Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BL4039

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-12-2009
Datum publicatie
16-02-2010
Zaaknummer
345365 / KG ZA 09-1331
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet tijdelijk huisverbod. Verzoek voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: 345365 / KG ZA 09-1331

Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

in het geding tussen

[naam eiser], verzoeker, tevens eiser (hierna: verzoeker),

wonende te [woonplaats], gemeente Albrandswaard,

woonplaats kiezende ten kantore van mr. A.M.A.E. d'Hamecourt-Broekmans,

thans verblijvende op een onbekend adres,

gemachtigde mr. A.M.A.E. d'Hamecourt-Broekmans,

en

de burgemeester van de gemeente ALBRANDSWAARD, verweerder,

zetelende te Albrandswaard,

in welke zaken belanghebbende is:

[naam vrouw], hierna te noemen de vrouw,

wonende te [adres].

De thans nog minderjarige kinderen van verzoeker en de vrouw:

[naam zoon], geboren op [datum] 2004,

[naam dochter], geboren op [datum] 2006,

beiden wonende op voormeld adres.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 11 december 2009 te 06.28 uur heeft verweerder een huisverbod opgelegd voor een periode van 10 dagen.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoeker bij brief van 17 december 2009 beroep ingesteld, welk beroep - dat zich eveneens richt tegen het na te melden besluit tot verlenging van het huisverbod - wordt behandeld ter zitting van 1 februari 2010 te 15.45 uur.

Bij besluit van 18 december 2009 heeft verweerder voormeld huisverbod verlengd voor een periode van 18 dagen tot 8 januari 2010 te 6.28 uur.

Voorts heeft verzoeker bij brief van 24 december 2009 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het opgelegde (verlengde) huisverbod achterwege dient te blijven totdat op zijn beroep is beslist, subsidiair een zodanige voorziening te treffen als de rechtbank redelijk en billijk acht. Voorts heeft verzoeker verzocht verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten.

Verweerder heeft bij brief van 24 december 2009 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 december 2009. Aanwezig waren verzoeker en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.M. Brandes. Voorts waren aanwezig, [naam vrouw] en haar advocaat mr. Maaskant, mevrouw Etty van de G.G.D., mevrouw S. van Doorn, casemanager en de heer Rijntalder, regiocoördinator Huiselijk Geweld.

2 Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

Voorts wijst de voorzieningenrechter erop dat niet ter toetsing voorligt het handelen van de vrouw. Voor zover het verzoek zich hiertegen richt - onder meer waar het betreft de uitlokking van het huisverbod, de pinpas en de tenaamstelling van de auto - kan het reeds om die reden niet slagen.

Op 1 januari 2009 is de wet Regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod; Stb. 2008, 421) in werking getreden.

Op grond van artikel 2 van deze wet kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

Verzoeker heeft ten principale aangevoerd dat het besluit tot verlenging van het huisverbod kennelijk onrechtmatig is. Volgens verzoeker heeft verweerder misbruik gemaakt van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) omdat haar besluit van 11 december jl. niet gebaseerd is op feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat verzoeker door diens aanwezigheid in de echtelijke woning een ernstig of onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van [naam vrouw] en zijn minderjarige kinderen dan wel dat een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Immers er is door de man geen geweld gebruikt of gedreigd met geweld.

Het voorgaande geldt daarmee eveneens voor het besluit van verweerder van 18 december jl. om het huisverbod te verlengen. Het besluit tot verlenging is bovendien ingegeven door de traagheid waarmee de hulpverlening op gang komt, welke traagheid niet aan verzoeker is te wijten. Het besluit tot verlenging dient derhalve te worden vernietigd.

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Verweerder is van oordeel dat de beschikking waarbij het huisverbod is opgelegd en de beschikking waarbij het huisverbod is verlengd niet strijdig zijn met wet- en regelgeving en dat deze dan ook in stand dienen te blijven.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Het besluit van 18 december 2009 is door verweerder genomen omdat de dreiging van het ernstige en onmiddellijke gevaar voor de veiligheid van de vrouw en de kinderen, die aanleiding vormden voor het opleggen van het huisverbod op 11 december 2009, nog aanwezig is en de hulpverlening nog niet goed is opgestart.

Het besluit van 11 december jl. is gebaseerd op de registraties (HKS) en mutaties van geweld van verzoeker, zoals blijkt uit het Risico-taxatie instrument Huiselijk Geweld (RiHG) verleden, de door de politie ter plekke in de nacht van 10 op 11 december 2009 aangetroffen situatie, de aangehoorde relazen over het gedrag van verzoeker, alsmede het geconstateerde letsel bij de vrouw.

De politie heeft na het opgelegde huisverbod in het kader van de strafzaak nader onderzoek gedaan en heeft onder meer de broer van de vrouw en een vriendin van haar als getuigen gehoord.

Mevrouw Van Doorn, casemanager, heeft in haar contacten met verzoeker en de vrouw vooral moeten constateren dat zij als het ware tussen hen in werd getrokken in hun geschillen over spullen zoals de auto, rekeningen en dergelijke in het kader van de echtscheiding, terwijl haar voornaamste taak was het opstarten van de hulpverlening. Haar taak werd vooral bemoeilijkt doordat deze contacten vooral verliepen via de werkgeefster van verzoeker en met de vader van de vrouw. De situatie verslechterde hierdoor met als gevolg dat partijen, hoewel er geen rechtstreeks contact was, lijnrecht tegenover elkaar bleven staan en er nog meer problemen ontstonden.

Mevrouw Etty heeft ter zitting naar voren gebracht dat zonder een huisverbod waaraan een contactverbod is gekoppeld, er voor de man geen reden meer is om niet in contact te treden met de vrouw, ook al is het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning in het kader van de voorlopige voorzieningen echtscheiding aan de vrouw toegewezen.

Gelet op het vorenstaande is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een door verweerder kennelijk onrechtmatig genomen besluit tot verlenging van het huisverbod.

Ook overigens heeft de man geen spoedeisend belang meer nu in het kader van de voorlopige voorzieningen echtscheiding het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw is toegewezen en de man zich heeft neergelegd bij het opstarten van een begeleide omgangsregeling die pas aanvangt na afloop van de verlenging van het huisverbod.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

3 Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek af.

Aldus gedaan door mr. Holierhoek, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, en door deze en De Ronde, griffier, ondertekend.