Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BM9792

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
276420 / HA ZA 07-135
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BU1981, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

uitleg acceptatie-eis in polisvoorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 276420 / HA ZA 07-135

Uitspraak: 16 december 2009

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BASTINI B.V.,

gevestigd te Lelystad,

eiseres,

advocaat mr. A.J. van Steenderen,

- tegen -

de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

advocaat mr. W.J. Hengeveld.

Partijen worden hierna aangeduid als “Bastini” respectievelijk “Achmea”.

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 21 december 2006 en de door Bastini overgelegde producties;

- conclusie van antwoord;

- conclusie van repliek, tevens akte houdende wijziging van eis, met producties;

- conclusie van dupliek, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 16 april 2008, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 23 juni 2008;

- de met het oog op de comparitie door beide partijen op voorhand toegezonden producties;

- conclusie na enquête aan de zijde van Bastini, met producties;

- conclusie na getuigenverhoor aan de zijde van Achmea, met producties;

- de met het oog op de pleidooien door beide partijen op voorhand toegezonden producties;

- pleitnotities, tevens akte vermindering en vermeerdering van eis, aan de zijde van Bastini;

- pleitnotities aan de zijde van Achmea.

1.2 Partijen zijn overeengekomen in het kader van de Regeling inzake Kantoorverklaringen getuigen te horen onder leiding van mr. J.G. de Vries Robbé (hierna: de RIK-procedure). In totaal zijn in de periode van 19 november 2008 tot en met 30 januari 2009 21 getuigen gehoord.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1 Bastini exploiteert sinds 1993 een onderneming die zich toelegt op de productie van zoutjes, popcorn en soortgelijke producten, welke zij afzet in binnen- en buitenland. In het bedrijf zijn op grote schaal brandbare productbestanddelen, waaronder oliën en vetten, alsmede halffabricaten, eindproducten, verpakkingsmaterialen, zoals karton en dergelijke, aanwezig.

2.2 Het bedrijfspand van Bastini is gevestigd aan de Vaartweg 158 te Lelystad (hierna: het bedrijfspand).

2.3 Op 5 november 2003 heeft Bastini een offerteaanvraagformulier voor een uitgebreide brandbedrijfsschadeverzekering aan Achmea gezonden.

2.4 In het kader van deze aanvraag is een inspectie verricht door de risico-adviseur [X] (hierna: [X]) in dienst van Achmea, die op 11 februari 2004 zijn rapport heeft opgesteld en uitgebracht. In dit rapport staat – voor zover thans van belang – het volgende vermeld:

“(…)

Na een bedrijfsbezoek met interviews en een rondgang langs de meest prominente bedrijfsprocessen is deze rapportage met aanbevelingen opgesteld.

(…)

1.3 Bijzondere processen

(…)

Acculaders

In het expeditiemagazijn staan acculaders vrij van opslag opgesteld tegen de buitengevel. De ventilatie ter plaatse is afdoende. Op een enkele plaats in het bedrijf is een enkel opgestelde acculader aangetroffen. Deze dienen uit oogpunt van brandveiligheid eveneens centraal opgesteld te zijn.

(…)

2.5.1 Noodzakelijke maatregelen, uitvoering binnen 3 maanden

(…)

2. Acculaadinrichting

Alle acculaders voor heftrucks etc. dienen bij voorkeur geconcentreerd te zijn in het daarvoor bestemde gebied in de expeditie. Acculaders dienen vrij van opslag te zijn opgesteld in een goed geventileerde omgeving.

(…)”.

Bastini duidt de verschillende ruimtes in haar bedrijfspand aan met nummers. [X] doelt met de termen “expeditiemagazijn” en “expeditie” op ruimte 122 in het bedrijfspand. Deze ruimte wordt door Bastini ook aangeduid als magazijn voor gereed product.

2.6 Achmea heeft op 5 maart 2004 dit inspectierapport van [X] tezamen met een offerte d.d. 27 februari 2004 aan Bastini gezonden. In deze offerte staan de acceptatie-eisen vermeld, zoals deze uiteindelijk in de polis zijn opgenomen. Bastini heeft op 28 mei 2004 een akkoordverklaring getekend, waarmee zij zich akkoord heeft verklaard met de condities zoals vermeld in genoemde offerte.

2.7 Tussen partijen is vervolgens een verzekeringsovereenkomst tot stand gekomen. Het betreft een zogenaamde industrieverzekering met polisnummer 0289290, ingaande 23 juni 2004 (hierna: de polis). In het bijbehorende polisblad, dat is afgegeven op 15 juni 2004, wordt vermeld dat de verzekering wordt aangegaan voor de duur van 12 maanden tot 23 juni 2005, met stilzwijgende verlenging telkens voor 12 maanden. Op 2 maart 2006 is polisblad 2 afgegeven en op 25 april 2006 is polisblad 3 afgegeven, met als ingangsdatum 23 juni 2004 en als einddatum 23 juni 2006. Dit laatste polisblad is vervangen door polisblad 4 d.d. 29 april 2006. Blijkens dit polisblad 4 is de verzekering laatstelijk verlengd tot 23 juni 2007.

De verzekerde bedragen belopen in totaal € 35.113.283,-.

2.8 Op de polis zijn – onder meer – van toepassing de algemene voorwaarden, Modelnummer ZAV 03a (hierna: ZAV 03a) en de Productvoorwaarden Bedrijfsmiddelen Brand Brand-/Bedrijfsschadeverzekering, Modelnummer BBB 03 (hierna: BBB 03).

Artikel 5.3 van de BBB 03 luidt – voor zover thans van belang – als volgt:

“(…)

De verschuldigde schadevergoeding wordt door de maatschappij voldaan binnen 4 weken na ontvangst van alle noodzakelijke gegevens door de maatschappij. Eerder dan na afloop van genoemde termijn is de vordering niet opeisbaar en kan geen nakoming worden gevorderd, tenzij als resultaat van onderling overleg de schadevergoeding direct wordt uitgekeerd.”

2.9 In de polis staat – voor zover thans van belang – het volgende vermeld:

“(…)

ACCEPTATIE-EISEN:

Door de maatschappij is op 21 januari 2004 een inspectie verricht.

Als voorwaarde voor definitieve acceptatie is uitvoering c.q. realisatie van de volgende maatregelen voor 21 juni 2004 noodzakelijk:

(…)

* alle acculaders voor de heftrucks etc. dienen aanwezig te zijn in het daarvoor bestemde gebied in de expeditie. De acculaders dienen vrij van opslag te zijn opgesteld in een goed geventileerde omgeving.

(…)

AKKOORDVERKLARING:

Door ondertekening van de akkoordverklaring d.d. 28 mei 2004 is verzekerde akkoord gegaan met de in deze polis gestelde acceptatie-eisen.

ACCEPTATIE-EISEN:

Indien verzekerde niet voldoet aan de hierboven omschreven acceptatie-eisen bestaat er geen dekking voor schaden door of in verband met deze eisen, tenzij verzekerde aannemelijk maakt dat de schade of een deel daarvan niet het gevolg is van of ontstaan is door het niet-nakomen van deze eisen.

(…)”.

2.10 Op 12 mei 2006 heeft een grote brand gewoed in het bedrijfspand. Deze brand heeft grote schade aangericht aan het bedrijfspand, de bedrijfsuitrusting, de inventaris en de goederen. De brand is ontstaan in ruimte 114 van het bedrijfspand.

Ruimte 114 wordt door Bastini ook aangeduid als grondstoffenmagazijn/opslag. Deze ruimte is aan de straatzijde voorzien van twee grote roldeuren. Tussen deze roldeuren, tegen de buitengevel, bevindt zich aan de binnenzijde een acculaadstation. In dit station waren ten

tijde van de brand acculaders aanwezig. Dit acculaadstation was vergelijkbaar met het acculaadstation in ruimte 122.

2.11 Achmea heeft schade-expert Crawford & Company B.V. (hierna: Crawford) ingeschakeld ter vaststelling van de schadehoogte en Bastini heeft met dit doel als contra-expert Troostwijk Expertises B.V. (hierna: Troostwijk) ingeschakeld.

2.12 Troostwijk en Crawford hebben de door Bastini geleden schade ten gevolge van de brand voor wat betreft de inventaris en goederen vastgesteld bij akte van taxatie d.d. 26 oktober 2006. In deze akte staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Soort zaak: Inventaris Goederen

Waarde vóór het evenement EUR 12.990.106,00 EUR 1.022.273,00

Waarde na het evenement EUR 850.478,00 EUR 224.462,00

Verschil/schade EUR 12.139.628,00 EUR 797.811,00

(…)

Bereddingskosten EUR 63.775,00

(…)”.

Schade aan het bedrijfspand is niet onder de polis verzekerd.

2.13 Bij brief van 29 mei 2006 heeft Achmea aan Bastini medegedeeld niet bereid te zijn dekking onder de polis te verlenen.

2.14 Bij kort gedingvonnis d.d. 18 juli 2006 is Achmea veroordeeld om aan Bastini een voorschot onder algemene titel op de schadevergoeding onder de polis te betalen groot € 4.100.000,-. Achmea heeft dit bedrag op 28 juli 2006 betaald.

2.15 Bij kort gedingvonnis d.d. 2 april 2007 is Achmea veroordeeld om aan Bastini een tweede voorschot onder algemene titel op de schadevergoeding onder de polis te betalen groot € 6.918.000,- onder de voorwaarde dat de moedermaatschappij van Bastini een deugdelijke concerngarantie zou afgeven. Op 15 juni 2007 heeft de Deutsche bank ten behoeve van Bastini een (contra)garantie gesteld. Achmea heeft vervolgens het tweede voorschot op 26 juni 2007 betaald.

2.16 De bedrijfsschade is bij (ongedateerde) akte van taxatie door de experts definitief vastgesteld op € 9.750.000,-.

3 Het geschil

De gewijzigde vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. Achmea te veroordelen aan Bastini te betalen € 22.751.214,- , onder aftrek van de reeds betaalde voorschotten van in totaal € 11.018.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;

2. te verklaren voor recht dat Bastini niet gehouden kan worden voormelde voorschotten aan Achmea terug te betalen;

3. te bepalen en zonodig Achmea te bevelen de op 15 juni 2007 ten behoeve van Bastini door de Deutsche bank gestelde (contra)garantie aan Bastini, althans aan de garant, terug te geven, zonodig op straffe van een dwangsom;

4. Achmea te veroordelen aan Bastini te betalen de buitengerechtelijke kosten ad € 130.513,61 excl. BTW, subsidiair ad € 6.422,-;

5. Achmea te veroordelen in de proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Bastini aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 De hiervoor onder 2.10 vermelde brand is een verzekerd evenement onder de polis, zodat Achmea gehouden is ter zake de door Bastini als gevolg van de brand geleden schade aan inventaris en goederen, aan bedrijfsschade en aan gemaakte bereddingskosten van in totaal een bedrag ad € 22.751,214,- uit te keren.

3.2 Gezien artikel 5.3 van de BBB 03 is Achmea wettelijke rente verschuldigd vanaf 4 weken na 29 mei 2006 (de datum van de hiervoor onder 2.13 vermelde afwijzingsbrief), zijnde 26 juni 2006.

3.3 Achmea is voorts gehouden de door Bastini gemaakte buitengerechtelijke kosten te vergoeden. Zij heeft kosten gemaakt voor juridische bijstand voor een totaalbedrag ad € 83.956,61. Daarnaast heeft Bastini kosten gemaakt ter zake door haar ingeschakelde deskundigen voor een totaalbedrag ad € 46.557,-. Deze bedragen zijn exclusief BTW.

Het verweer van Achmea strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Bastini in de kosten van het geding. Op het door Achmea gevoerde verweer zal in het kader van de beoordeling – voor zover nodig – worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1 Bastini heeft haar eis twee maal gewijzigd. Achmea heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. De rechtbank acht de eiswijzigingen niet in strijd met de eisen van een goede procesorde en zal mitsdien recht doen op de eis, zoals deze na de laatste wijziging is komen te luiden.

4.2 Achmea heeft aangevoerd dat zij niet gehouden is tot uitkering over te gaan, omdat Bastini niet aan de hiervoor onder 2.9 vermelde acceptatie-eis heeft voldaan. Vast staat immers dat zich behalve in ruimte 122 (de expeditie) ook in ruimte 114 een acculaadstation bevond. De acceptatie-eis is eenduidig en niet voor meerdere uitleg vatbaar waar het de plaats betreft waar accu’s mogen worden geladen. Dit mag alleen in de expeditieruimte 122 op de daarvoor bestemde plaats, aldus Achmea. [X] heeft in zijn rapport het woord “expeditie” consequent en exclusief voor ruimte 122 gebruikt. Het was voor Achmea van belang dat het acculaadstation zo ver mogelijk van de productiemiddelen zou liggen ter beperking van het risico van bedrijfsschade, aldus nog steeds Achmea.

Bastini heeft gesteld dat zij de acceptatie-eis zo mocht uitleggen dat zij ook in andere ruimtes dan ruimte 122 – en dus ook in ruimte 114 – een acculaadstation mocht inrichten, mits de acculaders maar centraal, vrij van opslag en goed geventileerd werden opgesteld. De acceptatie-eis is onmiskenbaar het resultaat van en hangt samen met de inspectie, waardoor Bastini de voorwaarde mede heeft uitgelegd en mocht uitleggen aan de hand van het inspectierapport. Indien Achmea had willen afwijken van de door [X] opgestelde rapportage en de door hem aanbevolen voorwaarde bewust wilde verscherpen, had het op de weg van Achmea gelegen om Bastini erop te attenderen dat de in de offerte opgenomen voorwaarde afweek van de door [X] voorgestelde voorwaarde.

4.3 De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de bewuste acceptatie-eis een garantieclausule vormt, zodat bij niet-naleving van deze eis er geen dekking onder de polis bestaat. Partijen twisten echter over de uitleg van deze acceptatie-eis.

Bij de vaststelling van de wederzijdse rechten en plichten die voortvloeien uit een beding in een schriftelijke overeenkomst komt het aan op hetgeen partijen met dat beding hebben beoogd en, indien niet van een gemeenschappelijke bedoeling blijkt, wat een redelijke uitleg van het beding meebrengt. Daarbij moet worden gelet op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de beantwoording van de vraag welke zin partijen over en weer redelijkerwijs aan een beding mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Ook de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin het beding is gesteld in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, is bij de uitleg van dat beding van belang.

4.4 Achmea heeft gesteld dat de bewoordingen van de acceptatie-eis duidelijk zijn en – naar de rechtbank begrijpt – mitsdien geen ruimte voor uitleg laten. Bastini heeft hier onder meer tegen aangevoerd dat de term “expeditie” vermeld in de acceptatie-eis voor meerdere uitleg vatbaar is, omdat deze term binnen Bastini niet voor ruimte 122 werd gebruikt. Met de term expeditie zou ook gedoeld kunnen worden op ruimte 114, aldus Bastini. De rechtbank gaat aan deze stelling van Bastini voorbij. Ook al zou het juist zijn dat binnen Bastini de term “expeditie” niet (of niet alleen) werd gebruikt voor ruimte 122 – hetgeen door Achmea is betwist – dan brengt dit enkele feit nog niet mee dat het Bastini niet duidelijk was of had moeten zijn dat met de term “expeditie” in de acceptatie-eis werd gedoeld op ruimte 122. Bastini heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen ook aangegeven dat zij destijds begrepen heeft dat met de term “expeditie” in het inspectierapport en in de polis gedoeld werd op ruimte 122. De rechtbank stelt mitsdien vast dat de bewoordingen van de bewuste acceptatie-eis helder zijn en voorschrijven dat acculaders alleen in ruimte 122 opgesteld mogen worden.

4.5 Zoals echter uit hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen volgt, kan de vraag wat de wederzijdse rechten en plichten inhouden niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van het ter discussie staande beding in de schriftelijke overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers (tevens) aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De volgende omstandigheden en overwegingen acht de rechtbank in dit verband van belang.

a) De rechtbank stelt voorop dat, nu de bewuste acceptatie-eis is opgesteld naar aanleiding van de inspectie door [X] en het hiervan opgemaakte inspectierapport, deze eis in het licht van deze inspectie en dit rapport bezien dient te worden.

b) Bastini heeft gesteld dat er tijdens de inspectie slechts is gewezen op losliggende acculaders, waardoor er bij haar de indruk is ontstaan dat het belang van een centraal geplaatst acculaadstation slechts daarin gelegen was dat er geen losliggende acculaders in het bedrijfspand aanwezig waren. [X] heeft in de RIK-procedure op 19 november 2008 hieromtrent het volgende verklaard: “Voor mij was belangrijk hoe de vorkheftrucks e.d. werden opgeladen, het is mij opgevallen dat er in 122 een centrale acculaadplaats was maar dat er in de ruimten 123 en 114 ook losse acculaders waren geplaatst, ik vond dat deze te dicht bij de opslag van producten stonden.” In het inspectierapport wordt hieromtrent vermeld: “Op een enkele plaats in het bedrijf is een enkel opgestelde acculader aangetroffen. Deze dienen uit oogpunt van brandveiligheid eveneens centraal opgesteld te zijn.” Ter illustratie is een foto opgenomen van een los opgestelde acculader tussen opslag van goederen. Vervolgens staat in dit rapport als één van de noodzakelijke maatregelen die binnen 3 maanden dient te worden uitgevoerd dat alle acculaders voor heftrucks etcetera bij voorkeur geconcentreerd dienen te zijn in het daarvoor bestemde gebied in de expeditie (onderstreping rechtbank).

c) Zoals hiervoor onder 2.6 is vermeld, staat vast dat Bastini dit inspectierapport tegelijkertijd heeft ontvangen met de offerte waarin de acceptatie-eisen stonden vermeld. De heer ’t Lam, statutair directeur van Bastini, heeft hieromtrent in de RIK-procedure op 24 november 2008 het volgende verklaard: “De risicorapportage (…) hebben wij op 27 februari 2004 ontvangen tegelijk met de offerte. Die rapportage heb ik op de agenda van het managementteamoverleg gezet. Daar is die rapportage ook besproken. Ik heb de heer [B] opdracht gegeven die punten uit te voeren die nodig waren. Hij heeft inderdaad de verschillende maatregelen genoemd in het rapport uitgevoerd binnen de daarin gestelde termijn van 3 maanden (…)”. Hieruit blijkt dat de focus van Bastini gericht is geweest op het inspectierapport en niet zozeer op de acceptatie-eisen in de offerte. Bastini heeft dit ter gelegenheid van de pleidooien ook verklaard.

d) Vast staat dat de ten processe bedoelde acceptatie-eis in de polis anders is komen te luiden dan de passage in het inspectierapport waarop deze is gebaseerd. In de acceptatie-eis zijn de woorden “bij voorkeur” vervallen. [Y], werkzaam als acceptant bij Achmea en degene die de acceptatie-eis heeft opgesteld, heeft in de RIK-procedure op 19 november 2008 het volgende verklaard: “Als acceptant volg ik in de regel het advies van de risicoadviseur maar het is mijn verantwoordelijkheid om de voorwaarden van de polis vast te stellen. (…) Mr D vraagt mij naar de woorden “bij voorkeur” (...) Ik antwoord dat ik die twee woorden te vrijblijvend vond en ik er daarom een acceptatievoorwaarde van heb gemaakt. De centrale plaats voor de acculaders zou zo ver mogelijk van de productie moeten liggen ter beperking van het risico van bedrijfsschade. Ik heb daarover gebeld met [X] en uitgelegd dat ik de woorden “bij voorkeur” zou schrappen. Wij hebben alle twee echter vergeten om het risicorapport aan die wijziging aan te passen.”

e) De rechtbank is van oordeel dat tijdens de inspectie bij Bastini op begrijpelijke gronden de indruk is ontstaan dat het belang van een centraal gelegen acculaadstation slechts daarin gelegen was dat er geen losliggende acculaders in het bedrijfspand aanwezig waren. Gesteld noch gebleken is dat tijdens de inspectie is aangegeven dat het voor Achmea tevens van belang was dat het acculaadstation zo ver mogelijk van de productiemiddelen zou liggen. Dit staat ook niet in het inspectierapport vermeld, waardoor het inspectierapport de tijdens de inspectie bij Bastini ontstane indruk ook niet wegnam. Althans Bastini behoefde door het inspectierapport niet gealarmeerd te zijn dat zij wellicht een verkeerde indruk had gekregen.

f) Daarbij komt dat het voor Bastini praktisch niet uitvoerbaar was om alleen een acculaadstation in ruimte 122 te hebben. Niet dan wel onvoldoende betwist, is haar stelling dat de vorkheftrucks in (de nabijheid van) ruimte 114 niet binnendoor naar ruimte 122 gereden konden worden. Voorts is voldoende komen vast te staan dat als de vorkheftrucks uit hygiënisch oogpunt al niet buitenom naar ruimte 122 gereden konden worden, dit in ieder geval op zijn minst erg bezwaarlijk was. Ten tijde van de inspectie was er ook om deze reden een tweede laadstation in de nabijheid van ruimte 114 waar de accu’s van de hierbedoelde vorkheftrucks werden opgeladen. De inspectie door [X] was erop gericht om de situatie van de gehele fabriek in kaart te brengen. Bastini mocht er mitsdien van uitgaan dat [X] beide acculaadstations had opgemerkt en voorts de noodzaak begreep van het acculaadstation in de nabijheid van ruimte 114. Indien dit niet het geval is geweest, dient dit voor risico van Achmea te komen. [X] was immers de namens Achmea ingeschakelde deskundige die de risico’s diende te inventariseren en kennelijk van oordeel was dat acculaders een risico vormden. Hij had er mitsdien voor moeten zorgen dat hij een zo compleet mogelijk beeld had van de wijze waarop de accu’s door Bastini gebruikt en opgeladen werden en van de consequenties voor Bastini van de door hem te stellen eisen in het kader van haar bedrijfsvoering.

g) De rechtbank is van oordeel dat onder voormelde omstandigheden van Achmea verwacht had mogen worden dat zij na ontvangst door Bastini van het inspectierapport en de offerte met daarin vermeld de acceptatie-eisen expliciet onderhavige eis met Bastini zou bespreken, hierbij zou wijzen op het feit dat deze eis afweek van hetgeen op dit punt in het inspectierapport was opgenomen en tevens daarbij het belang voor Achmea van deze eis zou aangeven teneinde elk misverstand te voorkomen. Zoals reeds vermeld heeft zij dit niet gedaan. Weliswaar zijn na het verzenden van de offerte de acceptatie-eisen nog uitgebreid besproken, doch tussen partijen is niet in geschil dat daarbij onderhavige acceptatie-eis niet ter sprake is gekomen. Onder voormelde omstandigheden behoefde van Bastini niet verwacht te worden dat zij uit zichzelf opheldering omtrent de bewuste acceptatie-eis zou vragen.

4.6 Op grond van de hiervoor vermelde omstandigheden en overwegingen is de rechtbank van oordeel dat Bastini, ondanks de op zichzelf heldere bewoordingen van onderhavige acceptatie-eis, deze eis in redelijkheid heeft kunnen uitleggen op de wijze zoals zij heeft gedaan, te weten dat zij ook in andere ruimtes dan in ruimte 122 – en dus ook in ruimte 114 – een acculaadstation mocht inrichten, mits de acculaders maar centraal, vrij van opslag en goed geventileerd werden opgesteld. Gesteld noch gebleken is dat zij hieraan niet heeft voldaan.

Achmea heeft weliswaar in eerste instantie nog aangevoerd dat de acculaders niet vrij van opslag waren opgesteld, doch ter gelegenheid van de pleidooien heeft zij aangegeven dat zij dit verweer niet langer handhaaft, zodat haar stellingen op dit punt geen bespreking behoeven.

4.7 Nu uit het voorgaande volgt dat Bastini aan de acceptatie-eis heeft voldaan en voorts tussen partijen niet in geschil is dat er sprake is van een verzekerd evenement onder de polis, dient Achmea tot uitkering onder de polis over te gaan. De rechtbank overweegt omtrent de hoogte van deze uitkering als volgt.

4.8 Bastini heeft gesteld dat er sprake was van onderverzekering en dat daarom de uitkering voor wat betreft de inventaris en goederen vastgesteld dient te worden op € 11.773.069,-. Zij neemt daarbij tot uitgangspunt dat de verzekerde som van de inventaris en goederen in totaal € 12.735.591,- bedroeg en dat uit de hiervoor onder 2.12 vermelde akte van taxatie blijkt dat de werkelijke waarde € 14.012.379,- en de schade € 12.937.439,- bedragen. Achmea heeft in haar conclusie van dupliek deze bedragen erkend. Zij heeft echter gesteld dat het pand Swifterband in de polis vermeld sub 110-02 bij de onderverzekering niet mag worden meegerekend, waardoor zij uitkomt op een schadevergoeding ter zake de inventaris en goederen van in totaal € 11.669.140,10. Nu het partijdebat nog niet op de exacte hoogte van de schadevergoeding gericht is geweest, zal de rechtbank Achmea in de gelegenheid stellen deze stelling nader uit te leggen en met bescheiden te onderbouwen. De zaak zal daarom naar de rol worden verwezen voor een conclusie aan de zijde van Achmea, waarna Bastini bij antwoordconclusie zal kunnen reageren.

4.9 Tussen partijen is niet in geschil dat de schadevergoeding ter zake de bereddingskosten gesteld dient te worden op een bedrag ad € 63.775,- en ter zake de bedrijfsschade op een bedrag ad € 9.750.000,-. De rechtbank merkt hierbij op dat indien zij uitgaat van de door Bastini genoemde cijfers zij op een totaalbedrag ad € 21.586.844 uitkomt en niet op het door Bastini gevorderde bedrag ad € 22.751.214. Vermoedelijk is Bastini bij haar berekening per abuis ter zake de inventaris en goederen uitgegaan van het schadebedrag ad € 12.937.439, waarbij zij geen rekening meer heeft gehouden met de onderverzekering. Bastini wordt in de gelegenheid gesteld hieromtrent in haar antwoordconclusie opheldering te verschaffen. Indien Bastini in deze conclusie met nieuwe gezichtspunten komt, zal Achmea hierop nog mogen reageren.

4.10 Bastini vordert primair wettelijke rente vanaf 26 juni 2006 over het gehele schadebedrag. Zij baseert dit op artikel 5.3 BBB 03 en heeft gesteld dat Achmea op 29 mei 2006 kennelijk over alle noodzakelijke gegevens beschikte, nu zij op die datum dekking onder de polis heeft afgewezen. Achmea heeft hiertegen aangevoerd dat voor wat betreft de wettelijke rente over de inventaris- en goederenschade en bereddingskosten uitgegaan dient te worden van het moment waarop zij in bezit is gekomen van de hiervoor onder 2.12 vermelde akte van taxatie, zijnde eind oktober 2006/begin november 2006. De wettelijke rente over de bedrijfsschade is pas gaan lopen vanaf 12 april 2008, aldus Achmea, nu zij de onder 2.16 vermelde akte van taxatie pas op 14 maart 2008 heeft ontvangen.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 5.3 BBB 03 helder is geformuleerd. De verschuldigde schadevergoeding dient te worden voldaan binnen 4 weken na ontvangst van alle noodzakelijke gegevens door de maatschappij en is voordien niet opeisbaar. Teneinde de hoogte van de schadevergoeding te kunnen vaststellen, is de akte van taxatie noodzakelijk. Achmea was derhalve niet gehouden om eerder dan 4 weken na ontvangst van de betreffende aktes van taxatie tot uitkering over te gaan. Dit betekent dat de wettelijke rente over de schadevergoeding ter zake de inventaris, goederen en bereddingskosten pas is gaan lopen vanaf 1 december 2006 en over de vergoeding ter zake de bedrijfsschade pas vanaf 12 april 2008.

4.11 Bastini heeft voorts een vergoeding gevorderd van de kosten die zij heeft gemaakt met betrekking tot juridische bijstand, zijnde een bedrag ad € 83.956,61 exclusief BTW. Achmea heeft gesteld dat de kosten die Bastini ter zake heeft gemaakt vallen onder de proceskosten en mitsdien niet voor vergoeding in aanmerking komen. In reactie hierop heeft Bastini slechts gesteld dat haar raadslieden een uitgebreid onderzoek hebben verricht naar de toedracht van de brand, alsmede de vraag of Achmea gehouden kon worden tot uitkering van de door Bastini geleden schade. Ter onderbouwing van haar stelling heeft Bastini geen stukken, zoals bijvoorbeeld een specificatie van deze kosten, overgelegd. De rechtbank acht ook niet aannemelijk dat Bastini ter zake kosten heeft gemaakt voor verrichtingen die niet onder proceskostenveroordeling vallen, nu de brand op 12 mei 2006 heeft gewoed en Achmea reeds op 18 juli 2006 is veroordeeld om aan Bastini ter zake een voorschot te voldoen. Het had mitsdien op de weg van Bastini gelegen haar stelling nader te onderbouwen met feiten en omstandigheden dan wel stukken. Zij heeft dit echter niet gedaan, zodat de rechtbank aan haar stelling voorbij gaat. Dit onderdeel van de vordering ligt mitsdien voor afwijzing gereed.

4.12 Bastini heeft voorts een vergoeding gevorderd van de door haar gemaakte kosten ter zake de door haar ingeschakelde deskundigen van in totaal € 46.557,- exclusief BTW. Achmea heeft erkend dat Bastini deze kosten heeft gemaakt. Zij heeft er echter op gewezen dat zij eerst kan beoordelen of zij gehouden is tot vergoeding van dit bedrag over te gaan indien zij bekend is met de totale kosten van de door haar ingeschakelde experts, nu de polisvoorwaarden bepalen dat de door Achmea te vergoeden kosten aan de zijde van Bastini niet meer mogen bedragen dan de totale kosten ter zake aan de zijde van Achmea gemaakt. De polisvoorwaarde waarnaar Achmea verwijst, is echter niet in de procedure overgelegd. De rechtbank zal Achmea in de gelegenheid stellen dit bij voormelde conclusie alsnog te doen, waarbij zij voorts (met bescheiden onderbouwd) kan aangeven hoeveel de totale kosten aan haar zijde zijn geweest. Bastini zal vervolgens bij antwoordconclusie ook hierop mogen reageren.

4.13 Nu de rechtbank in dit vonnis heeft beslist dat Achmea gehouden is om tot uitkering onder de polis over te gaan, er in kort geding reeds aanzienlijke voorschotten zijn toegewezen en de zaak slechts wordt aangehouden in verband met het vaststellen van de exacte hoogte van de vordering van Bastini, ziet de rechtbank aanleiding om tussentijds hoger beroep tegen dit vonnis toe te staan.

4.14 Iedere overige beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 27 januari 2010 voor het nemen van een conclusie aan de zijde van Achmea als hiervoor vermeld onder 4.8 en 4.12, waarna Bastini een antwoordconclusie kan nemen als hiervoor vermeld onder 4.8, 4.9 en 4.12;

bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld en dat daartoe het eindvonnis niet behoeft te worden afgewacht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans, mr. M. Fiege en mr. J.F. Koekebakker.

Uitgesproken in het openbaar.

204/1694/1582