Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BM9796

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
315354 / HA ZA 08-2295
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2473, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vergoeding voor verrichte diensten; inspanningsverplichting; relevante inspanning/omvang van de inspanning relevant voor recht op vergoeding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 315354 / HA ZA 08-2295

Uitspraak: 18 november 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap PROJEKTBURO KOUTERS B.V.,

gevestigd te Oud Gastel,

eiseres,

advocaat mr. W.L. Stolk,

- tegen -

de besloten vennootschap ENECO NEW ENERGY B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. H.D.L.M. Schruer.

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:

? de dagvaarding van 16 september 2008 en de producties 1 tot en met 9;

? de conclusie van antwoord, met de producties 1 tot en met 22;

? de conclusie van repliek;

? de conclusie van dupliek, met de producties 23 tot en met 28;

? de akte uitlating producties, van eiseres.

2. Het geschil

Eiseres vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van het bedrag van de overeengekomen vergoeding ten bedrage van 2% van de feitelijke (werkelijke) stichtingskosten van het windturbineproject aan de Sint Antoinedijk te Oud Gastel in de gemeente Halderberge, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de verschuldigde BTW over die vergoeding en met de wettelijke rente over de vergoeding plus BTW, berekend op de voet van het bepaalde in de artikelen 6:120 juncto 6:119a BW vanaf 11 augustus 2008 (start bouw) tot de dag van voldoening;

b. gedaagde te veroordelen bij wijze van voorschot op die vergoeding aan eiseres te betalen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, de bij de Projectovereenkomst d.d. 10 juni 2002 geschatte vergoeding, zoals die d.d. 9 juli 2009 bij de factuur met het nummer 20081 aan gedaagde in rekening is gebracht, ad € 302.250,=, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, berekend op de voet van het bepaalde in de artikelen 6:120 juncto 6:119a BW vanaf 11 augustus 2008 (start bouw) tot de dag van voldoening;

c. gedaagde te veroordelen tot het doen van rekening en verantwoording aan eiseres van het bedrag van de feitelijke (werkelijke) stichtingskosten van het windturbineproject aan de Sint Antoinedijk te Oud Gastel in de gemeente Halderberge en wel binnen één maand na de uitspraak van de daartoe strekkende veroordeling, op straffe van verbeurte van een aan eiseres verschuldigde dwangsom van € 2.500,= voor elke kalenderdag dat gedaagde, ná betekening van de daartoe strekkende veroordeling geheel of gedeeltelijk weigert, dan wel nalaat aan de veroordeling tot het doen van rekening en verantwoording te voldoen, dan wel dat Rechtbank Rotterdam in verband met de op gedaagde rustende verplichting om gezamenlijk met eiseres overeenstemming te bereiken over de feitelijke (werkelijke) stichtingskosten voor het windturbineproject Sint Antoinedijk in de gemeente Halderberge, voorzieningen treft, al dan niet met voorafgaande toepassing van de (ambtshalve) bevoegdheden van de artikelen 22 en/of 194 Rv., als haar geraden respectievelijk wenselijk dan wel passend voorkomt;

d. gedaagde te veroordelen in de proceskosten, de kosten van een eventueel te gelasten deskundigenonderzoek en van eventueel ten laste van gedaagde te leggen conservatoire beslagen tot zekerheid van het verhaal van de vorderingen van eiseres daaronder begrepen.

Gedaagde voert verweer tegen deze vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijk-verklaring, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van eiseres - uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van de procedure, met nakosten en rente.

3. De beoordeling

3.1. De rechtbank gaat uit van de navolgende tussen partijen vaststaande feiten.

a. Gedaagde is in 2004 de rechtsopvolgster onder algemene titel geworden van GEN Renewable Energy Projects Holding BV (hierna eveneens aan te duiden met: gedaagde). Gedaagde had zich (mede) ten doel gesteld windenergieprojecten te ontwikkelen en te realiseren op locaties in westelijk Noord-Brabant en Zeeland.

b. Gedaagde is in 2001 in contact gekomen met eiseres, een in Oud Gastel gevestigd advies- en projectbureau.

c. Partijen hebben op 19 april 2002 een samenwerkingsovereenkomst gesloten, de "Samenwerkingsovereenkomst 'GEN-Kouters' ", met de volgende inhoud:

"(…)

overwegende dat:

partijen voor elkaar van toegevoegde waarde zijn, in die zin dat:

- GEN beoogt windenergieprojecten te ontwikkelen; de benodigde rechten en vergunningen hiervoor tracht te verwerven; en genoemde projecten wil exploiteren en hiervoor risico’s wil nemen;

- Kouters als planinitiatiefnemer en planontwikkelaar onroerend goedprojecten beoogt te ontwikkelen, met als doel deze tegen vergoeding aan marktpartijen over te dragen;

- Kouters beschikt over een netwerk van relaties in de regio West-Brabant, en deze met ondersteuning van GEN effectief kan en wil inzetten voor de ontwikkeling van windenergieprojecten,

komen overeen:

1) Gezamenlijk de ontwikkeling van overeengekomen locaties voor windenergie ter hand te willen nemen, die vallen in de regio West-Brabant/Zeeland.

2) Beide partijen kunnen kandidaat-locaties aandragen, die na accordering door beide partijen zullen worden vermeld op een lijst. Deze locaties zullen in overleg worden beoordeeld op de mogelijkheden voor windenergie. Indien een locatie geschikt wordt geacht om een windenergieproject op te starten, zal voor deze locatie een projectovereenkomst worden opgesteld volgens bijlage.

3) Partijen spreken af om per geschikt geachte locatie in gezamenlijk overleg een projectplan op te stellen en elkaar bij de uitvoering hiervan te ondersteunen. Deze voorbereiding en ondersteuning houdt een wederzijdse inspanningsverplichting in.

4) Beide partijen zullen zich onthouden van het voeren van besprekingen of

onderhandelingen die in strijd zijn met deze samenwerkingsovereenkomst. Partijen zullen in de regio West-Brabant/Zeeland geen locaties zelfstandig ontwikkelen, indien deze de voortgang belemmeren van de in het kader van deze samenwerking overeengekomen windprojecten.

5) De rechten en vergunningen die in het kader van de bedoelde gezamenlijke projectontwikkeling worden verworven, zullen direct op naam van GEN worden gesteld, tenzij anders wordt overeengekomen. Onder deze rechten worden ook verstaan, die, waarin opschortende of ontbindende voorwaarden zijn opgenomen.

6) Partijen zullen ieder voor zich de kosten op zich nemen die zijn verbonden aan de projectontwikkelactiviteiten, waaronder kantoor- en reiskosten. Kosten in verband met externe onderzoeken, optiekosten, legeskosten e.d., zullen door GEN worden gedragen. Verplichtingen van deze aard zullen uitsluitend door GEN zelf worden aangegaan. Tenminste éénmaal per kwartaal zal een evaluatie plaatsvinden van de projectontwikkeling, de gemaakte vorderingen en de effectiviteit van de inspanningen.

7) GEN zal aan Kouters een vergoeding uitkeren ter hoogte van 2% (twee procent) van de stichtingskosten van elk windproject conform de berekening op de desbetreffende projectovereenkomst. Deze vergoeding is opeisbaar door Kouters vanaf de dag dat de bouw van de windturbines aanvangt. De betaling van de vergoeding door GEN aan Kouters zal plaatsvinden binnen 30 dagen nadat Kouters hiervoor bij GEN een declaratie heeft ingediend.

Als voorschot hierop mag Kouters bij GEN na de beëindiging van de terinzagelegging door de betreffende gemeente van het gewijzigde bestemmingsplan en de provinciale goedkeuring hiervan een rekening indienen ter hoogte van 1/5 (eenvijfde deel) van de vergoeding. De betaalbaarstelling van dit voorschot zal door GEN nader worden bepaald maar uiterlijk plaatsvinden tezamen met de betaling van de volledige vergoeding.

8) Beide partijen zullen:

a) de informatie welke zij in het kader van deze overeenkomst van de ander ontvangen uitsluitend gebruiken voor het doel waarvoor deze ter beschikking is gesteld en voorkomen dat derden toegang verkrijgen tot deze informatie;

b) in geen geval, noch tijdens de duur van deze overeenkomst noch na de beëindiging hiervan, aan derden gegevens of bijzonderheden bekend maken en of mededelingen doen met betrekking tot zaken, belangen of werkwijzen van de wederpartij.

Bij beëindiging van deze overeenkomst zal Kouters alle zaken met betrekking tot de overeengekomen projecten uit eigen beweging aan GEN overdragen.

Deze overeenkomst wordt aangegaan voor de duur van drie (3) jaar, ingaande op de dag van ondertekening van deze overeenkomst. Partijen kunnen tussentijds besluiten deze overeenkomst te ontbinden of te verlengen na wederzijdse, schriftelijke instemming. Bij eventuele ontbinding op initiatief van GEN behoudt Kouters het recht om de in punt 8 bedoelde vergoeding voor reeds overeengekomen windprojecten op te eisen.

(…) "

d. Op 10 juni 2002 is een zogenoemde "Projectovereenkomst windenergie 'GEN-Kouters' " gesloten, als bedoeld in artikel 2 van de Samenwerkingsovereenkomst. Hierin is opgenomen (met het handgeschrevene schuingedrukt weergegeven):

"(…)

Betreft een project zoals bedoeld in de samenwerkingsovereenkomst "GEN-Kouters" d.d. 19 april 2002.

1.Beoogde windproject:

Locatie Windpark Sint Antoinedijk

in de gemeente Halderberge volgens situatie op de bijlage(n).

2.Windvermogen op de beoogde projectlocatie:

Schatting van het op te stellen windvermogen op basis van de

(planologische) mogelijkheden: 10 MW;

3.Stichtingskosten windproject op de beoogde locatie:

Schatting van de stichtingskosten bij het in 2 vermelde windvermogen: EUR 12.700.000,-;

4.Vergoeding Kouters volgens punt 7 van de samenwerkingsovereenkomst:

Geschatte vergoeding 2 % van de geschatte stichtingskosten, aldus: EUR 254.000,- .

De feitelijke stichtingskosten op de beoogde locatie zullen worden vastgesteld bij de start van de bouw. Na accoordbevinding door beide partijen zal de vergoeding aan Kouters definitief worden vastgesteld volgens de berekening in punt 4.

(…)"

e. De Samenwerkingsovereenkomst is niet verlengd en derhalve geëindigd per 19 april 2005.

f. Medio 2008 is de bouw van het windenergieproject Halderberge aangevangen. Andere projecten zijn niet uitgemond in de bouw van windturbines.

g. Eiseres heeft gedaagde een factuur van 9 juli 2008 gezonden voor een bedrag van € 302.260,=. Gedaagde heeft betaling hiervan geweigerd.

3.2. Eiseres legt aan haar vorderingen ten grondslag dat gedaagde de uit artikel 7 van de Samenwerkingsovereenkomst voortvloeiende betalingsverplichting dient na te komen. Eiseres stelt daartoe dat het windenergieproject in de gemeente Halderberge tot uitvoering is gekomen vanaf begin juli 2008 en dat op 11 augustus 2008 de bouw van de windturbines is gestart. Overeenkomstig artikel 7 van de Samenwerkingsovereenkomst maakt eiseres aanspraak op uitbetaling van een vergoeding van 2% van de stichtingskosten van dit windenergieproject, hetgeen volgens de Projectovereenkomst resulteert in een geschatte vergoeding van € 254.000,=. Voorts wenst eiseres vaststelling van de feitelijke stichtingskosten en betaling van het definitieve bedrag van de overeengekomen vergoeding ter hoogte van 2% van de feitelijke stichtingskosten.

3.3. Gedaagde betwist niet dat het windenergieproject in de gemeente Halderberge is gerealiseerd en dat de werkzaamheden in juli 2008 zijn aangevangen. Gedaagde voert in de kern alleen aan dat eiseres, in de persoon van de heer Kouters, steeds een passieve en afwachtende houding heeft aangenomen, ook in de uitvoeringsfase van het project, dat de verlening van de bouwvergunning niet kan worden gerelateerd aan inspanningen van eiseres en dat eiseres in ieder geval na 1 januari 2004 geen enkele inspanning meer heeft verricht. Gedaagde stelt dat gelet op de bepaling in de Samenwerkingsovereenkomst dat sprake is van een "wederzijdse inspanningsverplichting" bij de voorbereiding en uitvoering van een projectplan, met tenminste eenmaal per kwartaal een evaluatie, alsmede gelet op de hoogte van de overeengekomen resultaatafhankelijke beloning, eiseres dermate weinig inspanningen heeft verricht dat zij geen recht heeft op enige beloning, laat staan op 2% van de feitelijke oprichtingskosten.

Gedaagde stelt (conclusie van antwoord, pagina 10) dat eiseres ondanks zeer veelvuldig schriftelijk verzoek van gedaagde heeft nagelaten zich in te spannen.

Voor het overige verweert gedaagde zich alleen tegen de door eiseres beoogde wijze van vaststelling van de feitelijke stichtingskosten.

3.4. Eiseres heeft hiertegen bij repliek in eerste plaats aangevoerd dat het verweer dat eiseres "gebrekkig" uitvoering heeft gegeven aan de op haar rustende inspanningsverplichting gedaagde niet ontslaat van haar verplichting tot betaling van de overeengekomen vergoeding. Eiseres voert aan dat de verschuldigdheid c.q. de opeisbaarheid van de vergoeding (slechts) afhankelijk is van het bereiken van een bepaald resultaat, zijnde "de dag dat de bouw van de windturbines aanvangt", derhalve niet afhankelijk is van de aard, inhoud en omvang van de verrichtingen van eiseres of van haar voortdurende inspanning. Volgens eiseres heeft de beloningsafspraak een "no cure no pay"-karakter.

In de tweede plaats heeft eiseres betoogd dat zij behoorlijk, althans niet onbehoorlijk, en als goed opdrachtnemer uitvoering heeft gegeven aan de op haar rustende inspanningsplicht. Eiseres voert aan dat door gedaagde in elk geval tot enige tijd na een gesprek op 10 maart 2004 nimmer klachten of aanmerkingen zijn geuit over haar inzet of inspanningen. Zij wijst er op dat gedaagden bij brief van 8 januari 2004 nog haar tevredenheid heeft uitgesproken en bevestigd door te schrijven over "continuering van de vruchtbare en duurzame samenwerking". Eiseres betwist derhalve dat gedaagde heeft geklaagd en stelt, onder verwijzing naar artikel 6:89 BW, dat gedaagde wegens schending van de plicht tijdig te klagen haar (eventuele) rechten heeft verloren. Voorts, voor de periode vanaf circa medio 2004, stelt eiseres dat gedaagde verdere samenwerking met eiseres heeft verhinderd ondanks haar wens en aanbod tot verdere samenwerking.

3.5. In reactie hierop heeft gedaagde haar standpunt gehandhaafd dat eiseres zich onvoldoende heeft ingespannen en dat eiseres geen enkele bijdrage heeft geleverd aan de werkzaamheden die nodig waren om te komen tot verlening van de bouwvergunning. Gedaagde herhaalt (bij dupliek, pagina 10) dat eiseres, ondanks zeer veelvuldige schriftelijke verzoeken van gedaagde, heeft nagelaten zich in te spannen. Volgens gedaagde (dupliek, pagina 11) is in dit geval uitdrukkelijk overeengekomen dat eiseres een effectieve inspanning moest verrichten, welke verplichting verder reikt dan een gewone inspanning.

Stellende, onder verwijzing naar literatuur en naar de artikelen 7:426 en 7:431 BW, dat een opdrachtnemer geen recht op loon heeft wanneer de overeenkomst geheel buiten zijn toedoen tot stand is gekomen en dat aan het bereikte resultaat door de opdrachtnemer in redelijke mate moet zijn bijgedragen, betoogt gedaagde dat er een (causaal) verband moet zijn tussen de prestatie van eiseres en het behalen van het resultaat waaraan de beloning is gekoppeld.

3.6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres zich er terecht op beroepen dat het ontstaan van de verplichting voor gedaagde tot uitbetaling aan eiseres van een vergoeding (ter hoogte van 2% van de stichtingskosten) in de Samenwerkingsovereenkomst alleen afhankelijk is gesteld van de start van de bouw van de windturbines. Gesteld noch gebleken zijn omstandigheden die in weerwil van de tekst van de Samenwerkingsovereenkomst, in het bijzonder artikel 7 daarvan, tot de conclusie zouden kunnen leiden dat het ontstaan van die verplichting (mede) afhankelijk is gesteld van de mate en kwaliteit van de inspanning van eiseres en/of van een (causaal) verband tussen die inspanning en de start van de bouw van de windturbines.

Daar komt bij dat de samenwerking contractueel aldus vorm is gegeven dat eiseres mogelijk voor verschillende (potentiële) projecten werkzaamheden zou gaan verrichten terwijl de beloning afhankelijk was gesteld van het realiseren van één of meer van deze projecten. Ook in deze zin bestaat er geen relatie tussen inspanning en een bepaald project.

3.7. Het voorgaande laat op zichzelf onverlet dat de Samenwerkingsovereenkomst een wederkerige overeenkomst is, met elementen van de overeenkomst van opdracht, waarin ook eiseres verplichtingen op zich heeft genomen. Eventuele niet-nakoming daarvan staat in zoverre in verband met de betalingsverplichting van gedaagde dat niet-nakoming haar onder omstandigheden recht kan geven op schadevergoeding, die in verrekening kan worden gebracht, en/of op ontbinding van de overeenkomst. Pas door bedoelde verrekening of door ontbinding zou gedaagde van haar verplichting tot betaling van de overeengekomen vergoeding kunnen worden bevrijd. Daarvan is in dit geval evenwel niet gebleken.

3.8. Voor het geval gedaagde heeft beoogd aan te voeren dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn indien eiseres zich bij gebreke van enige relevante inspanning kan beroepen op de betalingsplicht van gedaagde, wordt het volgende overwogen.

3.8.1. Voor zover aangenomen zou moeten worden dat er niet of nauwelijks sprake is geweest van inspanningen van eiseres omdat het onderhavige windenergieproject in de periode waarop de Samenwerkingsovereenkomst betrekking had niet of nauwelijks tot door eiseres te verrichten werkzaamheden noopte, kan slechts worden vastgesteld dat eiseres in zoverre een lucratief contract heeft gesloten met (de rechtsvoorganger van) gedaagde. Tot ontslag van een betalingsverplichting leidt dit evenwel niet.

3.8.2. De (vergelijking met de) regeling voor de verschuldigdheid van loon bij de bemiddelingsovereenkomst (artikel 7: 426 BW) en van provisie bij de agentuurovereenkomst (artikel 7: 431 BW) leidt niet tot een ander oordeel. Deze bepalingen leggen een relatie tussen "toedoen" en het recht op loon, maar zien op genoemde specifieke vormen van de overeenkomst van opdracht zodat aan deze bepalingen niet een algemeen geldend karakter voor opdrachten en/of samenwerkingsovereenkomsten kan worden gegeven. Voorts zijn (de leden 1 van) genoemde bepalingen van regelend recht en kunnen partijen derhalve een afwijkende regeling treffen voor de verschuldigdheid van loon. Bovendien is niet in discussie dat eiseres in elk geval in enige mate werkzaamheden / inspanningen heeft verricht voor het onderhavige project in de periode van medio 2002 tot in elk geval medio 2003 (vergelijk conclusie van antwoord onder 2.3.1 en dupliek onder 2.4.1).

De vraag in hoeverre deze werkzaamheden daadwerkelijk hebben bijdragen aan het uiteindelijke resultaat, de (start van de) bouw van de windturbines, dient in het midden te blijven. De Samenwerkingsovereenkomst bevat geen aanknopingspunten voor de conclusie dat met het oog op de aan eiseres toekomende vergoeding een toetsing is beoogd van de effectiviteit van de inspanningen, noch zijn daartoe anderszins voldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld of gebleken. In het bijzonder biedt ook artikel 6 van de Samenwerkingsovereenkomst bedoeld aanknopingspunt niet. Deze bepaling gaat in de eerste plaats over de kosten van het project, in de tweede plaats over een periodieke evaluatie van "de projectontwikkeling, de gemaakte vorderingen en de effectiviteit van de inspanningen". Deze regeling is te algemeen om hieraan conclusies te verbinden voor de op basis van artikel 7 te bepalen vergoeding voor eiseres. Wel heeft de contractuele regeling van periodieke evaluaties gedaagde uitdrukkelijk de mogelijkheid gegeven tussentijds aan de bel te trekken bij ontevredenheid over de bijdrage van eiseres aan de samenwerking.

3.8.3. Voor zover aangenomen zou moeten worden dat bepaalde inspanningen mochten worden verlangd van eiseres en deze hierin tekortschoot, heeft het op de weg gelegen van gedaagde hiertegen tijdig te protesteren. Niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist is dat eiseres in elk geval tot begin 2004 geen klachten als hier bedoeld heeft ontvangen. Nadien is discussie tussen partijen ontstaan, waarbij eiseres zich beschikbaar heeft gesteld voor het verrichten van nader door gedaagden te bepalen werkzaamheden. Gedaagde heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het initiatief van eiseres diende te komen. Hierop zien de gestelde schriftelijke verzoeken van gedaagde aan eiseres om zich in te spannen. Partijen zijn vervolgens niet tot een oplossing gekomen.

Gesteld noch gebleken is dat gedaagde in deze situatie voldoende concrete aanwijzingen heeft gegeven ter invulling van de inspanning van eiseres, hetgeen van gedaagde in deze situatie wel mocht worden verwacht. Gedaagde stelt dat zij de veronderstelling had dat eiseres "de lead" zou nemen in de uitvoeringsfase van het project en zich zelfstandig en pro-actief zou inzetten voor de ontwikkeling en uitvoering van het project. Bij gebreke van enige concrete uitwerking in de Samenwerkingsovereenkomst van de door eiseres te verrichten werkzaamheden, heeft het evenwel op de weg van gedaagde gelegen haar verwachtingen concreter te maken dan zij heeft gedaan en kan zij thans eiseres niet tegenwerpen dat zij onvoldoende actief is geweest.

De omstandigheid dat (een deel van) de uitvoeringsfase en/of het ruimtelijke ordeningstraject zou vallen in de periode na afloop van de looptijd van drie jaar van de Samenwerkingsovereenkomst, alsmede de (door eiseres gestelde) omstandigheid dat de subsidie voor windenergieprojecten van overheidswege is stopgezet, zijn factoren die in dit kader niet voor risico van eiseres komen.

In deze situatie kan er derhalve geen sprake van zijn dat eiseres in redelijkheid geen aanspraak zou kunnen maken op uitbetaling van de overeengekomen vergoeding.

3.9. De conclusie uit het voorgaande is dat de vordering tot uitbetaling van de contractuele vergoeding toewijsbaar is. Voor wat betreft de hoogte ervan is niet in discussie dat deze moet worden vastgesteld op 2% van de feitelijke stichtingskosten. In de Projectovereenkomst voor het windenergieprogramma in de gemeente Halderberge is bepaald dat de feitelijke stichtingskosten zullen worden vastgesteld bij de start van de bouw, alsmede dat na akkoordbevinding door beide partijen de vergoeding aan eiseres definitief zal worden vastgesteld. Gedaagde is de partij bij de Samenwerkingsovereenkomst die de beschikking heeft over de gegevens op basis waarvan de feitelijke stichtingskosten kunnen worden vastgesteld. Het is dan ook gedaagde die gehouden is deze gegevens ter beschikking te stellen zodat de hoogte van de te betalen vergoeding kan worden vastgesteld. Het komt de rechtbank efficiënt voor hiertoe een comparitie van partijen te gelasten en gedaagde te bevelen bedoelde gegevens tijdig voorafgaand aan de comparitie toe te zenden aan eiseres en aan de comparitierechter. Het verdient de voorkeur dat partijen in onderling overleg zullen treden, voorafgaand aan de comparitie, ter bepaling van de hoogte van de feitelijke stichtingskosten, en de comparitierechter omtrent het resultaat hiervan schriftelijk informeren.

Voor het geval partijen hier niet onderling uitkomen en/of om een andere reden niet reeds ter comparitie de hoogte van de feitelijke stichtingskosten kan worden vastgesteld, overweegt de rechtbank volledigheidshalve dat een voorschot zoals door eiseres gevorderd toewijsbaar is.

3.10. Iedere verdere beslissing wordt thans aangehouden.

4. De beslissing

De rechtbank

beveelt partijen te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank, voor de rechter mr. R.J.A.M. Cooijmans, op donderdag 21 januari 2010 van 9.00 tot 10.30 uur om een schikking te beproeven en inlichtingen te verstrekken;

beveelt gedaagde de hiervoor bedoelde stukken in het geding te brengen op basis waarvan de feitelijke stichtingskosten ter zake van het windenergieproject in de gemeente Halderberge dienen te worden vastgesteld;

beveelt dat partijen nieuwe stukken uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - en aan de wederpartij zullen toezenden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans.

Uitgesproken in het openbaar.

[1694 / 1980]