Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BL7396

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
19-03-2010
Zaaknummer
962119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is de eerste van drie in deze zaak. De zaak heeft betrekking op een overeenkomst mb.t. een mobiele telefoon met abonnement. Gedaagde voert diverse verweren aan, die door de kantonrechter worden verworpen. De kern van de zaak is de toewijsbaarheid van de gevorderde schadevergoeding. De kantonrechter dient op basis van Europese richtlijnen te beoordelen of er bij de totstandkoming van de overeenkomst sprake was van een onredelijk bezwarend beding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2010/138 met annotatie van P.J.M. Ros
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTRUM JUSTITIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 18 februari 2009,

gemachtigde: Blume Stolker & Roel Gerechtsdeurwaarders te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna “Intrum Justitia” respectievelijk “[gedaagde]”genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Intrum Justitia heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan Intrum Justitia te betalen € 1.627,98, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.298,98 vanaf 9 februari 2009 tot aan de dag van algehele voldoening, één en ander een bedrag ad € 5.000,00 niet te boven gaand, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

1.2 [gedaagde] heeft mondeling op de eis geantwoord en daarbij producties overgelegd.

1.3 Intrum Justitia heeft een conclusie van repliek, met producties, genomen. [gedaagde] heeft, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, vervolgens niet binnen de hem door de kantonrechter gestelde termijn gereageerd. Daarop is een datum voor dit vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1 Aan de vordering heeft Intrum Justitia -samengevat weergegeven- ten grondslag gelegd dat [gedaagde] ondanks herhaalde aanmaning in gebreke is gebleven met betaling van hetgeen hij ingevolge een door hem met Vodafone Libertel B.V. (hierna: “Vodafone”) aangegane overeenkomst met betrekking tot mobiele telefonie aan Vodafone verschuldigd is geworden. Vodafone heeft haar vordering verkocht aan Intrum Justitia, hetgeen ook aan [gedaagde] is medegedeeld. De vordering betreft een hoofdsom ad € 1.298,98, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, door Intrum Justitia tot aan 9 februari 2009 berekend op € 29,00, en € 300,00 ter zake van buitengerechtelijke kosten.

2.2 [gedaagde] heeft betwist een abonnement bij Vodafone te hebben afgesloten. Iemand anders heeft misbruik gemaakt van de gegevens van [gedaagde]. Hij heeft thans 8 á 9 abonnementen op zijn naam staan. Er is ingebroken in zijn woning en daarbij is zijn bankpas met pincode gestolen. Hiervan heeft hij ook aangifte gedaan. Daarbij komt dat hij sinds 2002 onder bewind stond zodat hij geen abonnement kon afsluiten. Hij heeft ook geen stukken van Intrum Justitia ontvangen, aldus [gedaagde].

2.3 Intrum Justitia heeft bij repliek een afschrift van de overeenkomst waarop zij zich beroept overgelegd en er in dat verband op gewezen dat de overeenkomst niet alleen is aangegaan door een persoon die over de bankpas en identiteitskaart van [gedaagde] beschikte maar die ook de bij de bankpas behorende pincode kende, dit omdat ter plaatse € 0,01 is gepind. De desbetreffende medewerker heeft de foto op de identiteitskaart kunnen vergelijken met het uiterlijk van degene die voor hem stond, terwijl ook de handtekening overeenkomt. Intrum Justitia betwist voorts bij gebrek aan wetenschap dat de door [gedaagde] gestelde diefstal heeft plaatsgehad en ook dat [gedaagde] onder bewind stond.

3. De beoordeling

3.1 Vooropgesteld wordt dat ingevolge artikel 159 Rv de door Intrum Justitia bij repliek overgelegde overeenkomst jegens [gedaagde] dwingend bewijs oplevert, tenzij [gedaagde] stellig heeft ontkend dat de handtekening op die overeenkomst van hem afkomstig is. Dit laatste heeft [gedaagde], hoewel hij daartoe behoorlijk in de gelegenheid is gesteld, niet gedaan; hij heeft in het geheel niet meer gereageerd. Dat heeft tot gevolg dat zijn stelling dat hij de door Intrum Justitia gestelde overeenkomst niet is aangegaan, wordt verworpen.

3.2 Het verweer van [gedaagde] dat hij destijds onder bewind stond, kan evenmin slagen. Indien al juist is dat [gedaagde] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst onder bewind stond, kan hij zich, gelet op artikel 1:439 lid 1 BW, slechts beroepen op de ongeldigheid van die rechtshandeling indien Vodafone het bewind kende of behoorde te kennen. [gedaagde] heeft echter geen feiten of omstandigheden aangevoerd die, indien deze vast zouden staan, tot de conclusie leiden dat Vodafone ermee bekend was of behoorde te zijn dat [gedaagde] destijds onder bewind stond. Daarop strandt dit verweer dan ook.

3.3 Het voorgaande betekent dat de door [gedaagde] opgeworpen verweren niet aan toewijzing van de vordering van Intrum Justitia in de weg kunnen staan. Alvorens vonnis te wijzen behoeft de kantonrechter echter nog nadere informatie van Intrum Justitia, in verband waarmee het volgende wordt overwogen.

3.4 Intrum Justitia heeft bij dagvaarding toegelicht dat indien de overeenkomst tussen Vodafone en [gedaagde] tussentijds wordt beëindigd door opzegging door [gedaagde] dan wel door ontbinding wegens niet-nakoming door Vodafone, [gedaagde] gehouden is tot betaling van de vaste periodieke kosten over de resterende contractsduur.

3.5 Op grond van bestendige jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen rust op de kantonrechter de verplichting ambtshalve te toetsen of een beding in algemene voorwaarden in consumentenovereenkomsten, als hier aan de orde, onredelijk bezwarend is. Ingevolge artikel 3 van Richtlijn 93/13/EEG d.d. 5 april 1993 en de daarbij behorende bijlage kan een beding dat tot doel of gevolg heeft de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen dan wel de consument te verplichten al zijn verbintenissen na te komen, zelfs wanneer de verkoper zijn verbintenissen niet uitvoert, als oneerlijk worden aangemerkt.

3.6 Bij het in rekening brengen van de resterende termijnen kan sprake zijn van een onevenredig hoge schadevergoeding als hiervoor bedoeld. Immers, tegenover de betalingsverplichting van [gedaagde] staan geen diensten van Vodafone meer. Of er in het onderhavige geval daadwerkelijk sprake is van een onredelijk bezwarend beding, dient echter beoordeeld wordt aan de hand van alle omstandigheden van het geval.

3.7 Alvorens verder te beslissen acht de kantonrechter het geraden dat Intrum Justitia zich bij akte gemotiveerd over het voorgaande uitlaat én daarbij een afschrift van de facturen die zij aan de vordering ten grondslag legt, in het geding brengt. In haar akte dient zij in ieder geval de volgende punten te betrekken:

- Is de overeenkomst tussen Vodafone en [gedaagde] buitengerechtelijk ontbonden en zo ja, op welk moment?

- Hoeveel maandtermijnen van de overeengekomen contractsduur van 24 maanden zijn uitgefactureerd?

- Is er bij het uitfactureren rekening gehouden met overeengekomen kortingen (waarvan blijkens de overeenkomst sprake is), en zo ja, waar blijkt dat uit?

- Welke waarde vertegenwoordigt het aan [gedaagde] bij aanvang van de overeenkomst ter beschikking gestelde telefoontoestel (Nokia 6131 Zwart)?

3.8 Iedere verdere beslissing wordt in dit stadium van de procedure aangehouden.

4. De beslissing

De kantonrechter:

- verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 20 augustus 2009 te 10.00 uur teneinde Intrum Justitia in de gelegenheid te stellen bij akte de facturen waarop zij haar vordering grondt, in het geding te brengen en zich daarbij uit te laten als hiervoor onder 3.7 bedoeld;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Lubberink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.