Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BM2745

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-10-2009
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
AWB 03/2968 BELEI-T2
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN1145, Bekrachtiging/bevestiging
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP3726, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ESF-subsidie. Subsidie voor project "Scholingsprogramma-Openbaar Lichaam Volwasseneducatie" is op nihil vastgesteld omdat de projectadministratie niet voldeed aan de eisen. Ontbreken urenregistratie. Betrokkenheid Arbeidsvoorziening. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 03/2968 BELEI-T2

Uitspraak in het geding tussen

Openbaar Lichaam Volwasseneneducatie Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, eiser,

gemachtigden mr. E. van Lunteren en drs. E.J. Overgaauw,

en

de minister (thans: de staatssecretaris) van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 25 augustus 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 3 december 2002 (hierna: het primaire besluit) ongegrond verklaard. Bij het primaire besluit is de subsidie die eiser voor de jaren 1996 en 1997 op grond van de Regeling Europees Sociaal Fonds (CBA 1994, Stcrt. 1994, 239, zoals nadien gewijzigd; hierna: ESF-regeling) was verleend voor het project "Scholingsprogramma-Openbaar Lichaam Volwasseneneducatie" (hierna: het project) op nihil vastgesteld. Dit betekent dat een bedrag van fl. 1.954.476,07 aan betaalde voorschotten wordt teruggevorderd.

Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2009, gevoegd met de zaak met registratienummer AWB 02/2862. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Gelauff.

Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank de zaken weer gesplitst.

2 Overwegingen

2.1. Feiten, die als vaststaand moeten worden aangenomen

Eiser heeft bij formulier, gedateerd 9 januari 1996, een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van het Europees Sociaal Fonds (hierna: ESF) voor het project, dat in de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1997 scholing en begeleiding bood aan kansarme allochtonen. Het project hield een individueel begeleidingsplan in, bestaande uit een introductieprogramma (intensieve cursus Nederlands), een trajectplan (bijvoorbeeld een vervolgcursus Nederlands en beroepenoriëntatie) en een beroepsopleiding. Het Regionaal Bureau voor de Arbeidsvoorziening in de regio Rijnmond (RBA) was samen met de bij de regeling Volwasseneneductie Rijnmond aangesloten gemeenten, diverse scholings¬instellingen en allochtonenorganisaties in de regio Rijnmond betrokken bij dit project.

In de aanvraag is eiser vermeld als aanvrager, uitvoerder en begunstigde. Eiser heeft zich als aanvrager ervoor garant gesteld dat een aparte projectadministratie wordt gevoerd waarin alle gegevens zijn te verifiëren die zijn opgenomen in deze aanvraag en de daaruit voortvloeiende rapportage.

Bij besluit van 26 april 1996 is eiser voor het project een subsidie verleend van maximaal

fl. 1.478.250,- voor het jaar 1996 onder de in de bijlage bij dit besluit opgenomen voorwaarde dat de aanvrager een aparte projectadministratie voert waarin alle gegevens zijn te verifiëren die zijn opgenomen in de aanvraag en de rapportageformulieren. De subsidie voor het jaar 1997 zou nog nader worden bepaald.

Bij besluit van 4 april 1997 is eiser voor het project voor het jaar 1997 een subsidie verleend van maximaal fl. 1.478.250,-, onder de voorwaarde dat het project gerealiseerd werd overeenkomstig het in de aanvraag gestelde.

Bij besluit van 8 juli 1998 is de subsidie voor de projectperiode 1 januari 1996 tot en met 31 december 1997 vastgesteld op fl. 2.956.500,-. Daarbij is vermeld dat, aangezien de declaratie nog onderwerp zal uitmaken van controle, de subsidievaststelling een voorwaardelijk karakter heeft en dat hiermee uitdrukkelijk is beoogd dat gebreken en/of onvolledigheden welke mochten blijken bij die controle tot verval van de subsidie¬vaststelling kunnen leiden.

Het Team Interne Controle/Operational Audit van Arbeidsvoorziening Nederland (hierna: Team IC) heeft een controle uitgeoefend op de einddeclaratie van het project en op 7 december 1998 een rapportage uitgebracht. In deze rapportage is geconcludeerd dat de einddeclaratie niet voldoet aan de ESF-regeling omdat kosten zijn opgevoerd die gebaseerd zijn op een samenwerkingsovereenkomst tussen de verschillende partijen en de werkelijke kosten niet in beeld komen. Verder is onder meer het inkomen van de deelnemers niet gerelateerd aan de werkelijke gerealiseerde deelnemersuren, ontbreekt een administratie hiervan en is de financiering niet in overeenstemming met de aanvraag.

Geadviseerd is om de subsidie over de jaren 1996 en 1997 in te trekken en de betaalde voorschotten terug te vorderen.

Op 6 september 2002 heeft het Team IC een 'addendum natraject bij rapportage ESF-onderzoek' uitgebracht. In dit stuk worden de conclusies uit de rapportage van 7 december 1998 herhaald en wordt geadviseerd om de eindbeschikking op nihil vast te stellen.

Eiser heeft in reactie op de rapportage van het Team IC bij brieven van 24 oktober en 31 oktober 2002 laten weten dat het welhaast onmogelijk is om aanvullende gegevens te leveren vanwege de inmiddels verstreken jaren, maar toch na te denken over eventuele herstelacties. Bij brief van 16 november 2002 heeft eiser desgevraagd mededeling gedaan van de herstelmogelijkheden die hij ziet.

Bij het primaire besluit heeft de Manager Operations van het Agentschap SZW namens verweerder de subsidie met inachtneming van artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 14 van de ESF-regeling op nihil vastgesteld. Daarbij wordt een bedrag van fl. 1.954.476,07 van eiser teruggevorderd.

Bij het bestreden besluit heeft de Directeur Agentschap SZW, namens verweerder, onder verbetering van de gronden, het primaire besluit gehandhaafd, gelet op de subsidievoorwaarden en de artikelen 5, 10, 13 en 14 van de ESF-regeling.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van ESF-subsidieregelingen berustte vóór 1 januari 1997 bij het Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening Rijnmond, per die datum bij de Algemene Directie voor de Arbeidsvoorziening (hierna: de Algemene Directie) en is met ingang van 1 januari 2002 overgegaan op de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze bevoegdheid is thans toebedeeld aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

2.2. Standpunten van partijen

Verweerder heeft zich – samengevat weergegeven – bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aanvrager op grond van artikel 10 van de ESF-regeling zorg draagt voor een goede, aparte projectadministratie, bestaande uit een deelnemersadministratie en een financiële administratie, waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, betrouwbaar en volledig zijn vastgelegd en zijn te verifiëren met bewijsstukken. Bij de aanvraag heeft eiser verklaard garant te staan voor een aparte projectadministratie, waarin alle gegevens zijn te verifiëren die zijn opgenomen in de aanvraag en de daaruit voortvloeiende rapportage. Aan de besluiten tot subsidieverlening zijn bovendien voorwaarden verbonden. De projectadministratie voldeed niet aan de daaraan gestelde eisen, onder meer ontbrak een primaire urenregistratie en was het merendeel van de opgevoerde projectkosten niet onderbouwd. Dat heeft bij het primaire besluit geleid tot een wijziging van de subsidievaststelling. Bij de subsidievaststelling van 8 juli 1998 is nadrukkelijk het voorbehoud gemaakt dat de subsidievaststelling zou komen te vervallen indien uit de controle gebreken en/of onvolledigheden mochten blijken. Eiser heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend. Van gewekt vertrouwen dat de uitvoering van het project juist was is volgens verweerder geen sprake.

Eiser heeft zich in zijn aanvullend beroepschrift, voor zover gehandhaafd bij brief van 26 februari 2009 en zoals toegelicht ter zitting, in essentie op het standpunt gesteld dat het project op basis van een samenwerkingsovereenkomst is uitgevoerd door Arbeidsvoorziening en dat hierin onder meer is overeengekomen dat Arbeidsvoorziening de deelnemersadministratie zou leveren. Eiser mocht er op vertrouwen dat het project werd uitgevoerd conform de ESF-regelgeving, juist omdat Arbeidsvoorziening zowel de subsidie verleende als het project uitvoerde waardoor hij niet meer dan een subsidievehikel was. Daarbij zijn destijds nooit gebreken geconstateerd. Dat hij zich garant heeft gesteld is volgens eiser onvoldoende grond voor het op nihil vaststellen van de subsidie.

Voorts heeft eiser eerst ter zitting naar voren gebracht dat destijds wel is gereageerd op de rapportage van het Team IC die bij brief van 25 maart 1999 voor het eerst was toegezonden. Er is namelijk een verbeterde administratie aangeboden en deze is ten onrechte niet door verweerder in de besluitvorming meegenomen. Ter onderbouwing hiervan is ter zitting een brief overgelegd van 22 april 1999 van eiser aan Arbeidsvoorziening Rijnmond Afdeling ESF waarin eiser heeft medegedeeld dat naar aanleiding van de accountantsrapportage van 21 september 1998 en de controle van het ESF van 25 maart 1999 maatregelen zijn genomen omtrent de projectadministratie en dat hij op dat moment bezig was alle deelnemersgegevens compleet te krijgen. Daarnaast is een brief overgelegd van Arbeidsvoorziening Afdeling Marketing en Verkoop aan eiser van 5 juli 1999 waarin wordt vermeld dat een aanvullende rapportage, die blijkens de brief zou zijn bijgevoegd, naar Prosub is gestuurd. Volgens eisers gemachtigden ter zitting betrof dit de verbeterde deelnemersadministratie die eveneens ter zitting is overgelegd.

2.3. Wettelijk kader

De subsidie is verstrekt uit het ESF, één van de structuurfondsen van de Europese Gemeenschappen. Dit Fonds vindt zijn grondslag in de artikelen 146 en 158 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag). Op grond van artikel 158 van het EG-Verdrag wordt onder meer het ESF ingezet bij het voeren van een Europese structuurpolitiek. Op grond van de artikelen 161, 163 en 209 van het EG Verdrag zijn twee kaderverordeningen vastgesteld waarin de hoofdlijnen van het structuurfondsenbeleid zijn neergelegd, namelijk:

- de Verordening nr. 2052/88 van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten, zoals gewijzigd in artikel 1 van de Verordening nr. 2081/93 (Pb. EG 1993 L 193/5),

- en de Verordening nr. 4253/88 van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van de Verordening nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds, zoals gewijzigd in artikel 1 van de Verordening nr. 2082/93 (Pb. EG 1993 L 193/20) (hierna: de Coördinatieverordening).

Onder verwijzing naar onder meer voormelde Verordeningen en de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 17 augustus 1994, nr. C(94)1414, waarbij de Commissie het Enig Programmerings Document voor de structurele bijstandsverlening door de Gemeenschap (het ESF) voor het gehele Nederlandse grondgebied met betrekking tot doelstelling 3 heeft goedgekeurd voor de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1999, heeft het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening besloten tot vaststelling van de ESF-regeling.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Coördinatieverordening, voor zover thans van belang, nemen de lidstaten, teneinde de acties van de particuliere of publiekrechtelijke projectontwikkelaars te doen slagen, bij de tenuitvoerlegging van de acties de nodige maatregelen om:

- regelmatig te verifiëren dat de door de Gemeenschap gefinancierde maatregelen stipt zijn uitgevoerd,

- onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen,

- door misbruik of nalatigheid verloren middelen te recupereren.

Behalve indien de lidstaat en/of de bemiddelende instantie en/of de projectontwikkelaar het bewijs levert/leveren dat het misbruik of de nalatigheid hem/hun niet kan worden aangerekend, is de lidstaat subsidiair aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de ESF-regeling, voor zover thans van belang, draagt de aanvrager er zorg voor dat een aparte projectadministratie wordt gevoerd, bestaande uit een deelnemersadministratie en een financiële administratie, waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, betrouwbaar en volledig zijn vastgelegd en zijn te verifiëren met bewijsstukken.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel geeft de deelnemersadministratie inzicht in de geplande, gerealiseerde en geprognosticeerde prestaties in termen van deelnemers en uren.

Ingevolge het derde lid van dit artikel, voor zover thans van belang, geeft de financiële administratie inzicht in de subsidiabele kosten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan het project worden toegerekend.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel biedt de administratie voldoende mogelijkheden voor een goede accountantscontrole en controle op de juiste naleving van de subsidievoorwaarden.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ESF-regeling wordt het definitieve subsidiebedrag vastgesteld aan de hand van de ingediende declaratie als bedoeld in artikel 13 en met inachtneming van hetgeen overigens is gebleken. Het definitieve subsidiebedrag is niet hoger dan het bedrag van de toezegging, noch hoger dan het bedrag dat controleerbaar en in overeenstemming met de voorschriften van deze regeling is.

2.4. Beoordeling

Voor de in geding zijnde subsidiejaren is het recht van toepassing zoals dat gold voor de inwerkingtreding van titel 4.2 van de Awb.

Het primaire besluit betreft de wijziging van het besluit tot subsidievaststelling. Vast staat dat door eiser geen bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 8 juli 1998 dat een rechtsmiddelenclausule bevatte. Bezwaar is eerst gemaakt tegen het primaire besluit. Gelet daarop is het besluit van 8 juli 1998 onherroepelijk geworden en kan de rechtmatigheid ervan thans niet meer aan de orde zijn, ook niet van het in dit besluit gemaakte en onder 2.1 weergegeven voorbehoud. Gelet op dit voorbehoud heeft, zoals door eiser ook niet meer wordt betwist, tussen partijen te gelden dat verweerder bevoegd is tot intrekking of wijziging van het besluit tot subsidievaststelling over beide subsidiejaren wanneer de in het voorbehoud vermelde omstandigheden zich voordoen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak (hierna: de Afdeling) van 2 augustus 2006 in zaak nr. 200502825/1 (LJN AY5521).

Vervolgens is aan de orde of de in het voorbehoud vermelde omstandigheden zich voordoen.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat uit artikel 10 van de ESF-regeling zonder meer valt te begrijpen dat alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de omvang van de gerealiseerde uren, kosten en financiering in een aparte projectadministratie moeten zijn vastgelegd en met bewijsstukken moeten zijn onderbouwd. Dit moet tijdig gebeuren en er moeten voldoende mogelijkheden voor controle zijn. Eiser heeft zich daarnaast door de ondertekening van zijn aanvraagformulier bij de aanvraag garant gesteld voor het opstellen van een aparte projectadministratie waarin alle gegevens zijn te verifiëren die zijn opgenomen in deze aanvraag en de daaruit voortvloeiende rapportage en dit vloeit ook voort uit de besluiten tot subsidieverlening. Dit geldt ook als het project door een ander wordt uitgevoerd.

Eiser heeft zijn stelling dat hij in reactie op de rapportage van het Team IC, in tegenstelling tot hetgeen is vermeld in zowel het primaire als het bestreden besluit en waarvan hij niet eerder in bezwaar en beroep melding heeft gemaakt, wel aanvullende gegevens aan de rechtsvoorganger van verweerder heeft doen toekomen, naar het oordeel van de rechtbank met de ter zitting overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt. De brief van 22 april 1999 heeft betrekking op het projectnummer 96130053 en een accountantsrapportage van 21 september 1998, terwijl het project in de onderhavige zaak het projectnummer 96130043 heeft en zich onder de gedingstukken geen accountantsrapportage van 21 september 1998 bevindt. De rapportage van het Team IC die bij brief van 25 maart 1999 aan eiser is toegezonden dateert van 7 december 1998. Uit de ter zitting overgelegde lijst met gegevens van deelnemers kan voorts niet ondubbelzinnig worden afgeleid dat er in het project wel een urenregistratie heeft plaatsgevonden en dat wel is voldaan aan het vereiste van het voeren van een deelnemersadministratie die inzicht geeft in geplande, gerealiseerde en geprognosticeerde prestaties in termen van deelnemers en uren. Afgezien van het gegeven dat hiermee dus nog geenszins is komen vast te staan dat er destijds wel een verbeterde en deugdelijke deelnemersadministratie aan verweerder is gestuurd, waarbij eiser ter zitting heeft bevestigd dat hij geen urenstaat met parafen van deelnemers of een vergelijkbare urenregistratie bezit, blijft staan dat de projectadministratie evenmin vanwege andere gebreken voldeed aan de eisen van de ESF-regeling. In de rapportage van 7 december 1998 is immers geconstateerd dat de project¬administratie op diverse punten ondeugdelijk is en dat het merendeel van de opgevoerde projectkosten niet toereikend is onderbouwd.

De rechtbank concludeert dan ook dat eiser indertijd niet alle benodigde gegevens heeft aangeleverd die voor een controle op de juiste uitvoering van de ESF-regeling noodzakelijk waren waardoor de subsidiabele kosten niet konden worden vastgesteld.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 2 augustus 2006 in zaak nr. 200502380/1 (LJN AY5517), vloeit voort dat de verplichtingen van de ESF-regeling met betrekking tot de administratie en de einddeclaratie tijdig moeten worden nageleefd. In die rechtspraak wordt het voeren van een aparte projectadministratie als bedoeld in artikel 10 van de ESF-regeling voorts als een wezenlijke verplichting aangemerkt, die in beginsel grond vormt voor het op nihil vaststellen van de verleende subsidies. Het kunnen vaststellen of, en zo ja welke, kosten subsidiabel zijn op grond van de ESF-regeling is wezenlijk voor een juiste uitvoering van die regeling.

Dat Arbeidsvoorziening als feitelijk uitvoerder bij het project was betrokken, zoals eiser heeft aangevoerd, doet er niet aan af dat, zoals hiervoor al is overwogen, eiser als aanvrager de verantwoordelijkheid droeg voor het voeren van een projectadministratie in overeenstemming met artikel 10 van de ESF-regeling. Dat een deugdelijke urenregistratie ontbrak en eiser ten tijde van de controle bepaalde gegevens niet meer kon achterhalen komt voor zijn rekening en risico. Dat geldt evenzeer voor het argument dat Arbeidsvoorziening zelf de oorzaak zou zijn van de geconstateerde gebreken en onvolledigheden. De rechtbank wijst hierbij op hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 2 augustus 2006 in zaak nr. 200502391/1, LJN AY5502.

Voor zover eiser meent dat Arbeidsvoorziening, als ingeschakelde uitvoerder, niet op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de met betrekking tot het project gesloten overeenkomst en hij dientengevolge de geleden schade op Arbeidsvoorziening wenst te verhalen, dient hij zich te wenden tot de burgerlijke rechter.

De door eiser gestelde omstandigheid dat het doel waarvoor subsidie werd verleend grotendeels is bereikt en dat er daarom geen sprake is van "verloren middelen" in de zin van artikel 23 van de Coördinatieverordening, doet er niet aan af dat een wezenlijke verplichting is geschonden en dat de juistheid van de opgevoerde (kosten)posten niet valt vast te stellen. Uit de jurisprudentie van de Afdeling – zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 augustus 2006 in zaak nr. 200505580/1, LJN AY7176 – volgt dat er in dat verband geen ruimte is voor een belangenafweging.

De goedkeuring van de kwartaalrapportages kan, anders dan eiser heeft aangevoerd, voorts niet leiden tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. De kwartaalrapportages betreffen immers een beperktere controle dan de eindrapportage en dienen een beperkter doel. De rechtbank wijst hierbij op de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling in LJN AY5517.

Hetgeen eiser met nadruk heeft gesteld over de bijzondere omstandigheid dat Arbeidsvoorziening als feitelijk uitvoerder bij het project betrokken was en hierbij één van haar publiekrechtelijke taken uitoefende, en tevens de organisatie was die besliste over de verlening van de subsidie voor het project, kan evenmin leiden tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 maart 2008 in de gevoegde zaken C-383/06 t/m C-385/06 (LJN BD1677) en de einduitspraken van de Afdeling van 24 december 2008 (onder meer in zaak nr. 200502951/1; LJN BG8290) volgt dat er geen ruimte bestaat om het bestreden besluit aan het nationale vertrouwensbeginsel te toetsen en dat, nu in strijd met artikel 10 van de ESF-regeling is gehandeld, eiser zich schuldig heeft gemaakt aan kennelijke schending van de geldende regeling en hem daarom geen beroep toekomt op het gemeenschapsrechtelijke vertrouwensbeginsel. Voor een verdere afweging is geen plaats. De rechtbank ziet in deze zaak geen ruimte om in afwijking van hetgeen in de vermelde uitspraak van de Afdeling is verwoord, wél aan te nemen dat een geslaagd beroep op het gemeenschapsrechtelijke vertrouwensbeginsel kan worden gedaan. Nog daargelaten of, zoals eiser veronderstelt, het optreden van Arbeidsvoorziening Rijnmond bij de uitvoering van het project ten volle toe te rekenen valt aan het Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening Rijnmond dan wel de Algemene Directie, als toenmalig ter zake van de ESF-subsidieverstrekking bevoegd bestuursorgaan, volgt uit hetgeen hiervoor werd overwogen over de schending van de verplichting een deugdelijke projectadministratie te voeren reeds dat in dit geval sprake was van een kennelijke schending van de ESF-regeling, waarvoor eiser als aanvrager verantwoordelijk moet worden gehouden, wat er ook zij van de handelwijze van de feitelijke uitvoerder van het project en de (civielrechtelijke) implicaties die de overeenkomst in dat verband heeft. Het gemeenschapsrechtelijke vertrouwensbeginsel kan eiser derhalve geen soelaas bieden.

Gelet op het vorenoverwogene hebben de in het besluit van 8 juli 1998 vermelde omstandigheden op grond waarvan verweerder bevoegd is tot wijziging van de subsidievaststelling zich voorgedaan. Verweerder heeft dan ook bij het primaire besluit, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, de subsidie op grond van de ESF-regeling gewijzigd op nihil kunnen vaststellen. Aangezien artikel 10 van de ESF-regeling de eisen stelt aan de administratie die uit het gemeenschapsrecht voortvloeien en artikel 23 van de Coördinatieverordening voorschrijft dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om de door de Gemeenschap gefinancierde maatregelen strikt te doen uitvoeren en onregelmatigheden te voorkomen, heeft verweerder dit ook moeten doen. Daarmee is in dit geval eveneens de bevoegdheid en verplichting tot terugvordering gegeven.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en het beroep ongegrond moet worden verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, voorzitter, en mr. D. Haan en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.T. van de Erve, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 23 oktober 2009.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.