Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BK8553

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
07-01-2010
Zaaknummer
AWB 08/3245 TELEC-T1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

de rechtbank stelt vast dat bij de uitvoering van de taplast niet volledig aan de medewerkingsplicht is voldaan. Verweerder was in dit verband bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete. Het niet per omgaande overleggen van verifieerbare gegevens na het niet goed functioneren van een (al dan niet onverwijld) uitgevoerde tap staat evenwel niet gelijk aan een overtreding van artikel 13.2 van de Tw in verbinding met artikel 2, aanhef en onder b, van het Besluit aftappen openbare telecommunicatienetwerken en -diensten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/3245 TELEC-T1

Uitspraak in het geding tussen

Ziggo B.V. (hierna: Ziggo), gevestigd te Groningen, eiseres, zijnde rechtsopvolgster van voormalig rechtspersoon Multikabel B.V. (hierna: Multikabel),

gemachtigde mr. G.W. van der Klis, advocaat te Amsterdam,

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 22 november 2007 heeft verweerder aan Multikabel tweemaal een boete en een last onder dwangsom opgelegd wegens het niet (onverwijld) nakomen van aftapverplichtingen.

Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft Multikabel bij brief van 20 december 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 juli 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 12 augustus 2008 beroep ingesteld. Bij brief van 12 september 2008 heeft eiseres de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft bij brief van 25 november 2008 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 februari 2009 heeft eiseres van repliek gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2009. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.W. van der Klis en mr. P. Posthuma de Boer, bijgestaan door J.A. Kroese en mr. S. de Boer-Dijkstra. Namens verweerder zijn mr. E. Kieboom en mr. G.E. Dijkstra verschenen, bijgestaan door E.J. van Eijck en L.G. Weerd.

2 Overwegingen

2.1 Juridisch kader

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder ff, van de Telecommunicatiewet (hierna: Tw) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder openbare telecommunicatie-dienst: voor het publiek beschikbare dienst die geheel of gedeeltelijk bestaat in het overbrengen van signalen via een elektronisch communicatienetwerk, voor zover deze dienst niet bestaat uit het verspreiden van programma’s.

Artikel 13.1 van de Tw luidt als volgt:

“1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatie-diensten stellen hun telecommunicatienetwerken en telecommunicatiediensten uitsluitend beschikbaar aan gebruikers indien deze aftapbaar zijn.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de technische aftapbaarheid van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten.”

Artikel 13.2 van de Tw luidt als volgt:

“ 1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken zijn verplicht medewerking te verlenen aan de uitvoering van een bevel op grond van het Wetboek van Strafvordering dan wel een toestemming op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 tot het aftappen of opnemen van telecommunicatie die over hun telecommunicatienetwerken wordt afgewikkeld.

2. Aanbieders van openbare telecommunicatiediensten zijn verplicht medewerking te verlenen aan de uitvoering van een bevel op grond van het Wetboek van Strafvordering dan wel een toestemming op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 tot het aftappen of opnemen van door hen verzorgde telecommunicatie.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de te nemen organisatorische en personele maatregelen en te treffen voorzieningen met betrekking tot aftappen.”

In artikel 15.1, eerste lid, van de Tw zijn de bevoegdheden van de Minister opgenomen met betrekking tot onder andere het toezicht op bevoegd aftappen zoals geregeld in hoofdstuk 13 van de Tw.

In artikel 15.2, eerste lid, van de Tw is bepaald dat de Minister bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de verplichtingen gesteld in de in artikel 15.1, eerste lid, bedoelde bepalingen.

In artikel 15.4, eerste lid, van de Tw is bepaald dat de Minster bevoegd is om een boete van ten hoogste € 450.000,= op te leggen ingeval van overtreding van de verplichtingen gesteld in de in artikel 15.1, eerste lid, bedoelde bepalingen.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a en b, van het Besluit aftappen openbare telecommunicatienetwerken en -diensten (hierna: het Besluit) richt de aanbieder zijn openbare telecommunicatienetwerk of openbare telecommunicatiedienst zodanig in dat:

a. een bijzondere last wordt uitgevoerd op basis van het daarin door de lastgever vermelde nummer van de af te tappen gebruiker;

b. een bijzondere last onverwijld wordt uitgevoerd op het tijdstip en gedurende de periode die in de bijzondere last is vastgelegd.

2.2 Feiten en omstandigheden

Bij brief van 29 november 2006 heeft het Korps Landelijke Politiediensten, Unit Landelijke Interceptie (hierna: ULI), een klacht bij verweerder ingediend over de uitvoering van een e-mailtap door Multikabel. Multikabel zou een bevoegd gegeven taplast niet, althans niet geheel, hebben uitgevoerd. Bovendien zou zij de taplast niet onverwijld hebben uitgevoerd.

Daartoe heeft de ULI aangegeven dat hij op 9 augustus 2006 van de Officier van Justitie (hierna: de Officier) een bevel tot opnemen van telecommunicatie en de bijbehorende vordering tot verstrekking van verkeersgegevens ontving. Deze last met parketnummer 13/127342-03 staat bij de ULI bekend onder nummer ULI4113. Dit bevel is op dezelfde dag ter technische uitvoering aan Multikabel verzonden. Het bevel en de daarop volgende verlengingen strekten tot het aftappen van (alle inkomende en uitgaande e-mail van) een in de last genoemde e-mailaccount voor de periode van 9 augustus tot en met 18 december 2006. Multikabel heeft de technische afhandeling van het aftappen uitbesteed aan de stichting Nederlandse Beheersorganisatie Internet Providers (hierna: NBIP). Door een medewerker van de NBIP is op 11 augustus 2006 aan de ULI meegedeeld dat de tap was geactiveerd. Na meerdere interventies van de ULI bleek de tap eerst vanaf 16 augustus 2006 enigszins productief te zijn.

Op 17 augustus 2006 heeft de ULI Multikabel op de hoogte gesteld van gerezen twijfels met betrekking tot de werking van de tap. Daarbij is verzocht verifieerbare gegevens te overleggen. Multikabel heeft op 23 augustus 2006 aangegeven dat er fouten waren opgetreden, maar dat de tap op dat moment technisch juist zou werken, voor zowel uitgaande als inkomende e-mail. Op 31 augustus 2006 heeft de Officier een zogenaamde IP-tap gelast, teneinde meer zekerheid te krijgen met betrekking tot het verkeer van en naar het betreffende e-mail account. Deze taplast is bekend onder nummer ULI4232. Daarbij werd geconstateerd dat meerdere inkomende en uitgaande berichten niet op basis van de e-mailtap waren afgeleverd. Wat betreft de inkomende e-mail bleken er meerdere berichten te ontbreken en wat betreft de uitgaande e-mail bleken alle berichten te ontbreken. Van 26 oktober tot 28 november 2006 zijn door de ULI geen data ontvangen van de e-mailtap.

In het rapport van bevindingen van 13 februari 2007 stelt de toezichthoudende ambtenaar van Agentschap Telecom dat de taplast ULI4113 niet, althans niet geheel, is uitgevoerd. Ook is deze niet onverwijld uitgevoerd. Bij de beoordeling of de taplast onverwijld is uitgevoerd is de periode tussen 10 augustus en 17 augustus 2006 niet meegenomen aangezien Multikabel eerst op 17 augustus 2006 op de hoogte werd gesteld van de twijfels over het goede functioneren van de tap.

Bij het primaire besluit heeft verweerder ter zake van het niet, althans niet geheel, onverwijld uitvoeren van de taplast ULI4113 op basis van artikel 13.2 van de Tw juncto artikel 2, aanhef en onder b, van het Besluit een boete opgelegd van € 3000,-.

Voorts heeft verweerder bij het primaire besluit wegens het niet volledig uitvoeren van de taplast ULI4113 op basis van artikel 13.2 van de Tw eveneens een boete van € 3000,- opgelegd.

Daarnaast is Multikabel bij het primaire besluit gesommeerd een bijzondere taplast, waarin wordt gevorderd de telecommunicatie betreffende inkomend en uitgaand e-mailverkeer van een nader bepaald e-mailadres af te tappen, onverwijld uit te voeren op het tijdstip en gedurende de periode die in de bijzonder last is vastgelegd. Indien de overtreding zich herhaalt, verbeurt Multikabel een dwangsom van € 2.500 per geconstateerde overtreding per dag, met een maximum van € 50.000,=. Deze last verliest zijn werking indien:

a) de vaststaande maximum looptijd van twee jaar is verstreken, of

b) het maximaal te verbeuren bedrag binnen twee jaar is bereikt.

Het door Multikabel tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.3 Standpunten van partijen

Samengevat stelt verweerder zich op het standpunt dat er sprake is van een bevoegd gegeven taplast, die door de ULI is doorgeleid. De formulering van de taplast acht verweerder leidend voor de omvang van de verplichting die op de aanbieder rust. In de formulering van de taplast ligt besloten dat ook uitgaande e-mail diende te worden afgetapt. Technische specificaties als de TIIT en de WAI/GT/FuncSpecs kunnen volgens verweerder de taplast niet beperken. Indien Multikabel kiest voor een technische wijze die het niet mogelijk maakt uitgaande e-mail te tappen, komt dit voor haar rekening en verantwoording. Door alleen inkomende e-mail af te tappen heeft Multikabel niet volledig meegewerkt aan de uitvoering van de betreffende taplast. Doordat zes dagen de tijd is genomen om de taplast uit te voeren, is bovendien niet onverwijld gehandeld.

Eiseres stelt zich samengevat op het standpunt dat de dienst die door Multikabel werd aangeboden aftapbaar was en dat aan het tapbevel is voldaan. Zij stelt dat Multikabel de

e-mailtap onverwijld heeft geplaatst. Daarnaast heeft Multikabel aangeven dat, indien uitgaande e-mail ook onderschept moet worden, er een IP-tap moet worden bevolen. Eiseres voert aan dat het een technische realiteit was (en is) dat een e-mailtap op het mailplatform van Multikabel enkel inkomend e-mailverkeer kon onderscheppen en dus geen uitgaand e-mailverkeer. Een IP-tap onderschept daarentegen zowel ingaand als uitgaand e-mailverkeer. Dat niet direct een IP-tap is geplaatst, valt Multikabel niet te verwijten. Volgens eiseres volgt een verplichting tot het afzonderlijk aftappen van inkomende en uitgaande e-mail uit de Tw, noch uit het Besluit. Voorts kon uit taplast niet worden afgeleid dat zowel inkomende als uitgaande e-mail getapt moest worden. Uit het legaliteitsbeginsel volgt dat geen sanctie kan worden opgelegd in geval de (vermeende) overtreden norm niet ondubbelzinnig is geformuleerd en ruimte bestaat voor verschillende interpretaties. Als er in dit geval al sprake zou zijn van een overtreding van de Tw, hetgeen eiseres bestrijdt, dan is er in ieder geval geen sprake van een overtreding die willens en wetens is begaan. Gezien de geringe ernst van de vermeende overtreding is de hoogte van de dwangsom niet te rechtvaardigen. Nu geen sprake is van het niet voldoen aan een wettelijke verplichting kan evenmin de boete worden gehandhaafd.

2.4 Beoordeling

2.4.1 Overtredingen

De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiseres is gericht tegen zowel de last onder dwangsom als tegen beide opgelegde boetes en zij verwijst daartoe naar onderdeel 58 van het aanvullende beroepschrift.

De rechtbank stelt vast dat, gelet op het bepaalde in artikel 1.1, aanhef en onder ff, van de Tw, een e-maildienst een openbare telecommunicatiedienst in de zin van de Tw is. Daaruit volgt dat de artikelen 13.1 (verplichte aftapbaarheid) en 13.2 (medewerkingsplicht) van de Tw in dit geding van toepassing zijn. Dit betekent dat aanbieders hun netwerk zodanig moeten inrichten dat taplasten kunnen worden uitgevoerd en zij moeten meewerken aan de uitvoering van bevoegd gegeven taplasten.

De rechtbank is van oordeel dat Multikabel bij de uitvoering van taplast ULI4113 niet volledig aan haar medewerkingsplicht heeft voldaan. Zij heeft daartoe het volgende overwogen.

De formulering van de last is leidend voor de omvang van de verplichting die op de aanbieder rust tot medewerking aan de uitvoering van een bevoegd gegeven taplast. Dit volgt onder meer uit de parlementaire behandeling van de Tw en uit hetgeen is bepaald in artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit. In de betreffende taplast, die door de ULI aan Multikabel is doorgeleid, werd “telecommunicatie gevoerd door middel van het betreffende e-mailadres” gevorderd. Hierin is geen beperking aangeduid, in die zin dat het alleen om inkomende e-mail zou gaan, noch is deze naar het oordeel van de rechtbank gebrekkig geformuleerd. Het ging om het doorgeven van alle telecommunicatie gevoerd door middel van het betreffende e-mailadres, dus zowel inkomende als uitgaande e-mail. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, treedt de in de taplast van Multikabel gevraagde medewerking niet buiten de wettelijke verplichtingen die uit artikel 13.1 en 13.2 van de Tw voortvloeien.

Vast staat dat de door Multikabel geplaatste e-mailtap niet alle inkomende e-mail heeft afgeleverd en helemaal geen uitgaande e-mail. Derhalve heeft Multikabel niet volledig meegewerkt aan de uitvoering van de betreffende taplast. Dat Multikabel het uitgaande

e-mailverkeer op basis van een IP-tapbevel had kunnen aftappen, kan hieraan niet afdoen. Op Multikabel rustte op grond van de taplast ULI4113 de verplichting het (in- en uitgaande) e-mailverkeer af te tappen. Met een IP-tap wordt al het verkeer afgetapt dat via een bepaalde internetaansluiting wordt gevoerd, hetgeen dus niet is beperkt tot e-mailverkeer. De keuze om alleen e-mailverkeer af te tappen of alle telecommunicatie over een IP-adres, is er een die door de Officier wordt gemaakt. Dit staat niet ter beoordeling van Multikabel. Indien het voor Multikabel overigens niet duidelijk was wat van haar werd verlangd, had het voor de hand gelegen contact op te nemen met de ULI of met de Officier.

Dat de technische wijze van tappen die Multikabel gekozen heeft het niet mogelijk maakt om uitgaande e-mail te tappen, dient voor rekening en verantwoordelijkheid van Multikabel te komen. De rechtbank merkt daarbij op dat door eiseres niet is betwist dat het technisch mogelijk is om uitgaande e-mail te tappen. Op de inhoud van de technische protocollen, als de TIIT en de WAI/GT/FuncSpecs, kan naar het oordeel van de rechtbank geen geslaagd beroep worden gedaan om de omvang van de taplast te beperken. De protocollen zijn op grond van de artikelen 3 en 4 van het Besluit vastgesteld. Deze protocollen zijn technisch gesproken geschikt om aan de aftapverplichting voor zowel inkomende als uitgaande e-mails te voldoen. Dat in de toelichting op deze protocollen op sommige plaatsen alleen wordt gerefereerd aan inkomende e-mails, beperkt de reikwijdte van de wettelijke bepalingen niet, doet niet af aan de verplichting van de aanbieders om taps op uitgaande e-mails mogelijk te maken, en beperkt evenmin de technische mogelijkheden.

Dat de herkomst van uitgaand e-mailverkeer onbetrouwbaar kan zijn, doet evenmin af aan de verplichting om ook uitgaande e-mail af te tappen. De waardering van de afgetapte gegevens is de verantwoordelijkheid van de Officier.

Met betrekking tot het verwijt dat verweerder Multikabel maakt aangaande het niet onverwijld uitvoeren van de taplast ULI4113, overweegt de rechtbank als volgt.

Vast staat dat het tapbevel, gegeven op 9 augustus 2006, na 46 uur nog niet goed liep. In zoverre zou gesteld kunnen worden dat niet onverwijld is afgetapt. Op 17 augustus 2006, dus zes dagen na het installeren van de tap, is Multikabel door de ULI op de hoogte gebracht van de gerezen twijfels over het functioneren van de tap en is aan haar verzocht om verifieerbare gegevens te overleggen. Eerst op 23 augustus 2006 heeft Mulitkabel hierop gereageerd. Bij het opleggen van de onderhavige sanctie heeft verweerder de periode van

9 tot 17 augustus bewust niet meegenomen doch is uitgegaan van de periode 17 augustus tot 23 augustus 2006. Verweerder stelt dat Multikabel, nu zij zes dagen de tijd heeft genomen om op het verzoek van 17 augustus 2006 te reageren, niet onverwijld uitvoering aan de taplast heeft gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek van 17 augustus 2006 evenwel niet gelijk te stellen aan een (nieuwe) taplast. Het verwijt dat verweerder Multikabel hier maakt betreft derhalve niet het niet onverwijld plaatsen van een tap. Nu het niet per omgaande overleggen van verifieerbare gegevens na het niet goed functioneren van een (al dan niet onverwijld) uitgevoerde tap niet gelijk staat aan een overtreding van artikel 13.2 van de Tw in verbinding met artikel 2, aanhef en onder b, van het Besluit, kan Multikabel in zoverre niet worden verweten deze bepalingen te hebben overtreden.

2.4.2 Last onder dwangsom

In het geval er sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift zal - behoudens bijzondere omstandigheden - gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (zoals deze ten tijde van het bestreden besluit luidde) kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. Ingevolge het tweede lid strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag moet daarbij in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

Nu gelet op de overwegingen onder 2.4.1 vast staat dat Multikabel het bepaalde in artikel 13.2 van de Tw heeft overtreden, was verweerder bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom.

De last onder dwangsom is met name bedoeld om herhaling van de overtreding te voorkomen en ziet op de uitvoering van bijzondere (tap)lasten, waarin inkomende en uitgaande e-mail wordt gevorderd. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat verweerder na afweging van de betrokken belangen had moeten afzien van het opleggen van de last onder dwangsom. Onbetwist is dat het voor Multikabel c.q. eiseres niet technisch onmogelijk is om uitgaande e-mail afzonderlijk af te tappen. Multikabel c.q. eiseres heeft het dus in haar macht om aan de last feitelijk uitvoering te geven. Voorts is voor het opleggen van een dwangsom niet noodzakelijk dat er sprake is van een opzettelijke overtreding. Nu er bovendien sprake is van een beginselplicht tot handhaving heeft verweerder in redelijkheid, alle belangen afwegend, in dit geval kunnen besluiten dat een minnelijke regeling niet aan de orde is.

Nu het optreden niet onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen heeft verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kunnen maken.

De rechtbank acht voorts de hoogte van de dwangsom niet onredelijk. Eiseres heeft haar standpunt dat de dwangsom te hoog is niet onderbouwd. Bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom zijn de financiële omstandigheden van de overtreder op zichzelf niet bepalend. De zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging vormen primair de basis voor de hoogte van de dwangsom. Mede gelet op het grote belang van de naleving van artikel 13.2 van de Tw, te weten het tegengaan van belemmeringen in het opsporen van strafbare feiten, is voor het voorkomen van herhaling het toepassen van een financiële prikkel als de onderhavige niet onredelijk. In het feit dat, zoals eiseres zelf stelt, Multikabel veel taplasten succesvol heeft uitgevoerd, ziet de rechtbank geen reden om de hoogte onevenredig zwaar te achten. Dat eiseres sinds augustus 2007 de taplasten naar behoren uitvoert, betekent dat zij, nu op 22 november 2009 de maximum looptijd is verstreken, niet voor verbeurte van de dwangsom hoeft te vrezen.

2.4.3 Boetes

Uit de omstandigheid, dat er verschillen zijn in aard tussen een reparatoire sanctie en een punitieve sanctie, volgt dat, indien daartoe aanleiding bestaat, wegens één en dezelfde overtreding zowel een last onder dwangsom als een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Verweerder was op grond van artikel 15.4 van de Tw derhalve bevoegd ten aanzien van de overtreding van artikel 13.2 van de Tw een boete op te leggen. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verweerder in het onderhavige geval in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De rechtbank volgt verweerder in diens standpunt dat de overtreding van artikel 13.2 van de Tw bestaande uit het niet volledig uitvoeren van de taplast, dusdanig ernstig is dat in dit geval (tevens) het opleggen van een boete op zijn plaats is. In het geval de taplast niet (volledig) wordt uitgevoerd, kan dit een belemmering vormen in het opsporingsonderzoek. Uit de overwegingen hiervoor onder 2.4.1 volgt dat Multikabel de overtreding kan worden verweten.

Met betrekking tot de hoogte van de opgelegde boete overweegt de rechtbank allereerst dat het ontbreken van een algemeen beleidskader het opleggen van een boete niet in de weg staat. In het licht van de maximaal op te leggen boete, zoals vastgelegd in artikel 15.4 van de Tw, acht de rechtbank de opgelegde boete ad € 3.000,-, alle hiervoor weergegeven relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, niet onevenredig ten opzichte van de begane overtreding. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit de opgelegde boete van € 3.000,- wegens het niet volledig uitvoeren van de taplast, terecht heeft gehandhaafd.

Uit hetgeen hiervoor onder 2.4.1 is overwogen, volgt echter dat het bestreden besluit, voor zover dat strekt tot handhaven van de boete opgelegd wegens het niet onverwijld uitvoeren van de taplast, niet in stand kan blijven.

2.5 Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover dit ziet op de boete opgelegd wegens het niet onverwijld uitvoeren van de taplast. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit in zoverre te herroepen. Het beroep tegen het bestreden besluit dient gelet op de laatstgenoemde overwegingen derhalve gegrond te worden verklaard.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken, alsook in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. De rechtbank bepaalt de proceskosten, uitgaande van het gewicht ‘zeer zwaar’, zowel in beroep als in bezwaar op € 1.288,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal op € 2.576,-.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond, voor zover dat ziet op de boete opgelegd wegens het niet onverwijld uitvoeren van het tapbevel ULI4113,

vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit in zoverre,

verklaart het beroep voor het overige ongegrond,

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 288,- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in beroep en in bezwaar tot een bedrag van in totaal € 2.576,-.

Aldus gedaan door mr. M. Schoneveld , voorzitter, en mr. J.H. de Wildt en

mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Vermaat, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 7 januari 2010.

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres worden begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

NB. In deze uitspraak is het beroep (deels) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd. Als de rechtbank daarbij gronden van het beroep en/of (een deel van) de grondslag van het bestreden besluit uitdrukkelijk heeft verworpen en belanghebbende en/of verweerder daarin niet wil(len) berusten, moet daartegen binnen bovengenoemde termijn hoger beroep worden ingesteld.