Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BM9314

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
25-06-2010
Zaaknummer
270228 / HA ZA 06-2791
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vrijwaring; artikel 6:14 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 270228 / HA ZA 06-2791

Uitspraak: 16 september 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [eiseres 1],

gevestigd te Rotterdam,

hierna ook aan te duiden als: [eiseres 1],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie (in vrijwaring),

verweerders in voorwaardelijke reconventie (in vrijwaring),

advocaat mr. J. Kneppelhout,

- tegen -

[gedaagde],

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

hierna ook aan te duiden als: [gedaagde],

gedaagde in conventie (in vrijwaring),

eiseres in voorwaardelijke reconventie (in vrijwaring),

advocaat mr. P.H.Ch.M. van Swaaij.

1 Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het tussenvonnis van 4 juni 2008;

- de akte van [gedaagde], met productie;

- de antwoordakte.

2 De verdere beoordeling, in conventie en in voorwaardelijke reconventie

2.1 Bij voormeld tussenvonnis in deze vrijwaring is de zaak verwezen naar de parkeerrol in afwachting van verdere ontwikkelingen in de hoofdzaak. Op verzoek van [gedaagde] is de zaak weer op de gewone rol geplaatst voor het nemen van een akte. [gedaagde] heeft zich bij akte beroepen op een in de hoofdzaak tussen eisers (in de hoofdzaak) en [gedaagde] (medegedaagde in de hoofdzaak) getroffen schikking. Bij antwoordakte hebben [eiseres 1] en [eiser 2] hierop gereageerd.

2.2 Tussen partijen is niet in discussie dat in de hoofdzaak tussen eisers en [gedaagde] een minnelijke regeling is overeengekomen en dat de (hoofd)zaak tegen [gedaagde] is geroyeerd. Evenmin is in geschil dat eisers in de hoofdzaak zich op de voet van artikel 6:14 BW jegens [eiseres 1] en [eiser 2] hebben verbonden hun vordering op hen te verminderen met het (eventuele) bedrag dat deze van [gedaagde] als bijdrage hadden kunnen vorderen op grond van de artikelen 6:10 en 13 BW. Dienovereenkomstig hebben eisers in de hoofdzaak hun vordering gewijzigd.

2.3 Op grond van artikel 6:14 BW, dat niet vereist dat het bedrag van de bijdrage concreet wordt genoemd, is [gedaagde] hierdoor bevrijd van haar (eventuele) bijdrageplicht jegens [eiseres 1] en [eiser 2], de hoofdelijk medeschuldenaren in de visie van eisers in de hoofdzaak. Nu de vordering in conventie (in de vrijwaring) is gegrond op deze bijdrageplicht, is hieraan de grondslag komen te ontvallen. De vordering in conventie dient derhalve te worden afgewezen.

2.4 Ingevolge artikel 237 Rv dienen [eiseres 1] en [eiser 2] in beginsel als in het ongelijk gestelde partijen in de kosten te worden veroordeeld.

Anders dan zij betogen, bestaat geen grond om (op basis van een inhoudelijke afweging) [gedaagde] in de proceskosten te veroordelen. De beslissing in de vrijwaring is niet gebaseerd op een inhoudelijke beoordeling van de rechtsbetrekking tussen partijen maar op de gevolgen van de in de hoofdzaak getroffen regeling. Deze tussen eisers in de hoofdzaak en [gedaagde] getroffen regeling kan, anders dan [eiseres 1] en [eiser 2] aanvoeren, niet op één lijn worden gesteld met betaling van de regresvordering door [gedaagde] aan [eiseres 1] en [eiser 2], reeds nu de regeling geen betrekking heeft op de omvang van de bijdrageplicht en derhalve denkbaar is dat [gedaagde] van mening is dat haar bijdrageplicht nihil is.

Wel ziet de rechtbank aanleiding de in de vrijwaring door [gedaagde] gemaakte kosten als nodeloos veroorzaakt voor haar rekening te laten, nu is gesteld noch gebleken dat de door [gedaagde] in de hoofdzaak getroffen schikking niet reeds voorafgaand aan het instellen van de onderhavige vrijwaring gerealiseerd had kunnen zijn.

Hieruit volgt dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

2.5 Uit de in de hoofdzaak getroffen schikking en het royement jegens [gedaagde] volgt dat [gedaagde] in de hoofdzaak niet meer kan worden veroordeeld, waardoor de voorwaarde voor het instellen van de reconventie (zie het tussenvonnis onder 5) niet meer kan worden vervuld.

Aan een inhoudelijke beoordeling van de in voorwaardelijke reconventie ingestelde regresvordering komt de rechtbank dan ook niet toe, noch aan een proceskostenveroordeling.

[gedaagde] heeft bij akte de voorwaardelijke reconventie "voor zover nodig" nog ingetrokken. Uit het voorgaande volgt dat hieraan geen betekenis toekomt.

3 De beslissing

De rechtbank

wijst de vordering in conventie af;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

stelt vast dat de voorwaarde voor de (voorwaardelijke) reconventie niet kan worden vervuld.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans.

Uitgesproken in het openbaar.

[1694]