bij het CIOT een verplichting is die op de internetaanbieder rust en dat van de aanbieder inspanningen mogen worden verwacht om aan deze verplichting te voldoen.

Daarbij geldt dan wel dat de aanbieder de benodigde informatie om de aansluiting bij het CIOT te realiseren (in het bijzonder middels de ontvangst van informatiepakket B, waarin de technische specificaties waren omschreven) op juiste wijze en tijdig moet hebben ontvangen. De rechtbank ziet hierin, anders dan verweerder bij het bestreden besluit heeft overwogen, een gedeelde verantwoordelijkheid van partijen.

De verantwoordelijkheid van eiseres is hiervoor reeds door de rechtbank beschreven. De rechtbank verwijst daar naar en voegt daar aan toe dat eiseres voor haar correspondentie met het CIOT aan deze een e-mailadres heeft opgegeven dat zij speciaal voor deze correspondentie had aangemaakt. Toen eiseres in de periode tussen februari 2007 en augustus 2007 evenwel geen enkel bericht ontving van verweerder, had zij - gelet op de uiterste datum van 1 september 2007 die voor aansluiting bij het CIOT was gesteld - contact dienen op te nemen met het CIOT. Eiseres is ten onrechte pas in actie gekomen nadat zij het voornemen tot oplegging van een boete en een last onder dwangsom had ontvangen.

Daar staat tegenover dat het CIOT in de periode van februari 2007 tot augustus 2007 een zestal e-mailberichten aan eiseres heeft verzonden, waarbij van geen van deze berichten een ontvangstbevestiging werd ontvangen. Anders dan verweerder in dit geschil heeft betoogd heeft het CIOT na het telefoongesprek om het te gebruiken e-mailadres van eiseres te weten te komen, geen contact opgenomen met eiseres anders dan middels het verzenden van e-mails naar het door eiseres opgegeven e-mailadres. Het had op de weg van het CIOT gelegen om, nadat van eiseres geen enkele reactie werd ontvangen op de betreffende e-mailberichten, op andere wijze contact op te nemen met eiseres teneinde te controleren of eiseres de benodigde informatie voor aansluiting op het CIOT-informatiesysteem wel in goede orde had ontvangen. Blijkens de zich in het dossier bevindende reactie van de directeur van het CIOT wordt een gedeelde verantwoordelijkheid voor het voldoen aan het Besluit ook door het CIOT erkend. Het CIOT heeft inmiddels haar interne procedures aangepast zodat het niet meer kan voorkomen dat aanbieders, die niet reageren, alleen elektronisch benaderd worden.

Dat eiseres ook ten tijde van het primaire besluit nog steeds niet op het CIOT-informatiesysteem was aangesloten, reden voor verweerder om haar een last onder dwangsom op te leggen, is naar het oordeel van de rechtbank niet geheel en alleen aan haar te wijten. Indien het CIOT in plaats van direct een formele klacht in te dienen bij verweerder, in overleg met eiseres was getreden teneinde nader te overleggen over de manier waarop de implementatie voorspoedig zou kunnen verlopen, had dit de afhandeling van deze kwestie kunnen bespoedigen. De rechtbank heeft ter zitting ook de indruk gekregen dat (de gemachtigde van) eiseres in het geheel niet onwelwillend was om het betreffende CIOT-informatiesysteem te implementeren. Eiseres heeft adequaat en prompt gereageerd door na ontvangst van Informatiepakket A de geheimhoudingsverklaring per omgaande ondertekend aan het CIOT te retourneren. Ook na november 2007 heeft eiseres zich coöperatief opgesteld, waarbij de rechtbank geen aanleiding heeft te twijfelen aan de juistheid van hetgeen eiseres heeft gesteld omtrent de (technische) redenen die voor vertragingen in de uiteindelijke implementatie hebben gezorgd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij het bestreden besluit de verantwoordelijkheid voor de overtreding van artikel 13.4, derde lid, van de Tw, ten onrechte uitsluitend bij eiseres gelegd. Het bestreden besluit lijdt op dit punt aan een motiveringsgebrek en wordt om die reden vernietigd. Het beroep van eiseres is gegrond.

De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien voor zover het de vaststelling van de aan eiseres opgelegde boete betreft. De rechtbank ziet aanleiding die boete te halveren tot een bedrag van € 750,--. Ten aanzien van de last onder dwangsom dient verweerder een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking zouden komen, is de rechtbank niet gebleken. Wel dient verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit voorzover daarbij aan eiseres een boete en een last onder dwangsom zijn opgelegd,

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit voorzover dit ziet op de aan eiseres opgelegde boete, hetgeen in dit geval inhoudt dat aan eiseres een boete wordt opgelegd van € 750,--,

bepaalt dat verweerder binnen zes weken nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres neemt ten aanzien van de opgelegde last onder dwangsom met inachtneming van deze uitspraak,

bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 288,-- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. M. Schoneveld, voorzitter, en mr. A.I. van Strien en mr. A.A.J. Lemain, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Vermaat, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 12 januari 2010.

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.